id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.9 Rolnummer: P.25.0177.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-12-08 Raadplegingen: 626 - laatst gezien 2026-06-16 11:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Om te bepalen of een beslissing op tegenspraak of bij verstek is gewezen, dient geen rekening te worden gehouden met de omschrijving die de rechter geeft aan de voor hem gevoerde rechtspleging, maar met de stukken waaruit blijkt dat partijen al dan niet het debat hebben bijgewoond en hun vorderingen, verweermiddelen en excepties hebben kunnen aanvoeren; dat een beslissing die ten onrechte vermeldt dat ze bij verstek werd gewezen, door een navolgende beslissing op dit punt werd verbeterd, is hierbij niet van belang, evenmin als de omstandigheid dat de verbeterende beslissing artikel 799 Gerechtelijk Wetboek schendt
(1).
(1)Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1395.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.3; Cass. 21 november 2017, AR P.16.1178.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.4, AC 2017, nr. 659; Cass. 10 januari 2012, AR P.11.1507.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.7, AC 2012, nr. 20; B. De Smet, Verstek en verzet in strafzaken, Brussel, Intersentia, 2025, (vijfde ed.), p. 81. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 799 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 799 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 799 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 799 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 5 Overmacht die de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, kan enkel voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de appellant en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden; de rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde feiten en omstandigheden bij het instellen van hoger beroep een geval van overmacht uitmaken
(1).
(1)Cass. 10 september 2024, AR P.23.1413.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.21; Cass. 8 februari 2022, AR P.21.1447.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.10 en zie Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220112.2F.
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Tekst van de beslissing Nr. P.25.0177.N T. V. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nathalie Van Sande, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 21 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN
- De eiser werd gedagvaard om te verschijnen voor de politierechtbank Limburg, afdeling Hasselt (hierna de politierechtbank), op de rechtszitting van 31 januari
- Op het proces-verbaal van die rechtszitting, waarop de zaak werd behandeld, in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op de rechtszitting van 21 februari 2024, werd vermeld dat de eiser “verstekmakend” was.
- Bij vonnis nr. 2024/537 van 21 februari 2024 werd de eiser door de politierechtbank strafrechtelijk veroordeeld. In dit vonnis werd vermeld dat de eiser “verstek laat gaan” en dat het bij verstek werd gewezen.
- Het openbaar ministerie deelde de raadsman van de eiser mee dat de zaak met betrekking tot het vonnis van 21 februari 2024 werd vastgesteld op de rechtszitting van de politierechtbank van 27 maart 2024 voor verbetering van dat vonnis. Op die laatste rechtszitting stelde de politierechtbank de zaak uit naar de rechtszitting van 10 april
- Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10 maart 2024 werd het vonnis van 21 februari 2024 op verzoek van het openbaar ministerie aan de eiser betekend.
- De eiser tekende verzet aan tegen het vonnis van 21 februari 2024 bij gerechtsdeurwaardersexploot van 18 maart 2024, met dagvaarding om te verschijnen voor de politierechtbank op de rechtszitting van 10 april
- In deze verzetsakte zette de eiser uiteen dat in het vonnis van 21 februari 2024 ingevolge een materiële vergissing foutief werd vermeld dat het bij verstek werd gewezen.
- Na de behandeling van de vordering tot verbetering en het voormelde verzet op de rechtszitting van 10 april 2024, wees de politierechtbank twee vonnissen: - bij vonnis nr. 2024/1142 van 24 april 2024 werd eisers verzet tegen het vonnis van 21 februari 2024 onontvankelijk verklaard omdat dit laatste vonnis op tegenspraak werd gewezen; - bij vonnis nr. 2024/1143 van 24 april 2024 werd de materiële vergissing in het vonnis van 21 februari 2024 verbeterd, in die zin dat in dat vonnis dient te worden vermeld dat de eiser werd vertegenwoordigd door zijn raadsman.
