← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.38 Rolnummer: P.25.1213.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-12-11 Raadplegingen: 359 - laatst gezien 2026-06-15 09:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De valsheidsbetichting is slechts ontvankelijk indien ze wordt gestaafd door enig gegeven dat ze geloofwaardig kan maken; loutere eigen beweringen van een partij vormen niet een dergelijk geloofwaardig gegeven. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 48 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1213.N C. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Vermeiren, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 31 juli

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2 en 6.3 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 204 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het louter vermelden op het grievenformulier van een betwisting tegen eisers vrijspraak, zonder de redenen te vermelden waarom de vrijspraak wordt bestreden, is geen nauwkeurig omschreven grief; het was voor de eiser niet duidelijk waarom het openbaar ministerie hoger beroep aantekende en hij kon zich daardoor niet behoorlijk verdedigen aangezien pas op de rechtszitting door het openbaar ministerie allerhande middelen werden aangehaald.
  3. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 Grondwet, zonder te preciseren hoe en waardoor het bestreden vonnis deze artikelen schendt, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  4. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet is vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt.
  5. Het enkele feit dat het openbaar ministerie in zijn grievenformulier de vrijspraak van de beklaagde als grief aanwijst, zonder daarbij reeds de redenen te vermelden waarom het de hervorming van die vrijspraak vraagt, miskent het recht van verdediging van de beklaagde niet.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Met de in randnummer 1.2 van het bestreden vonnis vermelde redenen is de beslissing van de appelrechters dat de door het openbaar ministerie aangevoerde grief voldoende nauwkeurig is omschreven naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2 en 6.3 EVRM, de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 14 en 149 Grondwet, artikel 187 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 30, § 1, 4°, 42, 43 en 48 Wegverkeerswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces en het legaliteitsbeginsel: aangezien het verval van het recht tot sturen op grond van artikel 42 Wegverkeerswet bij verstek werd uitgesproken, terwijl de eiser geen kennis had van de dagvaarding en door hem geen afstand werd gedaan van het recht om te verschijnen of om zichzelf te verdedigen, kon deze veroordeling niet dienen als grond voor het bewezenverklaren van de telastleggingen A en B; dat de wetgever met artikel 43 Wegverkeerswet een uitsluiting van de schorsende werking van het aanwenden van een rechtsmiddel voor ogen had, sluit immers niet uit dat een ontvankelijk verzet retroactief werkt; er anders over oordelen zou een voorwaarde toevoegen aan artikel 43 Wegverkeerswet waardoor het legaliteitsbeginsel wordt miskend; het Grondwettelijk Hof heeft bovendien in zijn arrest nr. 172/2021 van 25 november 2021 geoordeeld dat een bij verstek opgelegd verval van het recht tot sturen, dat nadien door een ontvankelijk verzet wordt vernietigd, niet in een afzonderlijk strafproces kan dienen als grondslag voor een veroordeling wegens rijden spijts verval.
  9. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 Grondwet, zonder te preciseren hoe en waardoor het bestreden vonnis deze artikelen schendt, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  10. Artikel 43 Wegverkeerswet bepaalt: “Het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van de bestuurder gaat in bij de uitspraak van de beslissing wanneer deze op tegenspraak is gewezen en bij de betekening wanneer zij bij verstek is gewezen, niettegenstaande voorziening.”
  11. Het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de beslissing waarbij de beveiligingsmaatregel van de vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid is uitgesproken, belet niet dat dit verval op de in artikel 43 Wegverkeerswet vermelde datum effectief wordt en verder loopt. Zolang de beslissing tot vervallenverklaring niet wordt hervormd, blijft ze gelden.
  12. De wetgever beoogt met deze uitsluiting van de schorsende werking van het aanwenden van een rechtsmiddel op de uitvoerbaarheid van de bevolen beveiligingsmaatregel de verkeersveiligheid te vergroten.
  13. Indien een beslissing waarbij de beveiligingsmaatregel van de vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig komt te vervallen of wordt vernietigd, heeft deze vervallenverklaring of vernietiging voor de uitvoerbaarheid van deze beveiligingsmaatregel slechts uitwerking vanaf de datum van de beslissing tot vervallenverklaring of vernietiging en werkt zij dus niet retroactief. Dit volgt uit de in artikel 43 Wegverkeerswet vervatte regeling en de doelstelling ervan, zonder dat daarmee het legaliteitsbeginsel wordt miskend.
