id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.17 Rolnummer: P.25.1488.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-12-11 Raadplegingen: 320 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het recht van verdediging van de persoon, van wie de uitlevering wordt gevraagd en die niet werd opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer die heeft beslist over de uitvoerbaarheid van een bevel tot aanhouding dat tegen hem is afgeleverd door een vreemde gerechtelijke autoriteit en waarbij het openbaar ministerie naar aanleiding van deze rechtszitting bepaalde door deze persoon voordien ter kennis gebrachte stukken niet bij het dossier van de exequaturprocedure heeft gevoegd of het bestaan van die stukken niet ter kennis van de raadkamer heeft gebracht, is voldoende gewaarborgd door zijn mogelijkheid om tegen de exequaturbeschikking hoger beroep in te stellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling; deze kamer beslist met volle rechtsmacht en na een procedure op tegenspraak over de vermelde uitvoerbaarheid en hierbij kan die persoon alle door hem gewenste stukken bij het dossier laten voegen en aan de kamer ter kennis brengen
(1).
(1)Zie alg. M. DE SWAEF en M. TRAEST, “Uitlevering: uitvoerbaarverklaring van het buitenlandse bevel tot aanhouding”, in Comm. Straf. 2012, 17-21; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2025, II, 2388-
- Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1488.N M. C., vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, eiser, aangehouden, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 28bis, § 1, eerste lid en § 3, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de loyaliteit van het openbaar ministerie: de eiser deelde reeds op 27 september 2024 de ontseiningsbeslissing van de Commissie voor Bestandscontrole van Interpol (hierna de CCF-beslissing) aan het openbaar ministerie mee en verklaarde toen reeds dat hij een uitleveringsverzoek door de Indiase autoriteiten aan België zou aanvechten en zich ter beschikking van het Belgische gerecht wenste te houden; dit stuk werd echter niet gevoegd bij de vordering van 25 november 2024 van het openbaar ministerie voor de raadkamer en de eiser werd evenmin voor de rechtszitting van de raadkamer opgeroepen van 29 november 2024 waarbij werd beslist over de uitvoerbaarverklaring van de aanhoudingsbevelen; hierdoor heeft de procureur des Konings zijn loyaliteitsplicht miskend; minstens had de procureur des Konings, indien hij wenste gebruik te maken van zijn recht om de eiser niet op te roepen voor de rechtszitting van de raadkamer, de CCF-beslissing aan de raadkamer moeten overmaken of kennis geven van het bestaan van dit stuk; door dit niet te doen heeft de procureur des Konings essentiële informatie onthouden die de raadkamer had moeten bezitten om de uitleveringsvoorwaarden na te gaan; de omstandigheid dat de CCF-beslissing voor de appelrechters wel het voorwerp van een debat heeft uitgemaakt, maakt de door de eiser aangevoerde wetsschending niet ongedaan aangezien de appelrechters de beslissing van de eerste rechter bevestigen (eerste onderdeel); waar het openbaar ministerie in beginsel ervoor kan opteren om de exequaturprocedure in afwezigheid van de eiser te laten plaatsvinden, is deze keuze, gelet op de invloed ervan op het recht van verdediging van de betrokkene, onderworpen aan een rechterlijke controle; de loutere overweging van de appelrechters dat het openbaar ministerie ervoor kan opteren om de exequaturprocedure in afwezigheid van de eiser te laten plaatsvinden, gezien het vluchtgevaar dat bij niet-aangehouden personen inherent is aan de uitleveringsprocedure, is geenszins gelijk te stellen met een onderzoek in concreto naar de vraag of deze niet-oproeping gerechtvaardigd was (tweede onderdeel); geen enkele bepaling in de Uitleveringswet 1874 geeft expliciet aan welke stukken al dan niet deel uitmaken van het dossier dat dient te worden voorgelegd in de exequaturprocedure, maar uit de bepalingen ervan volgt wel dat ook stukken dienen en kunnen worden toegevoegd om het onderzoeksgerecht in staat te stellen om de algemene weigeringsvoorwaarden van de wet te onderzoeken; nu de door de eiser aangevoerde betrokkenheid van de Indiase autoriteiten bij zijn ontvoering op 23 mei 2021 op Antigua door de CCF-beslissing geloofwaardig wordt genoemd, maakt deze beslissing vanzelfsprekend een document uit dat verband houdt met de wettigheidscontrole die de raadkamer diende te vervullen in de exequaturprocedure en diende deze beslissing derhalve door het openbaar ministerie aan het dossier te worden toegevoegd; het oordeel van de appelrechters dat niet blijkt dat de eiser in België voordien reeds voorlopig werd aangehouden ingevolge onverwijlde spoed op basis van een IP red notice en dat een eerdere beslissing tot ontseining daarom ook geen deel uitmaakt van het officiële uitleveringsverzoek dat aan de raadkamer diende te worden voorgelegd, gaat voorbij aan de loyaliteitsverplichting van het openbaar ministerie (derde onderdeel).