- De eiser tekende op 30 april 2024 met onderscheiden akten van hoger beroep en onderscheiden grievenformulieren hoger beroep aan tegen: - het vonnis nr. 2024/1142 van 24 april 2024; - het vonnis nr. 2024/537 van 21 februari 2024, verbeterd bij vonnis nr. 2024/1143 van 24 april
- Het bestreden vonnis verklaart eisers hoger beroep: - tegen het vonnis nr. 2024/537 van 21 februari 2024 niet ontvankelijk wegens verval, met name omdat het niet tijdig werd ingesteld en de eiser zich in dit verband niet kan beroepen op overmacht; - tegen het verbeterend vonnis nr. 2024/1143 van 24 april 2024 niet ontvankelijk bij gebrek aan belang, aangezien de eiser erkent dat het vonnis van 21 februari 2024 een materiële vergissing bevat, aangezien hij wel degelijk was vertegenwoordigd op de rechtszitting van 31 januari 2024; - tegen het vonnis nr. 2024/1142 van 24 april 2024 ontvankelijk doch ongegrond, aangezien eisers verzet tegen het vonnis van 21 februari 2024, dat op tegenspraak werd gewezen, daarin terecht onontvankelijk werd verklaard. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 799 Gerechtelijk Wetboek en artikel 203 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat het vonnis nr. 2024/537 van 21 februari 2024 op tegenspraak werd gewezen en eisers verzet tegen dat vonnis met het beroepen vonnis nr. 2024/1142 van 24 april 2024 bijgevolg terecht onontvankelijk werd verklaard, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat eisers hoger beroep tegen het vonnis nr. 2024/1142 van 24 april 2024 ongegrond is; de eiser was in de overtuiging dat het vonnis van 21 februari 2024 bij verstek werd gewezen en dus vatbaar was voor verzet, aangezien hij niet kon weten waarop de door het openbaar ministerie gevorderde verbetering van dat vonnis precies betrekking had, te meer omdat het openbaar ministerie hem dit vonnis ook liet betekenen; de appelrechters konden geen rekening houden met het verbeterend vonnis nr. 2024/1143 van 24 april 2024, waaruit blijkt dat het vonnis van 21 februari 2024 op tegenspraak werd gewezen, aangezien de eiser tegen dat laatste vonnis verzet had aangetekend en de politierechtbank bijgevolg niet kon overgaan tot verbetering van dat vonnis, dat dus wel degelijk moet worden beschouwd als een verstekvonnis waartegen de eiser verzet kon aantekenen; bijgevolg was ook eisers hoger beroep tegen het vonnis van 21 februari 2024 tijdig, aangezien de eiser pas door de vonnissen van 24 april 2024 met zekerheid kon weten waartoe hij werd veroordeeld, waardoor de termijn van hoger beroep pas vanaf dan begon te lopen; minstens kan de eiser zich beroepen op overmacht waardoor zijn hoger beroep tegen het vonnis van 21 februari 2024 toch ontvankelijk moet worden geacht, aangezien hij op een onoverkomelijke wijze heeft gedwaald over de datum van het beroepen vonnis.
- Het middel specificeert niet waarom het bestreden vonnis artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre is het middel, bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk.
- Om te bepalen of een beslissing op tegenspraak of bij verstek is gewezen, dient geen rekening te worden gehouden met de omschrijving die de rechter geeft aan de voor hem gevoerde rechtspleging, maar met de stukken waaruit blijkt dat partijen al dan niet het debat hebben bijgewoond en hun vorderingen, verweermiddelen en excepties hebben kunnen aanvoeren. Dat een beslissing die ten onrechte vermeldt dat ze bij verstek werd gewezen, door een navolgende beslissing op dit punt werd verbeterd, is hierbij niet van belang, evenmin als de omstandigheid dat de verbeterende beslissing artikel 799 Gerechtelijk Wetboek schendt.
- In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (p. 4, voorlaatste en laatste alinea en p. 6, voorlaatste alinea) oordeelt dat de eiser zowel in een brief aan de griffie van 13 maart 2024 als in zijn verzetsakte van 18 maart 2024 heeft aangevoerd dat het vonnis van 21 februari 2024 foutief was in zoverre daarin werd gesteld dat het een verstekvonnis betrof, waarbij de appelrechters verder oordelen dat de eiser reeds op 21 februari 2024 wist dat het vonnis van diezelfde datum op tegenspraak was gewezen. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser in de overtuiging verkeerde dat het vonnis van 21 februari 2024 bij verstek werd gewezen, komt het op tegen dit onaantastbare oordeel van de appelrechters en is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiser pas door de vonnissen van 24 april 2024 met zekerheid kon weten waartoe hij werd veroordeeld, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het eveneens niet ontvankelijk.
- Overmacht die de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, kan enkel voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de appellant en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden. De rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde feiten en omstandigheden bij het instellen van hoger beroep een geval van overmacht uitmaken. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser zich op overmacht en onoverwinnelijke dwaling kan beroepen ter verantwoording van de omstandigheid dat hij pas na het verstrijken van de beroepstermijn tegen het vonnis van 21 februari 2024 hoger beroep heeft aangetekend, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div