id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 57 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 57 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 57 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 57 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 57 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1601.N O. T., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 57, § 1, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek: met het oordeel dat de procedure voor de raad voor vreemdelingenbetwistingen met het oog op de intrekking van eisers verblijfsrecht losstaat van de procedure inzake de voorlopige hechtenis, verantwoordt het arrest niet naar recht dat een miskenning van het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek niet aannemelijk wordt gemaakt; door het overmaken van de schriftelijke vordering van het federaal parket aan de Dienst Vreemdelingenzaken, worden immers de feiten waarvan de eiser wordt verdacht en die door hem worden ontkend, meegedeeld aan een instantie die geen partij is in het gerechtelijk onderzoek.
- In zoverre het middel kritiek uit op het overmaken van de schriftelijke vordering van het federaal parket aan de Dienst Vreemdelingenzaken, is het niet gericht tegen het arrest en is het niet ontvankelijk.
- De enkele omstandigheid dat de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie in een procedure van voorlopige hechtenis wordt meegedeeld aan de Dienst Vreemdelingenzaken, houdt geen miskenning in van het geheim van het gerechtelijk onderzoek dat als zodanig de onontvankelijkheid van de strafvordering, de onregelmatigheid van de bewijsgaring of de onrechtmatigheid van de voorlopige hechtenis tot gevolg heeft. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van het motiveringsbeginsel: het oordeel dat de gronden tot handhaving van de voorlopige hechtenis niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van detentievervangende maatregelen en dat het gevaar voor recidive niet kan worden ondervangen door uitvoering van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, is niet regelmatig met redenen omkleed; met die redenen antwoordt de kamer van inbeschuldigingstelling niet op eisers appelconclusie waarin hij in ondergeschikte orde verzocht om onder voorwaarden in vrijheid te worden gesteld en in uiterst ondergeschikte orde om de handhaving van de hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht te bevelen.
- Na te hebben gewezen op het “grootschalig en internationale karakter en de complexiteit van het onderzoek naar in het buitenland gepleegde terroristische misdrijven en de, indien bewezen, impact hiervan op de openbare veiligheid” (arrest, p. 3, nr. 3.3), oordeelt de kamer van inbeschuldigingstelling (arrest, p. 4, nrs. 3.5, 3.7 en 3.8) dat: - “(h)et gevaar voor de openbare veiligheid, dat gelet op de huidige kwalificatie van de ten laste gelegde feiten volstaat om de voorlopige hechtenis te handhaven, (…) actueel (blijft) gelet op de aard van de ten laste gelegde feiten binnen een internationale context en de, indien bewezen, kennelijk grote gewelddadigheid waarmee zij gepaard gingen; - (d)e gronden tot handhaving van de voorlopige hechtenis (…) niet (kunnen worden) geneutraliseerd (…) door het opleggen van detentievervangende maatregelen; - (h)et gevaar voor recidive (…) niet (kan) worden ondervangen door uitvoering van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht”. Met die redenen verwerpt de kamer van inbeschuldigingstelling het in eisers appelconclusie geformuleerde verzoek tot een invrijheidstelling onder voorwaarden of een handhaving van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht en omkleedt het die beslissing regelmatig met redenen. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: het oordeel dat de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis niet is overschreden, is niet naar recht verantwoord; de duurtijd van de voorlopige hechtenis van de eiser is niet redelijk meer, aangezien de eiser reeds werd aangehouden op 3 mei 2023 en zich thans ongeveer eenendertig maanden in voorlopige hechtenis bevindt; het DNA- en vingersporenonderzoek blijft aanslepen en de resultaten ervan laten op zich wachten; het gerechtelijk onderzoek kent helemaal geen normaal verloop; het arrest erkent ook impliciet dat de voorlopige hechtenis een lange duur kent ingevolge “tijdrovende” onderzoeksdaden in het buitenland; de eiser is ook van oordeel dat hijzelf alle medewerking heeft verleend.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de kamer van inbeschuldigingstelling heeft aangevoerd dat het blijvend aanslepen van het DNA- en vingersporenonderzoek een gegeven is dat in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de redelijkheid van de duur van de voorlopige hechtenis. In zoverre is het middel nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het staat aan het onderzoeksgerecht te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde en de houding van de met opsporing belaste instanties, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend.
- Of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Die beoordeling mag niet abstract of algemeen gebeuren, maar moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak.
- Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de voorlopige hechtenis kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, alsook het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking, zonder dat hij noodzakelijk al deze criteria bij zijn beoordeling moet betrekken.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 3, nr. 3.3) oordeelt met betrekking tot de redelijkheid van de duur van de voorlopige hechtenis als volgt: - het onderzoek lijkt tot op heden een normaal verloop te kennen waarbij de diverse onderzoekshandelingen zich zonder onaanvaardbare onderbreking regelmatig lijken op te volgen. Inmiddels werden onder andere de contextualisatie van de situatie in Irak in de periode 2000-2015 door de islamoloog van DJSOC en het moraliteitsonderzoek afgerond; - het grootschalig en internationale karakter en de complexiteit van het onderzoek naar in het buitenland gepleegde terroristische misdrijven en de, indien bewezen, impact hiervan op de openbare veiligheid maken dat de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis op heden nog niet is overschreden. Een dergelijk onderzoek vergt veelvuldige en vaak tijdrovende onderzoeksdaden in het buitenland. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis niet is overschreden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.43 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div