← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.10 Rolnummer: P.25.1579.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-12-11 Raadplegingen: 405 - laatst gezien 2026-06-18 17:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van de tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden, waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren:
  2. a)op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes;
  3. b)of op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd; de strafuitvoeringsrechter oordeelt onaantastbaar of de tegenaanwijzing voorhanden is van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden zoals omschreven in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering

(1); uit het voorgaande volgt dat de strafuitvoeringsrechter voor het oordeel dat de tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden voorhanden is, kan steunen op vroegere veroordelingen.
(1)Cass. 18 november 2025, AR P.25.1422.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.32; Cass. 14 oktober 2025, AR P.25.1279.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251014.2N.13; zie ook Parl. St. Kamer, DOC 56 0972/001, p. 21. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechter, die geen uitspraak doet over een burgerlijk recht of over de gegrondheid van de strafvervolging
(1).
(1)Cass. 2 oktober 2024, AR P.24.1299.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241002.2F.14 met concl. van eerste advocaat-generaal. M. NOLET DE BRAUWERE. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 De door de artikelen 98/9, 98/13, 98/14, 98/16, 98/18 tot en met 98/26 Wet Strafuitvoering geregelde procedure is een schriftelijke procedure waar de strafuitvoeringsrechter op basis van een schriftelijk verzoek om elektronisch toezicht van de veroordeelde, een schriftelijk advies van de directeur, een door de directeur, na het horen van de veroordeelde, overeenkomstig artikel 98/16 Wet Strafuitvoering samengesteld dossier en eventueel een advies van het openbaar ministerie, beslist over het verzoek tot de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit; tegen die beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld; aldus heeft een veroordeelde wel degelijk toegang tot de rechter; dit recht vereist niet dat de strafuitvoeringsrechter de veroordeelde zelf hoort, dat die veroordeelde tegenspraak moet kunnen voeren over de uitgebrachte adviezen of dat hij tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechter hoger beroep moet kunnen instellen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/9 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/14 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/18 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/26 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/9 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/14 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/18 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/18 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1579.N S. E.B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadslieden mr. Carine Liekendael en mr. Abdelhadi Amrani, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 19 november
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 98/13 Wet Strafuitvoering: het risico als bedoeld door artikel 98/13 Wet Strafuitvoering moet actueel zijn; uit zes voorafgaande verkeersovertredingen waarvan de laatste dateert van meer dan zeven jaar terug, kan geen risico voor de fysieke integriteit van derden worden afgeleid; daardoor miskent het vonnis ook de motiveringsplicht; de gegeven motivering is dermate onjuist, onduidelijk, tegenstrijdig en niet-adequaat dat het Hof de wettigheid van de beslissing niet kan nagaan.
  3. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechter die geen uitspraak doet over een burgerlijk recht of over de gegrondheid van een strafvervolging.
  4. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is evenmin van toepassing op de strafuitvoeringsrechter.
  5. Artikel 98/13, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toekent onder meer op voorwaarde dat er bij de veroordeelde geen direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
  6. Artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering.
  7. Artikel 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de directeur een dossier samenstelt dat voor de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht naast een afschrift van de opsluitingsfiche het advies van de directeur bevat, met onder meer de elementen die de directeur relevant acht voor de beoordeling van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden alsook een voorstel tot toekenning of afwijzing en in voorkomend geval de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op recidive te beperken of die noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.
  8. Artikel 98/16, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank aan het dossier een geactualiseerd afschrift van het strafregister, een afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling en in voorkomend geval van de slachtofferfiches toevoegt.
  9. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van deze tegenaanwijzing een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren: - op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes; - of, op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd.
  10. Uit het voorgaande volgt dat de strafuitvoeringsrechter voor het oordeel dat de tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden voorhanden is, kan steunen op vroegere veroordelingen.
  11. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel door het vonnis over het voorhanden zijn van de in artikel 98/13 Wet Straftuitvoering bedoelde tegenaanwijzing, is het niet ontvankelijk.