- Het recht van verdediging van de persoon, van wie de uitlevering wordt gevraagd en die niet werd opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer die heeft beslist over de uitvoerbaarheid van een bevel tot aanhouding dat tegen hem is afgeleverd door een vreemde gerechtelijke autoriteit en waarbij het openbaar ministerie naar aanleiding van deze rechtszitting bepaalde door deze persoon voordien ter kennis gebrachte stukken niet bij het dossier van de exequaturprocedure heeft gevoegd of het bestaan van die stukken niet ter kennis van de raadkamer heeft gebracht, is voldoende gewaarborgd door zijn mogelijkheid om tegen de exequaturbeschikking hoger beroep in te stellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze kamer beslist met volle rechtsmacht en na een procedure op tegenspraak over de vermelde uitvoerbaarheid en hierbij kan die persoon alle door hem gewenste stukken bij het dossier laten voegen en aan de kamer ter kennis brengen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige kan, gelet op het voormelde oordeel, het middel niet leiden tot cassatie en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 5 en 6 EVRM en artikel 2bis Uitleveringswet 1874, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de appelrechters ten onrechte oordelen dat uit de door de eiser bijgebrachte documenten niet onomstotelijk kan worden afgeleid dat hij in Antigua het slachtoffer werd van een ontvoering in opdracht van de Indiase autoriteiten en dat de CCF-beslissing hierover geen uitsluitsel geeft en zeer omzichtig en in de voorwaardelijke wijs is geformuleerd; wanneer een persoon om wiens uitlevering wordt verzocht, aanvoert dat niet is voldaan aan de door artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874 vermelde omstandigheden, dient hij de elementen aan te voeren waaruit zulks blijkt; de eiser heeft zich beroepen op zijn ontvoering op Antigua en de overbrenging naar Dominica, waarbij hij aanvoerde dat de Indiase autoriteiten daarbij waren betrokken en het de bedoeling was dat de Indiase autoriteiten de eiser zouden ophalen op Dominica om hem over te brengen naar India; nu de eiser de door hem aangevoerde omstandigheden met enige geloofwaardigheid heeft aangevoerd, kunnen de appelrechters dit niet verwerpen omdat hij geen onomstotelijk bewijs van dit gegeven aanvoert.
- Met de in het onderdeel vermelde redenen legt het arrest geen bewijslast bij de eiser die verder gaat dan de aanvoeringslast om het bestaan van de ernstige risico’s, zoals bedoeld in artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874, aannemelijk te maken, maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde van de CCF-beslissing betreffende het specifieke feit dat de eiser in Antigua het slachtoffer werd van een ontvoering in opdracht van de Indiase autoriteiten. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbare oordeel dat de eiser niet slaagt op de hem rustende verplichting zijn aanvoeringen enigszins aannemelijk te maken, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de appelrechters ten onrechte oordelen dat in de CCF-beslissing wordt besloten dat als de eiser zou zijn ontvoerd in Antigua om hem over te brengen naar India, dit ernstig doet twijfelen of hij kans maakt op een eerlijk proces in India, maar dat de CCF-beslissing over de ontvoering van de eiser geen uitsluitsel geeft en zeer omzichtig en in de voorwaardelijke wijs is geformuleerd; hiermee miskennen de appelrechters echter de bewijskracht van de CCF-beslissing, aangezien deze duidelijk stelt dat er een geloofwaardige mogelijkheid en dus een waarschijnlijkheid is dat de ontvoering van de eiser als uiteindelijke doel had om hem naar India te deporteren en dat als gevolg hiervan sterke twijfel bestaat of hij in India nog een eerlijk proces kan krijgen.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij de akte doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift indien de gegeven uitlegging een mogelijke uitlegging is, naast andere.
