← België

K. contra W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.2 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1368.N C. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tessa De Cuis, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen S. W., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 september

  1. De eiser voert in memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de op 15 mei 2023 en 19 mei 2023 gesitueerde feiten omschreven onder de telastlegging A. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster, zoals nochtans is vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerster tegen de eiser, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel in dubio pro reo: het arrest verklaart de telastlegging belaging bewezen voor bepaalde data zonder dat hiervoor enig objectief bewijs voorligt; het doet vaststellingen die niet steunen op concreet of objectief bewijsmateriaal; er zijn geen vaststellingen die objectief aantonen dat het de eiser was die op die momenten contact zocht met de verweerster; er is geen bewijs dat de eiser handelde met het opzet de rust van de verweerster te verstoren; het arrest keert de bewijslast om; het arrest vertrekt van een veronderstelling van schuld; het is niet aan de eiser om zijn onschuld te bewijzen; de schuld wordt afgeleid uit de afwezigheid van verweerelementen bij de eiser; minstens ontbreekt er een ondubbelzinnige motivering; de miskenning van het vermoeden van onschuld blijkt ook uit de wijze waarop het arrest eerder geseponeerde klachten aanwendt; dergelijke klachten mogen enkel als inlichting worden gebruikt, terwijl het arrest daaruit afleidt dat de eiser wist dat de verweerster met hem geen contact meer wilde.
  5. Het arrest vermeldt de feitelijke gegevens waarop het steunt om te beslissen tot de schuldigverklaring van de eiser. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  6. Het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, zoals dit ook wordt gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, verzet zich niet ertegen dat de rechter: - voor de bewezenverklaring van een misdrijf het gegeven in aanmerking neemt dat een beklaagde geen aannemelijke verklaring kan of wil geven voor bezwarende elementen; - beweringen die een beklaagde te zijner ontlasting aanvoert, verwerpt omdat de beklaagde die beweringen niet enigszins aannemelijk maakt; - de bewezenverklaring voor de vervolgde feiten mede afleidt uit gegevens die zijn ontleend aan geseponeerde strafdossiers waarover de beklaagde tegenspraak kon voeren, voor zover de rechter de beklaagde niet schuldig verklaart aan de feiten die het voorwerp uitmaken van die geseponeerde strafdossiers. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Uit de redenen die het arrest bevat ter verantwoording van de schuldigverklaring van de eiser blijkt niet dat de appelrechters eisers vermoeden van onschuld miskennen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  8. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest verantwoordt de strafverzwaring niet; het legt, niettegenstaande het voor twee subtelastleggingen vrijspreekt, zonder enige motivering een zwaardere straf op dan de eerste rechter, die de straftoemetingsbeslissing had gemotiveerd, welke de appelrechters overnemen met toevoeging van een bijkomende motivering; die bijkomende motivering heeft enkel betrekking op eisers schuld.
  10. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel legt aan het appelgerecht de verplichting op om, behoudens bij daartoe strekkende conclusie, te motiveren waarom het anders straft dan de eerste rechter. Het appelgerecht dient enkel de door de appelrechters opgelegde bestraffing te motiveren. Dat is ook het geval indien het anders dan de eerste rechter voor bepaalde telastleggingen vrijspreekt. Het appelgerecht kan ter motivering van de door de appelrechters opgelegde bestraffing ook de motivering van de eerste rechter overnemen, zelfs als het zwaarder straft dan de eerste rechter. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 146,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260113.2N.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.