← België

V. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251211.1N.4 Rolnummer: F.22.0063.N Zaak: V. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 540 - laatst gezien 2026-06-15 09:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 5 Uit de samenhang en de systematiek van de artikelen 49, eerste lid, en 51 WIB92 volgt, enerzijds, dat een werknemer voor de vaststelling van het nettobedrag van zijn bezoldigingen de keuze heeft tussen twee stelsels, namelijk ofwel dat van het bewijs van de werkelijk gedane of gedragen beroepskosten, ofwel, bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, dat van de forfaitaire aftrek, en dat hij de beide stelsels niet mag samenvoegen, zelfs wanneer genoemde bezoldigingen voortkomen uit verschillende activiteiten, terwijl, anderzijds, de belastingplichtige die als werknemer en als vrij beroeper actief is, zowel voor wat betreft de vaststelling van het nettobedrag van zijn bezoldigingen als voor de vaststelling van het nettobedrag van zijn baten, de keuze heeft tussen twee stelsels, dat van het bewijs van de werkelijk gedane of gedragen beroepskosten of, bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, dat van de forfaitaire aftrek, en dat hij beide stelsels mag samenvoegen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 49 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 51 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiches 6 - 8 Het Hof verwijst naar het arrest nr. 42/2025 van 13 maart 2025 van het Grondwettelijk Hof waarin werd geoordeeld dat in zoverre artikel 51 WIB92 de belastingplichtige die bezoldigingen uit verschillende beroepsactiviteiten ontvangt, niet toestaat het stelsel van de werkelijke beroepskosten te combineren met het stelsel van de forfaitaire beroepskosten, het de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet niet schendt

(1).
(1)Arrest na prejudiciële vraag van het Hof bij arrest dd. 25 januari 2024, F.22.0062.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.7, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.6, met concl. OM ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.
  1. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0063.N
  2. J. V.,
  3. G. V.D.W., eisers, met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8020 Oostkamp, Hertsbergsestraat 4, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de directeur van het P Centrum Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Koning Albert I-laan 1/5, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 12 oktober
  4. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 14 december 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Het Hof heeft bij arrest van 25 januari 2024 een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Bij arrest van 13 maart 2025 heeft het Grondwettelijk Hof deze vraag beantwoord. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan het arrest van 25 januari 2024 is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Krachtens artikel 49, eerste lid, WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
  6. Artikel 51 WIB92 staat voor bezoldigingen van werknemers toe dat de beroepskosten bij gebrek aan bewijzen forfaitair bepaald worden op per schijf vastgestelde percentages van het brutobedrag van die inkomsten, zij het dat dit forfait in geen geval meer mag bedragen dan 2.592,20 euro (basisbedrag aanslagjaar 2015) of 2.676,25 euro (basisbedrag aanslagjaar 2016) voor het geheel van de inkomsten die tot de categorie van bezoldigingen van werknemers behoren.
  7. Uit de samenhang en de systematiek van deze wetsbepalingen volgt dat een werknemer voor de vaststelling van het nettobedrag van zijn bezoldigingen de keuze heeft tussen twee stelsels, namelijk ofwel dat van het bewijs van de werkelijk gedane of gedragen beroepskosten, ofwel, bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, dat van de forfaitaire aftrek, en dat hij de beide stelsels niet mag samenvoegen, zelfs wanneer genoemde bezoldigingen uit verschillende activiteiten voortkomen.
  8. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser de combinatie wenst te maken van het wettelijk forfait voor de bezoldigingen als leerkracht en de werkelijke kosten voor de inkomsten uit het mandaat als schepen; - voor zover de beide inkomsten deel uitmaken van dezelfde categorie van bezoldigingen van werknemers, uit artikel 51 WIB92 volgt dat een combinatie van de toepassing van het forfait en van werkelijke inkomsten niet toegestaan is; - de eiser uit het feitelijk gegeven dat de administratie een administratieve tolerantie toepast door burgemeester en schepenen een bijkomend forfait van kosten toe te staan geen rechten kan putten om die tolerantie uit te breiden naar situaties die niet in de circulaire voorzien zijn en die niet door de wet worden toegestaan.
  9. Door aldus te oordelen, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 49 en 51 WIB92, kan het niet worden aangenomen.
  10. In zoverre het middel is gericht tegen de toepassing door de verweerder van de tolerantie opgenomen in de administratieve commentaren bij het WIB92 (Com.IB 51/39) en niet tegen het bestreden arrest, is het niet ontvankelijk.
  11. Een administratieve commentaar bij het WIB92 is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre het middel schending aanvoert van de door de administratie ontwikkelde tolerantie opgenomen in de administratieve commentaren bij het WIB92 (Com.IB 51/39), is het evenmin ontvankelijk.
