id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1069.N C. D. C. F., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Philippe Vanlangendonck, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 20 juni
- De eiser voert in memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden; er verliep immers meer dan tien jaar tussen de feiten en het arrest; een dergelijke termijn zonder dat die kan worden gerechtvaardigd is buitensporig; het arrest miskent ook eisers vermoeden van onschuld omdat het uitgaat van het vermoeden van eisers schuld en eist dat de eiser zijn onschuld onomstotelijk bewijst.
- Er bestaat geen drempel waaronder of waarboven de duur van een strafvervolging noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is. Een aanzienlijk tijdsverloop tussen het aanvangstijdstip voor de berekening van de redelijke termijn en de beslissing over de strafvordering houdt niet in dat de rechter een overschrijding van de redelijke termijn moet aannemen.
- Het staat aan de rechter om rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak te oordelen of het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een beslissing binnen een redelijke termijn over een strafvordering is gerespecteerd. De rechter moet die beoordeling maken op basis van de volgende criteria: de aard en de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van het met het onderzoek, de opsporing, de vervolging en de berechting belaste instanties en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde. Evenwel is niet vereist dat de rechter noodzakelijk al die criteria bij zijn beoordeling betrekt.
- De rechter kan bij de beoordeling van de redelijke termijn de verantwoordelijkheid voor het tijdsverloop tussen de betekening van het verstekvonnis en het door die beklaagde aangetekende verzet in de buitengewone termijn bij die beklaagde leggen indien die daarvoor verantwoordelijkheid draagt.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest neemt als aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn 11 juni 2015, dit is de datum waarbij de oorspronkelijke medebeklaagden werden aangehouden en er mag worden aangenomen dat de eiser vanaf dan wist dat er een strafonderzoek werd gevoerd naar de feiten en hij daardoor ernstig werd verontrust. Het bespreekt het verloop van het onderzoek tot en met het vonnis van 2 maart 2016 waarbij de eiser bij verstek werd veroordeeld en oordeelt dat daarbij geen sprake is van enige onredelijke stilstand of trage vooruitgang. Het stelt vast dat het verstek van de eiser enkel aan zijn toedoen te wijten was, het verstekvonnis werd betekend op 17 april 2016 aan het openbaar ministerie, hij tijdens het strafonderzoek zonder gekende adresgegevens verbleef in Spanje en dat hij daardoor onbereikbaar was voor de Belgische gerechtelijke overheden. Het stelt verder vast dat de eiser pas op 16 april 2024 verzet aantekende, de behandeling op verzet werd ingeleid op 2 mei 2024, de behandeling op vraag van de eiser werd uitgesteld naar de rechtszitting van 5 september 2024, op 27 september 2024 het vonnis op verzet werd uitgesproken, er van een trage vooruitgang of enige stilstand geen sprake is bij de behandeling op verzet en dat dit ook geldt voor de behandeling in hoger beroep.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Uit de motieven van het arrest blijkt niet dat de appelrechters uitgaan van het vermoeden van eisers schuld of dat zij vereisen dat de eiser zijn onschuld onomstotelijk bewijst. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: aangezien de eiser lijdt aan een met medische attesten bevestigde ernstige en chronische ziekte, zal de uitvoering van een vrijheidsstraf leiden tot een disproportionele en onmenselijke last; het arrest laat na deze essentiële omstandigheid in aanmerking te nemen en na te gaan of er geen passende alternatieve maatregelen zijn.
- Uit eisers appelconclusie blijkt dat hij de appelrechters heeft verzocht bij het opleggen van een eventuele sanctie rekening te houden met zijn kwetsbare gezondheidstoestand. Uit het arrest blijkt dat de appelrechters eisers mentale en fysieke gezondheidsproblemen bij de straftoemetingsbeslissing hebben betrokken. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt evenwel niet dat de eiser voor het appelgerecht heeft aangevoerd dat het opleggen van een vrijheidsstraf aan de eiser een schending zou inhouden van artikel 3 EVRM. In zoverre is het middel nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 150,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div