  14. Anders dan een bij een verstekbeslissing opgelegd verval van het recht tot sturen op grond van artikel 38 Wegverkeerswet, waarover het in het middel vermelde arrest nr. 172/2021 van het Grondwettelijk Hof van 25 november 2021 handelt, houdt de uitvoerbaarheid van een bij een verstekbeslissing bevolen beveiligingsmaatregel van de vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid bij toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet dan ook slechts op vanaf de datum van de beslissing waarbij het verzet tegen die verstekbeslissing ontvankelijk wordt verklaard.
  15. Die ontvankelijkverklaring heeft dus niet tot gevolg dat hij die, nadat tegen hem een verval van het recht tot sturen werd uitgesproken bij toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet, zich niet schuldig kan maken aan vóór die ontvankelijkverklaring gepleegde inbreuken op artikel 30, § 1, 4° en artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Met de in het randnummer 3.1 van het bestreden vonnis vermelde redenen is eisers schuldigverklaring aan de telastleggingen A en B naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde en vierde middel
  18. Het derde middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2 en 6.3 EVRM, de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 14 en 149 Grondwet en de artikelen 42, 43 en 48 Wegverkeerswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces en het legaliteitsbeginsel: de eiser werd in het oorspronkelijke verstekvonnis van 25 mei 2023 ten onrechte veroordeeld tot een verval van het recht tot sturen op grond van artikel 42 Wegverkeerswet wegens een eenvoudige snelheidsovertreding, aangezien er geen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid werd aangetoond en de eiser niet aanwezig was op de rechtszitting; deze veroordeling op grond van artikel 42 Wegverkeerswet werd als straf opgelegd en niet als beveiligingsmaatregel; het verstekvonnis werd teniet gedaan en enige vermelding betreffende de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet werd simpelweg weggelaten; dit verweer in conclusie werd door de appelrechters ook niet beantwoord; het bestreden vonnis motiveert bovendien niet waarom de eiser in concreto een inbreuk pleegde op artikel 48 Wegverkeerswet. Het vierde middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2 en 6.3 EVRM, de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 14 en 149 Grondwet en artikel 30, § 1, 4°, Wegverkeerswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces en het legaliteitsbeginsel: de eiser werd in het oorspronkelijke verstekvonnis van 25 mei 2023 ten onrechte veroordeeld tot een verval van het recht tot sturen op grond van artikel 42 Wegverkeerswet wegens een eenvoudige snelheidsovertreding, aangezien er geen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid werd aangetoond en de eiser niet aanwezig was op de rechtszitting; deze veroordeling op grond van artikel 42 Wegverkeerswet werd als straf opgelegd en niet als beveiligingsmaatregel; het verstekvonnis werd teniet gedaan en enige vermelding betreffende de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet werd simpelweg weggelaten; dit verweer in conclusie werd door de appelrechters ook niet beantwoord; het bestreden vonnis motiveert bovendien niet waarom de eiser in concreto een inbreuk pleegde op artikel 30, § 1, 4°, Wegverkeerswet.
  19. In zoverre de middelen schending aanvoeren van de artikelen 10 en 11 Grondwet, zonder te preciseren hoe en waardoor het bestreden vonnis deze artikelen schendt, zijn ze onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  20. In zoverre de middelen niet zijn gericht tegen het bestreden vonnis maar tegen het verstekvonnis van 25 mei 2023, zijn ze evenmin ontvankelijk.
  21. De rechter die moet oordelen over de gegrondheid van een vervolging wegens overtreding van de artikelen 30, § 1, 4°, en 48 eerste lid, 1°, Wegverkeerswet, die is gebaseerd op een vonnis dat tegen de beklaagde een vervallenverklaring van het recht tot sturen had uitgesproken wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, heeft de wettigheid van dit vonnis niet te beoordelen. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  22. De appelrechters dienen dan ook niet te antwoorden op het doelloos verweer van de eiser betreffende de wettigheid van het aan de eiser opgelegde verval bij vonnis van 25 mei
  23. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.
  24. Voor het overige zijn de middelen volledig afgeleid uit de met het tweede middel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en zijn ze niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.38 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.