- Met de in het onderdeel vermelde redenen geeft het arrest van de CCF-beslissing een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de appelrechters eisers verweer over het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke orde in India niet onderzoeken in samenhang met zijn door hem aangevoerde en in de CCF-beslissing geloofwaardig bevonden ontvoering op 23 mei 2021 met medewerking van de Indiase autoriteiten; dit feit versterkt echter de vrees voor beïnvloeding door de overheid en derhalve de vrees voor een gebrek aan onafhankelijkheid van de rechters; het gegeven dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden met betrekking tot de beoordeling van eisers ontvoering, zoals aangevoerd in het eerste en tweede onderdeel, heeft tot gevolg dat ook de beslissing van de appelrechters met betrekking tot het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke orde in India niet kan worden aangenomen.
- Het arrest (nr. 3.10.1) oordeelt onder andere dat uit de door de eiser bijgebrachte documenten niet onomstotelijk kan worden afgeleid dat hij in Antigua het slachtoffer werd van een ontvoering in opdracht van de Indiase autoriteiten en dat ook de CCF-beslissing hierover geen uitsluitsel geeft en zeer omzichtig en in de voorwaardelijke wijs is geformuleerd.
- Het arrest (nr. 3.10.4) oordeelt verder als volgt: - de eiser beroept zich op een schending van artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) indien hij zou worden uitgeleverd; - onder verwijzing naar rapporten van niet-gouvernementele organisaties stelt de eiser de onafhankelijkheid van de rechterlijke orde in India in vraag; - de eiser haalt evenwel geen substantiële elementen aan die de kamer van inbeschuldigingstelling toelaten te besluiten dat er voor hem een reëel gevaar van miskenning van het recht op een eerlijk proces aanwezig zou zijn omwille van een gebrek aan onafhankelijkheid van de Indiase rechters; - waar de eiser in conclusie voorhoudt dat er aanwijzingen zijn dat hij het voorwerp is van een politiek proces, wordt dit geenszins aannemelijk gemaakt; - de eiser werpt tevens een miskenning op van het vermoeden van onschuld nu er talrijke persartikelen over hem zouden zijn verschenen, waardoor het recht van de eiser op een eerlijk proces zou worden miskend; uit het feitenrelaas, opgenomen in het uitleveringsverzoek, komt naar voren dat de eiser wordt verdacht een aandeel te hebben in een zeer omvangrijke fraudezaak ten nadele van de Nationale Bank van India; - dat een onderzoek naar feiten van dergelijke omvang op (grote) persbelangstelling kan rekenen is geen abnormaal gegeven en vormt geen aanwijzing dat de eiser niet zal worden onderworpen aan een eerlijke procesgang.
- Met deze redenen van het arrest, die samen moeten worden gelezen, beoordelen de appelrechters de regelmatigheid van de uitvoerbaarheid van de bevelen tot aanhouding die tegen de eiser zijn afgeleverd door de Indiase gerechtelijke autoriteit wel degelijk in samenhang met de CCF-beslissing en de door hem aangevoerde ontvoering op 23 mei
- In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de met het eerste en tweede onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874 en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het beginsel van internationaal gewoonterecht “ex injuria jus non oritur”: de appelrechters beantwoorden niet concreet eisers in appelconclusie gevoerde verweer over het risico op foltering tijdens politieondervragingen door de Indiase autoriteiten of tijdens de gerechtelijk hechtenis; nu de eiser onvermijdelijk als verdachte zal worden gehoord na zijn uitlevering aan India, behoort hij wel degelijk tot de risicogroep van personen die door het onderzoeksbureau worden ondervraagd, waar een systematische praktijk van marteling bestaat; het arrest betwist noch het feit dat het onderzoeksbureau systematisch gebruik maakt van foltering, noch dat de eiser onvermijdelijk zal worden ondervraagd door deze instantie; indien wordt aangenomen dat de appelrechters eisers verweer wel hebben onderzocht, miskennen zij de bewijskracht van eisers appelconclusie, waar, in tegenstelling tot wat de appelrechters oordelen, wel degelijk situaties worden vermeld die op de eiser van toepassing zijn (eerste onderdeel); de appelrechters beperken zich, wat het door de eiser aangevoerde verweer in verband met de detentieomstandigheden in India betreft, tot de opmerking dat de eiser verwijst naar omstandigheden in de gevangenis van Tihar, die niet op zijn persoonlijke situatie van toepassing zijn; pagina’s 56 tot en met 64 van eisers appelconclusie en zijn stukken 60 tot en met 63 hebben echter geen betrekking op de detentieomstandigheden in de gevangenis van Tihar, zodat de appelrechters de bewijskracht van eisers appelconclusie miskennen; minstens wordt eisers verweer met betrekking tot de detentieomstandigheden in India niet beantwoord (tweede onderdeel); de appelrechters beantwoorden op geen enkele wijze eisers in appelconclusie op pagina’s 73 tot en met 79 gevoerde verweer, namelijk de bezwaren tegen de nota uitgaande van de Indiase autoriteiten die betrekking hadden op
(1)het gedeeltelijke karakter van de garanties van de Indiase regering,
(2)de analyse van deze garanties onder de zogenaamde “Othman” criteria en
(3)de analyse van het uitzonderingsregime in “Barrack 12” als “uitleveringswapen” (derde onderdeel); de appelrechters beantwoorden niet eisers verweer in verband met het internationaal gewoonterecht “ex injuria jus non oritur”; zij oordelen slechts dat dit verweer niet relevant is, zonder uit te leggen waarom de aangevoerde regels niet van toepassing of onjuist zijn (vierde onderdeel).
