id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.24 Rolnummer: P.25.1371.N Zaak: T. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2025-12-11 Raadplegingen: 427 - laatst gezien 2026-06-18 17:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251209.2N.24 Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 2, 19° en 38, § 2 Jeugddelinquentiedecreet volgt dat de beoordeling van de jeugdrechtbank dat zij geen van de sancties vermeld in artikel 29, § 2, Jeugddelinquentiedecreet geschikt acht, noch de beslissing tot uithandengeving, het vermoeden van onschuld van de uithandengegevene miskennen en de schuldbeoordeling van de uithandengegevene aan de hem ten laste gelegde feiten uitsluitend toebehoort aan de bevoegde rechtbank waarvoor hij wordt vervolgd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 2, 19° Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 29, § 2 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38, § 2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 2, 19° Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 29, § 2 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38, § 2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt; niet is vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt; het enkele feit dat het openbaar ministerie in zijn grievenformulier de niet-uithandengeving als grief aanwijst, zonder daarbij reeds de redenen te vermelden waarom het de hervorming van die beslissing vraagt, maakt de grief niet onnauwkeurig
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 5 - 6 Indien in de verklaring van hoger beroep wordt aangegeven dat het hoger beroep is beperkt tot de in het grievenformulier vermelde grieven, is de saisine van het appelgerecht beperkt tot de in het grievenformulier vermelde beslissingsonderdelen, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidelijk zijn verbonden; daaruit volgt dat het openbaar ministerie dat in zijn grievenformulier de niet-uithandengeving als grief aanwijst, niet noodzakelijk tevens de met dat beslissingsonderdeel onafscheidelijk verbonden beslissing van de jeugdrechter over het verdere verloop van de voorlopige fase, als grief moet aanduiden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 7 - 8 De uithandengegevene kan in de regel pas worden gedagvaard voor de gewone strafrechter, zoals bedoeld in artikel 38 Jeugddelinquentiedecreet, als het vonnis tot uithandengeving definitief is, en dus niet meer vatbaar is voor verzet in de gewone termijn of hoger beroep; de jeugdrechtbank kan echter op grond van artikel 58, laatste lid, Jeugdbeschermingswet, de voorlopige tenuitvoerlegging van haar beslissingen bevelen, behalve wat de kosten betreft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 58, laatste lid - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 58, laatste lid - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1371.N M. T., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Kristof Lauwens, advocaat bij de balie Brussel. mede inzake
- C. T., burgerrechtelijk aansprakelijke partij,
- A. O., burgerrechtelijk aansprakelijke partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, jeugdkamer, van 18 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 1 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 9 december 2025 heeft raadsheer Jos Decoker verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 40.2 Kinderrechtenverdrag, artikel 149 Grondwet, artikel 57bis Jeugdbeschermingswet en artikel 38 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (hierna Jeugddelinquentiedecreet), alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest oordeelt, zonder de voorwaardelijke wijs te hanteren, dat een sanctie niet meer geschikt “is” voor de eiser en “niet zal volstaan” om recidive te vermijden, terwijl ook nergens wordt gesproken over “maatregelen van bewaring, behoeding of opvoeding”; hierdoor wordt eisers vermoeden van onschuld miskend.
- Artikel 57bis, § 1, eerste lid, Jeugdbeschermingswet, in de versie die bepaalde dat, de persoon die op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank was gebracht, uit handen kon worden gegeven indien de jeugdrechtbank “een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding” niet geschikt achtte, werd opgeheven met ingang van 1 september 2019 door artikel 69, 1°, Jeugddelinquentiedecreet. In zoverre het middel schending aanvoert van deze opgeheven versie van artikel 57bis, § 1, eerste lid, Jeugdbeschermingswet, faalt het naar recht.
- Artikel 2, 19°, Jeugddelinquentiedecreet definieert een “sanctie” als “het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de rechtspleging ten gronde, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod, de uithandengeving en het toevertrouwen van een minderjarige aan een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst als vermeld in artikel 39” van dit decreet. Volgens artikel 38, § 2, Jeugddelinquentiedecreet, zoals hier van toepassing, kan de jeugdrechtbank de zaak, als de minderjarige verdachte op het tijdstip van het plegen van het jeugddelict zestien jaar of ouder was, bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven als zij een van de sancties, vermeld in artikel 29, § 2, van dat decreet, niet geschikt acht en de zaak naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor de bevoegde rechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast.
