id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 5 - 10 In strafzaken vindt het debat principieel mondeling plaats op de rechtszitting en is het neerleggen van conclusies facultatief; partijen die overeenkomstig artikel 152 Wetboek van Strafvordering en artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering te kennen hebben gegeven conclusies te zullen neerleggen, wat zij binnen de hen bij beschikking toegemeten tijdsbestekken, die noodzakelijkerwijze aan de rechtszitting voorafgaan, enkel ter griffie kunnen en moeten doen, en partijen die deze kennisgeving niet hebben gedaan, zodat zij hun eventuele conclusie enkel op de rechtszitting kunnen en moeten neerleggen, bevinden zich voor wat betreft de verplichtingen inzake de plaats en het tijdstip van het neerleggen van die conclusies klaarblijkelijk niet in vergelijkbare rechtstoestanden die de wet verschillend behandelt, zodat dienaangaande geen prejudiciële vraag wordt gesteld. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 11 - 13 Opdat de rechter op grond van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering het verval van de strafvordering kan uitspreken, moet hij vaststellen dat de overschrijding dermate zwaarwichtig is dat het verderzetten van de strafprocedure in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is; daarbij kan de rechter rekening houden met de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn en de concrete omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de in de zaak aan de orde zijnde belangen met inbegrip van de belangen van de burgerlijke partij
(1).
(1)Cass. 17 juni 2025, AR P.25.0464.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.31. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 14 - 18 Artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering sluit niet uit dat de rechter zijn oordeel dat het verval van de strafvordering geen passende sanctie voor de door hem vastgestelde ernstige overschrijding van de redelijke termijn uitmaakt, steunt op de overweging dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beklaagde niet ernstig en onherstelbaar werden aangetast
(1); evenmin sluit die bepaling uit dat de rechter rekening houdt met de ernst van het bewezenverklaarde misdrijf.
(1)Zie Cass. 5 november 2024, AR P.24.1013.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1056.N A. V., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 24 juni 2025, alsook tegen alle beslissingen genomen in deze zaak op de rechtszittingen van 13 mei 2025 en van 24 juni 2024, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 30 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de ter griffie ontvangen geschriften van de eiser
- De geschriften die de eiser op de griffie van het Hof heeft neergelegd en die niet zijn ondertekend door een advocaat die houder is van het in artikel 425, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde getuigschrift, zijn niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 152, 153, 189, 190, 209bis en 210 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van een recht niet wordt vermoed en enkel kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn: de appelrechters, die geen conclusietermijnen hebben bepaald, oordelen dat zij geen rekening houden met de ter griffie ontvangen geschriften van de eiser, die zij omschrijven als conclusies, vermits de neerlegging van die geschriften in strijd is met de verklaringen van de eiser en zijn advocaat op de inleidingszitting van 24 juni 2024 dat zij geen conclusietermijnen wensten te laten bepalen; de appelrechters stellen echter niet vast dat de conclusies misbruik van rechtspleging inhouden; evenmin ontnam de vermelde verklaring aan de eiser het recht om tot aan de sluiting van het debat een conclusie neer te leggen of kan die verklaring worden beschouwd als een afstand van dat recht; in zoverre op de inleidingszitting, respectievelijk op de rechtszitting van 13 mei 2025, waarop de zaak in beraad werd genomen, reeds werd beslist dat de eiser geen conclusie meer kon nemen, is deze beslissing om dezelfde redenen niet naar recht verantwoord. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met de reden dat de eiser en zijn advocaat op de inleidingszitting van 24 juni 2024 hebben verklaard dat de zaak in staat was en dat zij geen conclusie zouden opstellen, geven de appelrechters van het proces-verbaal van die rechtszitting een uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is; uit dat proces-verbaal blijkt dat de raadsman van de eiser heeft verklaard dat de zaak in staat is en dat hij “geen conclusietermijnen [wenst] te laten bepalen”; daarmee heeft de eiser niet verklaard geen conclusie te zullen opstellen; bijgevolg miskennen de appelrechters de bewijskracht van dit proces-verbaal. Verzocht wordt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 152, 153, 189, 190, 209bis en 210 van het Wetboek van Strafvordering, evenals artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang met artikel 6.1 EVRM, indien uit hun samenlezing zou moeten worden afgeleid dat een conclusie die door een beklaagde, die niet verzocht om conclusietermijnen te bepalen, op voorhand ter griffie werd neergelegd, uit het debat moet worden geweerd omwille van het loutere feit dat ze niet (nogmaals) ter zitting aan de rechter werd overlegd, zelfs als, zoals in dezen, de rechter, het openbaar ministerie en de eventueel betrokken partijen het geschrift identificeren als een “conclusie", de rechter, het openbaar ministerie en de eventueel betrokken partijen allen tijdig kennis hebben kunnen nemen van de conclusie, uit de gedingstukken niet blijkt dat de betrokken partij afstand heeft gedaan van de in deze conclusie aangevoerde middelen en niet wordt vastgesteld dat deze wijze van indienen van de conclusie een misbruik van rechtspleging zou uitmaken, daar waar het in de gevallen van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van strafvordering en artikel 152 Wetboek van Strafvordering wel volstaat dat de partijen hun conclusies enkel ter griffie neerleggen, zonder dat er enige redelijke verantwoording bestaat voor het weren van een conclusie die in de hoger genoemde omstandigheden werd ingediend ter griffie, omwille van het loutere feit dat de conclusie ter griffie werd neergelegd en niet nogmaals ter terechtzitting aan de rechter werd voorgelegd?”
