id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.42 Rolnummer: P.25.1517.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-12-11 Raadplegingen: 298 - laatst gezien 2026-06-18 08:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van de tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden, waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden, een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren:
- a)op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes;
- b)of op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd
(1).
(1)Cass. 18 november 2025, AR P.25.1422.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.32; Cass. 14 oktober 2025, AR P.25.1279.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251014.2N.13; zie ook Parl. St. Kamer, DOC 56 0972/001, p.
- Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 De strafuitvoeringsrechter oordeelt onaantastbaar of de tegenaanwijzing voorhanden is van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden zoals omschreven in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering; hij kan bij die beoordeling voorgaande strafrechtelijke veroordelingen betrekken, zelfs als die niet recent zijn, alsook het gegeven dat er onduidelijkheid bestaat over de plaats waar de veroordeelde zal verblijven. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 5 - 6 De strafuitvoeringsrechter omkleedt de weigering om bij toepassing van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toe te kennen regelmatig met redenen met de vaststelling dat er onduidelijkheid bestaat over de plaats waar de veroordeelde zal verblijven of met de vaststelling dat de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden voorhanden is en door te vermelden op welke feitelijke gegevens hij die vaststellingen steunt; die feitelijke gegevens moeten gelet op de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering opgenomen omschrijving van de tegenaanwijzing zijn ontleend ofwel aan actuele gedragingen van de veroordeelde ofwel aan de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering; er geldt voor de strafuitvoeringsrechter geen verdergaande motiveringsverplichting; zo moet de strafuitvoeringsrechter in zijn beslissing niet uitdrukkelijk aangeven dat het opleggen van bijzondere voorwaarden de tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden niet kan wegnemen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1517.N D. D’H., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Philippe De Munck, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 4 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28 Wet Strafuitvoering: het vonnis zet niet concreet uiteen op welke wijze het strafrechtelijk verleden van de eiser een manifest risico vormt voor de fysieke integriteit van derden en het motiveert niet afdoende waarom aan dit risico niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; de op het strafregister vermelde veroordelingen zijn oud en hebben geen verband met de misdrijven waarvoor de eiser thans een straf uitvoert; een risico moet concreet, individueel en actueel worden gemotiveerd; het vonnis bevat geen tijdsaanduiding betreffende de ernst en de relevantie van de feiten, geen analyse van de gedragsopvolging, geen afweging tussen oude feiten en de actuele strafuitvoeringscontext; er wordt aangenomen dat het verleden automatisch een actueel gevaar impliceert voor de fysieke integriteit van derden, zonder enige actuele risico-analyse; het gunstig advies van de directeur wordt als contrasterend element niet weerlegd.
- Uit artikel 109/1 van de wet van 18 juli 2025 houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en tot invoering van de principiële onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft volgt dat op de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt artikel 28 Wet Strafuitvoering in beginsel niet van toepassing is.
- Artikel 98/13, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toekent onder meer op voorwaarde dat de veroordeelde beschikt over een verblijfplaats en er bij de veroordeelde geen direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
- Artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering.
- Artikel 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de directeur een dossier samenstelt dat voor de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht naast een afschrift van de opsluitingsfiche en informatie over de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht het advies van de directeur bevat, met de elementen die de directeur relevant acht voor de beoordeling van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden alsook een voorstel tot toekenning of afwijzing en in voorkomend geval de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op recidive te beperken of die noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.
- Artikel 98/16, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank aan het dossier een geactualiseerd afschrift van het strafregister, een afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling en in voorkomend geval van de slachtofferfiches toevoegt.
- Uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van deze tegenaanwijzing een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren: - op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes; - of, op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd.
- De strafuitvoeringsrechter oordeelt onaantastbaar of de tegenaanwijzing voorhanden is van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden zoals omschreven in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering. Hij kan bij die beoordeling voorgaande strafrechtelijke veroordelingen betrekken, zelfs als die niet recent zijn, alsook het gegeven dat er onduidelijkheid bestaat over de plaats waar de veroordeelde zal verblijven.
- De strafuitvoeringsrechter omkleedt de weigering om bij toepassing van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toe te kennen regelmatig met redenen met de vaststelling dat er onduidelijkheid bestaat over de plaats waar de veroordeelde zal verblijven of met de vaststelling dat de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden voorhanden is en door te vermelden op welke feitelijke gegevens hij die vaststellingen steunt.
- Die feitelijke gegevens moeten gelet op de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering opgenomen omschrijving van de tegenaanwijzing zijn ontleend aan ofwel actuele gedragingen van de veroordeelde ofwel aan de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering.
- Er geldt voor de strafuitvoeringsrechter geen verdergaande motiveringsverplichting.
- Zo moet de strafuitvoeringsrechter in zijn beslissing niet uitdrukkelijk aangeven dat het opleggen van bijzondere voorwaarden de tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden niet kan wegnemen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het vonnis grondt het oordeel over het voorhanden zijn van de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden op het zwaarwichtig gerechtelijk verleden van de eiser, wiens strafregister elf correctionele veroordelingen vermeldt wegens onder meer bedreigingen, gewapende weerspannigheid, familieverlating, verdovende middelen, meermaals partnergeweld en het houden van een huis van ontucht of prostitutie. Daaruit volgt dat de strafuitvoeringsrechter wel degelijk oordeelt dat uit het strafrechtelijk verleden van de eiser een actueel gevaarsrisico blijkt. Het grondt de afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit ook op de vaststelling dat de eiser volgens het advies van de directeur weliswaar beschikt over een woonst maar dat daarvan geen enkel stuk voorligt. Bijgevolg is de beslissing tot weigering van de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 28 en 34 Wet Strafuitvoering: de vereiste van een verblijfplaats is wettelijk verankerd, maar het ontbreken van een bewijsstuk kan niet worden gebruikt als een verkapt weigeringsmotief; uit het rijksregister blijkt dat de eiser jarenlang over dezelfde vaste verblijfplaats beschikt; uit de KBO blijkt dat de eiser een actief zelfstandige beroepsactiviteit als natuurlijk persoon heeft, wat wordt bevestigd door het positief advies van de gevangenisdirecteur; hoewel gemakkelijk te verifiëren, heeft de strafuitvoeringsrechter geen enkele verificatie uitgevoerd; de rechter had de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 34 Wet Strafuitvoering de nodige inlichtingen en stukken te vragen.
- In zoverre het middel eenzelfde strekking heeft als het eerste middel moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel en machtsoverschrijding: het met het arrest van het hof van beroep van 11 januari 2024 opgelegde bestuurdersverbod belet niet dat de eiser een inkomen verwerft uit een eenmanszaak; het vonnis wendt het bestuurdersverbod aan als een niet wettelijk bepaalde weigeringsgrond.
- Het middel dat is gericht tegen het oordeel dat “er bovendien moet op worden gewezen dat het vonnis [van 11 januari 2024] (…) een duidelijk verbod legt op professioneel vlak”, bekritiseert een overtollige reden. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.42 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251014.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.32 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.10 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div