- Uit die bepalingen volgt dat de beoordeling van de jeugdrechtbank dat zij geen van de sancties vermeld in artikel 29, § 2, Jeugddelinquentiedecreet geschikt acht, noch de beslissing tot uithandengeving, het vermoeden van onschuld van de uithandengegevene miskennen en de schuldbeoordeling van de uithandengegevene aan de hem ten laste gelegde feiten uitsluitend toebehoort aan de bevoegde rechtbank waarvoor hij wordt vervolgd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de bewijskracht van een akte en het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: door het oordeel dat er geen realistische hoop bestaat dat een langdurige gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling adequaat kan zijn om aan de vermelde zorgen tegemoet te komen en dat hetzelfde geldt voor een geslaagde abstinentiebehandeling aangaande alcohol, rekening houdend met het zwakbegaafde intelligentieniveau van de eiser, het gegeven dat deze verslaving al jarenlang aanwezig is en zeer ernstig was, miskennen de appelrechters de bewijskracht van het psychiatrische verslag van dr. T. waarin op pagina 19 wordt gesteld “(…) Is de kans op een geslaagde abstinentie behandeling eerder gering. (…)”, waarbij een eerdere geringe kans geenszins een onmogelijkheid impliceert.
- Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre het middel een motiveringsgebrek aanvoert, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Met de redenen die worden vermeld in het middel verwijst het arrest niet naar het psychiatrische verslag van dr. T. Het kan van dit verslag bijgevolg niet de bewijskracht miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de bewijskracht van een akte en het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ten onrechte niet vervallen; het openbaar ministerie kruiste op het grievenformulier immers alleen het vakje “B.
- de genomen beslissing in het vonnis dd. 23 juni 2025, waarbij niet werd overgegaan tot de uithandengeving van [de eiser]” aan, zonder enige uitleg of specificering; dit is geen geldige grief; bovendien tekende het openbaar ministerie uitdrukkelijk geen hoger beroep aan tegen de beslissing dat de gesloten begeleiding zou worden voortgezet tot 19 september 2025 en evenmin tegen de beslissing dat de jeugdrechter in de voorlopige fase verder zal handelen tot aan de dagvaarding ten gronde; het kan niet zijn dat men eensdeels stelt niet akkoord te gaan met de beslissing tot niet-uithandengeving, maar anderdeels wel akkoord zou zijn met het feit dat de jeugdrechter verder zou handelen in de voorlopige fase.
- Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet is vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt.
- Het enkele feit dat het openbaar ministerie in zijn grievenformulier de niet-uithandengeving als grief aanwijst, zonder daarbij reeds de redenen te vermelden waarom het de hervorming van die beslissing vraagt, maakt de grief niet onnauwkeurig.
- Indien in de verklaring van hoger beroep wordt aangegeven dat het hoger beroep is beperkt tot de in het grievenformulier vermelde grieven, is de saisine van het appelgerecht beperkt tot de in het grievenformulier vermelde beslissingsonderdelen, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidelijk zijn verbonden. Daaruit volgt dat het openbaar ministerie dat in zijn grievenformulier de niet-uithandengeving als grief aanwijst, niet noodzakelijk tevens de met dat beslissingsonderdeel onafscheidelijk verbonden beslissing van de jeugdrechter over het verdere verloop van de voorlopige fase, als grief moet aanduiden.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 57bis, § 5, Jeugdbeschermingswet: het arrest wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard; de eiser stelt zich echter de vraag of dit rechtsgeldig is, gelet op artikel 57bis, § 5, Jeugdbeschermingswet dat dit uitdrukkelijk uitsluit, althans voor wat betreft feiten gepleegd na de uithandengeving. Er wordt gevraagd om minstens volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 57bis § 5 van de Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade van 8 april 1965 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het iedere persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderwerpt aan de rechtsmacht van de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving, doch niet voor feiten die gepleegd zijn voor de dag van de dagvaarding tot uithandengeving?”
- De uithandengegevene kan in de regel pas worden gedagvaard voor de gewone strafrechter, zoals bedoeld in artikel 38 Jeugddelinquentiedecreet, als het vonnis tot uithandengeving definitief is, en dus niet meer vatbaar is voor verzet in de gewone termijn of hoger beroep. De jeugdrechtbank kan echter op grond van artikel 58, laatste lid, Jeugdbeschermingswet, de voorlopige tenuitvoerlegging van haar beslissingen bevelen, behalve wat de kosten betreft. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- De prejudiciële vraag, die uitgaat van deze onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251209.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div