← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.8 Rolnummer: P.25.1577.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-12-11 Raadplegingen: 304 - laatst gezien 2026-06-15 10:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 57, eerste lid, Wet Strafuitvoering legt de strafuitvoeringsrechtbank die een strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, de verplichting op de datum te bepalen waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen; dit is een discretionaire bevoegdheid

(1); de strafuitvoeringsrechtbank moet de afwijzing van een vraag om onmiddellijk een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit te mogen indienen niet nader met redenen omkleden; de strafuitvoeringsrechtbank die een datum bepaalt waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen, beantwoordt en verwerpt aldus de vraag van de veroordeelde om onmiddellijk een nieuw verzoek te mogen indienen.
(1)Cass. 28 juni 2022, AR P.22.0828.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 57, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 57, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1577.N E. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Joke Feytons, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 17 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Artikel 96, eerste lid, Wet Strafuitvoering somt op beperkende wijze de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank op waartegen cassatieberoep door de veroordeelde kan worden ingesteld. Beslissingen over een verzoek om uitgaansvergunningen op grond van artikel 59 Wet Strafuitvoering, worden daarbij niet vermeld. In zoverre ook gericht tegen de impliciete weigeringsbeslissing om uitgaansvergunningen toe te kennen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de motiveringsplicht en het recht van verdediging: het vonnis laat na te antwoorden op eisers vragen om uitgaansvergunningen te verlenen bij toepassing van artikel 59 Wet Strafuitvoering en om bij afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteiten onmiddellijk een nieuw verzoek te mogen indienen.
  5. In zoverre het middel betrekking heeft op een beslissing waartegen eisers cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft het geen antwoord.
  6. Artikel 57, eerste lid, Wet Strafuitvoering legt de strafuitvoeringsrechtbank die een strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, de verplichting op de datum te bepalen waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen. Dit is een discretionaire bevoegdheid. De strafuitvoeringsrechtbank moet de afwijzing van een vraag om onmiddellijk een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit te mogen indienen niet nader met redenen omkleden.
  7. De strafuitvoeringsrechtbank die een datum bepaalt waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen, beantwoordt en verwerpt aldus de vraag van de veroordeelde om onmiddellijk een nieuw verzoek te mogen indienen.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Door de datum te bepalen waarop de eiser opnieuw een verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteiten van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht kan indienen, beantwoordt en verwerpt de strafuitvoeringsrechtbank eisers vraag om dit onmiddellijk te mogen doen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.