  13. Voor het overige zijn de door het onderdeel aangevoerde motiveringsgebreken afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede en derde onderdeel
  14. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de bewijskracht van akten: het vonnis oordeelt onder meer dat de eiser wenst te gaan inwonen op zijn adres waar hij gedomicilieerd is en waar ook zijn vriendin inwoont, alsook dat die vriendin al meermaals de tussenkomst van de politiediensten heeft gevraagd voor feiten van intra-familiaal geweld; dit motief is niet ontleend aan het dossier; de echtgenote van de eiser is nooit het slachtoffer geweest van intra-familiaal geweld, heeft de Belgische nationaliteit en woont sinds 2017 onafgebroken op haar adres te Bierbeek; de eiser heeft geen vriendin bij wie hij zou inwonen en die geen vast adres zou hebben in het Rijk; dat oordeel miskent niet enkel de bewijskracht van de maatschappelijke enquête van 22 september 2025, maar ook de motiveringsplicht; daardoor is het Hof ook niet in staat de wettigheid van het vonnis te beoordelen; de motivering is onjuist, onduidelijk, tegenstrijdig en niet-adequaat. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 98/13 Wet Strafuitvoering: uit de verwijzing naar elementen die niet blijken uit het dossier, volgt dat het vonnis niet nauwkeurig is gemotiveerd; het Hof is evenmin in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
  15. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechter die geen uitspraak doet over een burgerlijk recht of over de gegrondheid van een strafvervolging.
  16. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is evenmin van toepassing op de strafuitvoeringsrechter.
  17. In zoverre het derde onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  18. Onder het randnummer 2.2 van het vonnis is als tweede alinea het volgende opgenomen: “Betrokkene wenst tijdens een ET te gaan inwonen op zijn adres, waar hij gedomicilieerd is en waarbij ook zijn vriendin inwoont. Zijn vriendin heeft geen vast adres in het Rijk en op te merken is dat zij reeds meermaals de tussenkomst van de politiediensten heeft verzocht voor feiten van intra-familiaal geweld.” Uit de volledige lezing van het vonnis en de redenen die het vermeldt als grondslag voor de conclusie dat de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit niet kan worden toegekend, volgt dat deze alinea geen uitstaans heeft met de zaak die met het vonnis wordt beslecht, dat die conclusie ook niet steunt op die alinea en dat die alinea bij materiële misslag in het vonnis is opgenomen.
  19. Het Hof kan gelet op die materiële vergissing het vonnis dan ook lezen met weglating van deze alinea. In zoverre berusten de onderdelen op een onjuiste lezing van het vonnis en missen ze feitelijke grondslag.
  20. In zoverre de overige met de onderdelen aangevoerde onwettigheden zijn afgeleid uit de voormelde onjuiste lezing, zijn ze niet ontvankelijk. Tweede middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: de motieven van het vonnis vertonen geen enkele link met de toestand van de verzoeker noch met zijn dossier; aangezien er geen rechtszitting plaatsvindt, moet het verzoek van de eiser nauwkeurig worden onderzocht en met de nodige voorzichtigheid; de eiser heeft over zijn aanvraag geen verdediging kunnen voeren; hij kan ook geen hoger beroep aantekenen tegen de beslissing; zijn recht van toegang tot de rechter en van een eerlijke behandeling van zijn zaak is miskend.
  22. In zoverre het middel eenzelfde strekking heeft als het tweede en derde onderdeel van het eerste middel moet het om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen worden verworpen.
  23. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechter, die geen uitspraak doet over een burgerlijk recht of over de gegrondheid van de strafvervolging.
  24. De door de artikelen 98/9, 98/13, 98/14, 98/16, 98/18 tot en met 98/26 Wet Strafuitvoering geregelde procedure is een schriftelijke procedure waar de strafuitvoeringsrechter op basis van een schriftelijk verzoek om elektronisch toezicht van de veroordeelde, een schriftelijk advies van de directeur, een door de directeur, na het horen van de veroordeelde, overeenkomstig artikel 98/16 Wet Strafuitvoering samengesteld dossier en eventueel een advies van het openbaar ministerie, beslist over het verzoek tot de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit. Tegen die beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld.
  25. Aldus heeft een veroordeelde wel degelijk toegang tot de rechter. Dit recht vereist niet dat de strafuitvoeringsrechter de veroordeelde zelf hoort, dat die veroordeelde tegenspraak moet kunnen voeren over de uitgebrachte adviezen of dat hij tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechter hoger beroep moet kunnen instellen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241002.2F.14 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251014.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.32 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.