- Uit de op de kamer van inbeschuldigingstelling inzake uitlevering rustende motiveringsverplichting volgt niet dat zij de redenen van haar redenen moet geven. De kamer van inbeschuldigingstelling dient een verweer te beantwoorden, zonder dat zij moet antwoorden op elk argument dat tot staving van dit verweer wordt aangevoerd, zonder een afzonderlijk verweer te vormen
- Het arrest (nrs. 3.10.2, 3.10.3, en 3.11) oordeelt als volgt: - het (lijvige) stukkenbundel dat door de eiser wordt bijgebracht bevat persartikelen die handelen over incidenten met Indiase burgers in het buitenland, rechtspraak van binnenlandse en buitenlandse rechtscolleges en diverse rapporten over het optreden van de Indiase politie, de situatie in politiecellen en gevangenissen (nr. 3.10.2); - één op één vergelijking van de situatie van de personen waarvan documenten worden voorgelegd met het voorliggende dossier van de eiser gaat evenwel niet op (nr. 3.10.2); - er worden documenten bijgebracht van Indiase burgers die worden gelinkt aan Sikh-activisme, van detentieomstandigheden in de Tihar-gevangenis, elementen die op basis van het voorliggende uitleveringsverzoek van de eiser niet van toepassing lijken te zijn (nr. 3.10.2); - de eiser maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat hij in geval van uitlevering in dezelfde of gelijkaardige concrete feitelijke omstandigheden zal belanden als degene die wordt beschreven in de door hem bijgebrachte documentatie (nr. 3.10.2); - de door de eiser bijgebrachte documentatie volstaat niet om concreet aannemelijk te maken dat hij zelf een reëel, actueel en ernstig risico loopt om in de verzoekende Staat te zullen worden onderworpen aan flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling (nr. 3.10.2); - het openbaar ministerie voegde op 2 september 2025 een (niet gedateerde) nota “Submissions of Government of India in the extradition matter of Mehul Choksi in the Kingdom of Belgium” aan het dossier (nr. 3.10.3); - in deze nota lichten de Indiase autoriteiten onder meer toe dat (nr. 3.10.3): • * de eiser zal worden opgesloten in de “Arthur Road Prison” in Mumbai; • * de eiser exclusief zal verblijven in “Barrack nr. 12” en enkel zal worden verplaatst om medische redenen of om rechtszittingen bij te wonen; • * de eiser ter beschikking zal staan van de “Judicial Courts” in India en niet van de “investigating agency”; • * plannen en schetsen van “Barrack nr. 12” zijn gevoegd; “Barrack nr. 12” heeft een oppervlakte van ongeveer 46 vierkante meter en bevat twee cellen met eigen sanitair; - tot slot stelt de eiser in conclusie dat België hem niet kan uitleveren zonder internationaal aansprakelijk te worden gesteld (nr. 3.11); - de beschouwingen die de eiser hieromtrent nog maakt, missen elke relevantie en doen in geen enkel opzicht afbreuk aan hetgeen voorafgaat (nr. 3.11).
- Met deze redenen geeft het arrest van eisers verweer over de detentieomstandigheden in India een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen van zijn appel-syntheseconclusie. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Met deze redenen, die samen moeten worden gelezen, beantwoordt en verwerpt het arrest voor het overige het in het middel vermelde verweer van de eiser, zonder dat het moest antwoorden op elk argument dat tot staving van dit verweer wordt aangevoerd, zonder een afzonderlijk verweer te vormen en verantwoordt het ook de beslissing dat er geen sprake is van de weigeringsgrond van artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874, naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div