id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251204.1N.6 Rolnummer: C.24.0384.N Zaak: N. contra AXA BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2025-12-17 Raadplegingen: 555 - laatst gezien 2026-06-15 09:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251204.1N.6 Fiche 1 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de herinnering aan de aanvang van de termijn, waaraan de ingebrekestelling door de verzekeraar van de verzekering tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor motorrijtuigen moet voldoen in geval van niet-betaling van de premie, het voor de bestemmeling mogelijk moet maken het precieze tijdstip te bepalen waarop de schorsing of de opzegging uitwerking heeft; het volstaat derhalve dat de ingebrekestelling de aanvang van de termijn kenbaar maakt voor de verzekeringnemer
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 70 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Fiche 2 De ingebrekestelling herinnert aan de gevolgen van niet-betaling, zonder in dat verband exacte bewoordingen op te leggen; het volstaat dat de ingebrekestelling de gevolgen van niet-betaling op zodanige wijze benoemt dat de verzekeringsnemer in staat is deze te begrijpen; het is niet vereist dat de ingebrekestelling de precieze inhoud ervan uitlegt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 70 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0384.N V. N., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.483.367, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 24 juni
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 6 november 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 70, derde lid, Wet Verzekeringen wordt in de ingebrekestelling, bedoeld in artikel 69 van die wet, aan de premievervaldag en aan het premiebedrag herinnerd alsook aan de gevolgen van niet-betaling van de premie binnen de gestelde termijn en aan de aanvang van die termijn. Er wordt ook in vermeld dat de schorsing van de dekking of de opzegging van de overeenkomst uitwerking hebben vanaf de dag volgend op de dag waarop de termijn eindigt, zonder dat dit afbreuk doet aan de dekking die betrekking heeft op een verzekerd voorval dat zich voordien heeft voorgedaan.
- Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de herinnering aan de aanvang van de termijn het voor de bestemmeling mogelijk moet maken het precieze tijdstip te bepalen waarop de schorsing of de opzegging uitwerking heeft. Het volstaat derhalve dat de ingebrekestelling de aanvang van de termijn kenbaar maakt voor de verzekeringnemer.
- De appelrechter, die vaststelt dat met het verzoek om te betalen “binnen de 15 dagen, meer bepaald voor 16 januari 0.00 uur”, het voor de verzekeringnemer duidelijk was dat die termijn noodzakelijk aanving vijftien dagen eerder, dus op 1 januari 2020, en op die grond oordeelt dat de ingebrekestelling voldoet aan het vereiste in artikel 70, derde lid, Wet Verzekeringen, dat daarin herinnerd moet worden aan de aanvang van de termijn, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De appelrechter oordeelt dat met het verzoek om te betalen “binnen de 15 dagen, meer bepaald voor 16 januari om 0.00 uur,” het voor de verzekeringnemer duidelijk was dat die termijn noodzakelijk aanving vijftien dagen eerder, dus op 1 januari
- Deze vergeefs bekritiseerde reden draagt reeds zijn beslissing dat de ingebrekestelling voldoet aan het vereiste in artikel 70, derde lid, Wet Verzekeringen dat de ingebrekestelling herinnert aan de aanvang van de termijn. De reden dat die dag, zijnde 1 januari 2020, daadwerkelijk de dag na de afgifte van de aangetekende zending was, en dat de eiser dit aan de hand van de poststempel op de aangetekende brief kon controleren, draagt de beslissing niet. In zoverre het onderdeel tegen deze overtollige reden gericht is, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 70, derde lid, Wet Verzekeringen wordt in de ingebrekestelling, bedoeld in artikel 69 van die wet, aan de premievervaldag en aan het premiebedrag herinnerd alsook aan de gevolgen van niet-betaling van de premie binnen de gestelde termijn en aan de aanvang van die termijn. Er wordt ook in vermeld dat de schorsing van de dekking of de opzegging van de overeenkomst uitwerking hebben vanaf de dag volgend op de dag waarop de termijn eindigt, zonder dat dit afbreuk doet aan de dekking die betrekking heeft op een verzekerd voorval dat zich voordien heeft voorgedaan.
- Deze bepaling vereist dat de ingebrekestelling herinnert aan de gevolgen van niet-betaling, zonder in dat verband exacte bewoordingen op te leggen. Het volstaat dat de ingebrekestelling de gevolgen van niet-betaling op zodanige wijze benoemt dat de verzekeringsnemer in staat is deze te begrijpen. Het is niet vereist dat de ingebrekestelling de precieze inhoud ervan uitlegt.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de tekst van de ingebrekestelling luidt: “Als u het totaal bedrag niet binnen de termijn betaalt zullen we de waarborgen van uw contract schorsen vanaf 16 januari 2020 om 0.00 u”; - de gebruikte terminologie, met name ‘zullen we de waarborgen van uw contract schorsen’, geen ruimte voor twijfel laat voor de verzekeringnemer over de voorgenomen sanctie van de schorsing van de dekking; - het schorsen van de waarborg niet anders kan worden verstaan dan dat geen schadegevallen voorgevallen vanaf 16 januari 2020 zullen worden vergoed, hetgeen ten overvloede nog eens met die woorden in de ingebrekestelling staat vermeld.
- De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat de ingebrekestelling voldoet aan het vereiste in artikel 70, derde lid, Wet Verzekeringen, dat daarin herinnerd moet worden aan de gevolgen van niet-betaling, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 448,91 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Michael Traest, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 4 december 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251204.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251204.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div