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de appelrechters op de rechtszitting van 24 juni 2024 of op de rechtszitting van 13 mei 2025 een beslissing hebben genomen over de mogelijkheid van de eiser om nog een appelconclusie neer te leggen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Behoudens wanneer toepassing is gemaakt van artikel 152 Wetboek van Strafvordering of van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, moet in strafzaken een conclusie blijken uit een geschrift dat, ongeacht zijn benaming of vorm, tijdens het debat ter rechtszitting door een partij of zijn advocaat aan de rechter wordt overgelegd, waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter kennis ervan heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd.
- Buiten die uitzonderingen is een conclusie uitgaande van een partij of haar advocaat, die niet tijdens het debat aan de rechter is overgelegd maar aan de griffie is overgemaakt, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat die conclusie andermaal ter rechtszitting is neergelegd of dat de indiener de inhoud ervan heeft hernomen, geen conclusie waarop de rechter moet antwoorden. Het enkele feit dat de indiener geen afstand heeft gedaan van de in zijn conclusie vervatte middelen of dat de rechter niet vaststelt dat de neerlegging van de conclusie misbruik van rechtspleging uitmaakt, doen daaraan geen afbreuk.
- Die regel heeft een algemene draagwijdte en de toepassing ervan is niet afhankelijk van de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de omstandigheid dat de rechter en de partijen effectief kennis hebben kunnen nemen van de ter griffie neergelegde conclusie. Dit is geen overdreven formalisme dat in strijd is met enige verdrags- of wetsbepaling of met enig algemeen rechtsbeginsel. De toepassing van die regel is immers voorzienbaar en een partij kan haar conclusies neerleggen volgens de wettelijke bepalingen toepasselijk in strafzaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Hieruit volgt dat de redenen van het arrest die het middel bekritiseert de eiser niet kunnen grieven. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- In strafzaken vindt het debat principieel mondeling plaats op de rechtszitting en is het neerleggen van conclusies facultatief. Partijen die overeenkomstig artikel 152 Wetboek van Strafvordering en artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering te kennen hebben gegeven conclusies te zullen neerleggen, wat zij binnen de hen bij beschikking toegemeten tijdsbestekken, die noodzakelijkerwijze aan de rechtszitting voorafgaan, enkel ter griffie kunnen en moeten doen, en partijen die deze kennisgeving niet hebben gedaan, zodat zij hun eventuele conclusie enkel op de rechtszitting kunnen en moeten neerleggen, bevinden zich voor wat betreft de verplichtingen inzake de plaats en het tijdstip van het neerleggen van die conclusies klaarblijkelijk niet in vergelijkbare rechtstoestanden die de wet verschillend behandelt. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt vast dat de redelijke termijn duidelijk dan wel ernstig is overschreden en dat er een onredelijk lange tijd is verstreken tussen het instellen van de hogere beroepen en de uitspraak; het weigert echter het verval van de strafvordering uit te spreken omdat “alle elementen nodig of nuttig voor de beoordeling van de zaak na de beperkte verwijzing door het Hof van Cassatie [...] nog steeds aanwezig [zijn] zodat [de eiser] ook voor deze kamer op een volwaardige wijze zijn verdediging heeft kunnen voordragen”; de sanctie van het verval van de strafvordering vereist de vaststelling dat de overschrijding van de redelijke termijn dermate zwaarwichtig is dat het verderzetten van de strafprocedure in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is; die sanctie is evenwel te onderscheiden van de sanctie van de onontvankelijkheid van de strafvordering, die van toepassing is indien door de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering of het recht van verdediging ernstig en onherroepelijk is aangetast; uit de vermelde redenen kan dan ook niet wettig worden afgeleid dat er geen dermate zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn is dat het verval van de strafvordering niet kan worden uitgesproken (eerste onderdeel); evenmin kan dat rechtsgevolg worden afgeleid uit het enkele feit dat het misdrijf ernstig is; het loutere belang van de maatschappij bij de vervolging van een bepaald misdrijf kan immers op zichzelf niet verhinderen dat het verval van de strafvordering wordt uitgesproken (tweede onderdeel).
- Artikel 27, eerste en tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt wat volgt: “Indien de duur van strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken. De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn, welke van de in het eerste lid bedoelde gevolgen moet worden uitgesproken.”
- Opdat de rechter op grond van die bepaling het verval van de strafvordering kan uitspreken, moet hij vaststellen dat de overschrijding dermate zwaarwichtig is dat het verderzetten van de strafprocedure in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is. Daarbij kan de rechter rekening houden met de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn en de concrete omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de in de zaak aan de orde zijnde belangen met inbegrip van de belangen van de burgerlijke partij.
- Artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering sluit niet uit dat de rechter zijn oordeel dat het verval van de strafvordering geen passende sanctie voor de door hem vastgestelde ernstige overschrijding van de redelijke termijn uitmaakt, steunt op de overweging dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beklaagde niet ernstig en onherstelbaar werden aangetast. Evenmin sluit die bepaling uit dat de rechter rekening houdt met de ernst van het bewezenverklaarde misdrijf.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt: - de redelijke termijn binnen dewelke iedereen die vervolgd wordt het recht heeft op de behandeling van zijn zaak door een rechter, is in deze zaak duidelijk overschreden. Zonder dat dit vereist was voor een goede rechtsbedeling en zonder dat dit aan de eiser te wijten was, is een onredelijk lange tijd verstreken tussen het instellen van de hogere beroepen en de uitspraak van heden; - de schade die de eiser heeft geleden ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn bleef beperkt tot het te lang in onzekerheid blijven over het resultaat van de tegen hem ingestelde strafvordering; - krachtens artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de rechter, wanneer de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken; - uit de tekst van deze bepaling, de gebruikte terminologie en de wetsgeschiedenis volgt dat de sanctie van het verval van de strafvordering wegens de overschrijding van de redelijke termijn slechts uitzonderlijk mag worden toegepast. De overschrijding moet dermate zwaarwichtig zijn dat ze leidt tot het oordeel dat het verderzetten van de strafprocedure in geen enkel opzicht nog te verantwoorden is; - dit laatste is hier niet het geval. Alle elementen nodig of nuttig voor de beoordeling van de zaak na de beperkte verwijzing door het Hof van Cassatie zijn nog steeds aanwezig zodat de eiser ook voor de verwijzingsrechter op een volwaardige wijze zijn verdediging heeft kunnen voordragen; - de ernst van de misdrijven waarbij onder meer langdurig en bij herhaling misbruik werd gemaakt van de zwakke positie van de bewoners om onwaardige wooneenheden aan woekerprijzen te blijven verhuren, verzet zich ertegen dat deze niet langer zouden worden vervolgd, ook al is inmiddels ruim negen jaar verstreken sedert het einde van de geïncrimineerde periode; - zonder de overschrijding van de redelijke termijn zouden de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf en geldboete worden bevestigd; - gelet op de ernstige overschrijding van de redelijke termijn en de hiermee gepaard gaande gevorderde leeftijd van de eiser volstaat het thans om hem enkel voormelde geldboete op te leggen.
- Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak niet het verval van de strafvordering tot gevolg heeft. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest beveelt de bijzondere verbeurdverklaring van het onroerend goed gelegen te (…), gekadastreerd als (…); het stelt vast dat het onroerend goed in beslag werd genomen en dat de inbeslagname op 16 januari 2018 werd overgeschreven op het Kantoor Rechtszekerheid van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie; in het strafdossier is er echter geen spoor van een inbeslagname van het onroerend goed; aldus steunen de appelrechters hun beslissing op gegevens en feiten die niet aan tegenspraak zijn onderworpen; alleszins is het Hof niet in staat om de wettigheid te toetsen van de beslissing dat het onroerend goed in beslag werd genomen, nu een dergelijk beslag niet blijkt uit de stukken van het dossier van de rechtspleging. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 43bis en 433terdecies Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het openbaar ministerie de verbeurdverklaring van het onroerend goed schriftelijk heeft gevorderd, noch dat die vordering werd ingeschreven op de kant van de laatst overgeschreven akte in de registers van het Kantoor Rechtszekerheid.
- Artikel 43bis, vijfde en zesde lid, Strafwetboek bepaalt: “De bijzondere verbeurdverklaring van de onroerende goederen moet of kan, naargelang de rechtsgrond die dit bepaalt, door de rechter worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door het openbaar ministerie schriftelijk werd gevorderd. De schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekkende tot de verbeurdverklaring van een onroerend goed, dat niet strafrechtelijk in beslag is genomen overeenkomstig de toepasselijke vormvoorschriften, wordt op straffe van onontvankelijkheid kosteloos ingeschreven op de kant van de laatst overgeschreven akte of het vonnis bedoeld in artikel 3.30, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. Het openbaar ministerie voegt een bewijs van de kantmelding bij het strafdossier voor de sluiting van de debatten. Het openbaar ministerie vordert de kosteloze doorhaling van de kantmelding, als daartoe grond bestaat.”
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie, strekkende tot de verbeurdverklaring van het vermelde onroerend goed, het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving zoals bedoeld in artikel 43bis, zesde lid, Strafwetboek.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt evenmin dat het vermelde onroerend goed in beslag is genomen.
- Hieruit volgt dat het Hof niet in de mogelijkheid is om de wettigheid van de beslissing tot verbeurdverklaring van het vermelde onroerend goed na te gaan. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het lastens de eiser de verbeurdverklaring beveelt van het onroerend goed gelegen te (…), gekadastreerd als (…). Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vijf zesden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 287,16 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.13 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.9 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220920.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div