  12. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 170 en 172 Grondwet, is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 49 en 51 WIB92 en van de door de administratie ontwikkelde tolerantie zoals opgenomen in de administratieve commentaren bij het WIB92 (Com.IB 51/39) en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  13. Het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet wordt miskend wanneer gelijke toestanden ongelijk worden behandeld of ongelijke toestanden gelijk worden behandeld. Er is bijgevolg geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel wanneer een belastingplichtige de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten als leerkracht mag combineren met een aftrek van een bijzonder forfait als schepen, terwijl hij de forfaitaire aftrek van zijn beroepskosten als leerkracht niet mag combineren met de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten als schepen. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
  14. Krachtens artikel 49, eerste lid, WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Artikel 51 WIB92 staat voor bezoldigingen van werknemers toe dat de beroepskosten bij gebrek aan bewijzen forfaitair bepaald worden op per schijf vastgestelde percentages van het brutobedrag van die inkomsten, zij het dat dit forfait in geen geval meer mag bedragen dan 2.592,20 euro (basisbedrag aanslagjaar 2015) of 2.676,25 euro (basisbedrag aanslagjaar 2016) voor het geheel van de inkomsten die tot de categorie van bezoldigingen van werknemers behoren. Artikel 51 WIB92 laat voor baten eveneens toe dat de beroepskosten bij gebrek aan bewijzen forfaitair bepaald worden op per schijf vastgestelde percentages van het brutobedrag van die inkomsten en hanteert eenzelfde grensbedrag als datgene voor de bezoldigingen van werknemers.
  15. Uit de samenhang en de systematiek van deze wetsbepalingen volgt, enerzijds, dat een werknemer voor de vaststelling van het nettobedrag van zijn bezoldigingen de keuze heeft tussen twee stelsels, namelijk ofwel dat van het bewijs van de werkelijk gedane of gedragen beroepskosten, ofwel, bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, dat van de forfaitaire aftrek, en dat hij de beide stelsels niet mag samenvoegen, zelfs wanneer genoemde bezoldigingen voortkomen uit verschillende activiteiten, terwijl, anderzijds, de belastingplichtige die als werknemer en als vrij beroeper actief is, zowel voor wat betreft de vaststelling van het nettobedrag van zijn bezoldigingen als voor de vaststelling van het nettobedrag van zijn baten, de keuze heeft tussen twee stelsels, dat van het bewijs van de werkelijk gedane of gedragen beroepskosten of, bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, dat van de forfaitaire aftrek, en dat hij beide stelsels mag samenvoegen.
  16. Bij arrest van 25 januari 2024 heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 51 WIB92 het door de gecoördineerde Grondwet in de artikelen 10, 11 en 172 gewaarborgde gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, in zoverre de belastingplichtige die bezoldigingen van werknemers uit verschillende activiteiten ontvangt voor alle ontvangen bezoldigingen hetzij voor de aftrek van werkelijke beroepskosten hetzij voor de aftrek van forfaitaire beroepskosten dient te kiezen, zonder over de mogelijkheid te beschikken om voor de bezoldigingen uit de ene activiteit te opteren voor de aftrek van forfaitaire beroepskosten en voor de bezoldigingen uit de andere activiteit voor de aftrek van werkelijke beroepskosten, terwijl de belastingplichtige die werknemersbezoldigingen en baten ontvangt, de aftrek van werkelijke beroepskosten verbonden aan de werknemersbezoldigingen mag combineren met de aftrek van forfaitaire beroepskosten verbonden aan baten en vice versa?”
  17. Bij arrest nr. 42/2025 van 13 maart 2025 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat in zoverre artikel 51 WIB92 de belastingplichtige die bezoldigingen uit verschillende beroepsactiviteiten ontvangt, niet toestaat het stelsel van de werkelijke beroepskosten te combineren met het stelsel van de forfaitaire beroepskosten, het de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet niet schendt. Het Grondwettelijk Hof kwam tot dit besluit op grond van de volgende redenen: - De toepassingsvoorwaarden van artikel 51 WIB 1992 worden bepaald per categorie van beroepsinkomsten. Dat stelsel van forfaitaire kosten is vereenvoudigd en gemakkelijk uitvoerbaar voor de werknemers, de beoefenaars van de vrije beroepen, de meewerkende echtgenoten en de bedrijfsleiders. Bij het toepassen van het kostenforfait dient de belastingplichtige geen bewijsstukken voor te leggen en dient de belastingadministratie niet over te gaan tot een controle van de beroepskosten. - Voorts wordt door het verbod op het combineren van de aftrek van de werkelijke beroepskosten en de aftrek van de forfaitaire beroepskosten het risico op dubbele aftrek van de beroepskosten beperkt, hetgeen zich kan voordoen wanneer bepaalde beroepskosten aftrekbaar zijn van de bezoldigingen die voortkomen uit verschillende beroepsactiviteiten. - Wanneer de wetgever een bijzondere fiscale regeling invoert, mag hij gebruikmaken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. Het gebruik van dat procedé is niet onredelijk op zich. De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat het risico op een dubbel gebruik van de beroepskosten meer kan voorkomen bij een werknemer die gelijktijdig bezoldigingen ontvangt voor verschillende beroepsactiviteiten, omdat alle ontvangen bezoldigingen voor die verschillende beroepsactiviteiten tot dezelfde categorie van beroepsinkomsten behoren en omdat het forfait van de beroepskosten in die situatie op het totaal van de verkregen bezoldigingen moet worden vastgesteld.
  18. In zoverre het middel aanvoert dat artikel 51 WIB92 de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet schendt doordat uit deze bepaling een niet redelijk te verantwoorden verschil in behandeling ontstaat tussen enerzijds de belastingplichtige die uit verschillende activiteiten bezoldigingen van werknemers ontvangt en anderzijds de belastingplichtige die uit verschillende activiteiten zowel bezoldigingen van werknemers als baten ontvangt, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 304,43 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 11 december 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251211.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.