id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 828
, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 828
, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 3 - 6 De loutere omstandigheid dat aan de advocaat van een procespartij het woord wordt ontnomen nadat hem door de rechter is meegedeeld dat hij het woord zal krijgen nadat een andere procespartij het woord heeft genomen, miskent het recht van verdediging van die eerste procespartij niet; de rechter die een advocaat, die weigert zich bij die beslissing neer te leggen en zo voor stoornis zorgt, uit de zittingszaal laat verwijderen, miskent niet het recht van verdediging maar maakt gebruik van de hem bij wet toegekende bevoegdheid tot handhaving van de orde ter rechtszitting; dat die advocaat niet langer aan het debat kan deelnemen is een gevolg van zijn eigen houding. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 759
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 760
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 828
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 759
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 760
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 828
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 759
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 760
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 828
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 759
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 760
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 828- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1421.N B, verzoeker tot wraking, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 9 oktober 2025 (nr. 2025/6108). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser doet afstand zonder berusting van zijn cassatieberoep in zoverre het betrekking heeft op de beschikkingen over de vordering tot het opleggen van een geldboete en de kosten. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 828 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest overweegt niets over eisers in appelconclusie opgeworpen middel over een schijn van afhankelijkheid van de voorzitter, doordat deze adviezen inwon bij de veiligheidsdiensten over de ter beschikking gestelde faciliteiten en de wijze waarop dit gebeurde (eerste onderdeel), het arrest oordeelt ten onrechte dat niet is aangetoond dat de voorzitter afhankelijk zou zijn; er is namelijk het eenvoudige gegeven dat door hem advies werd ingewonnen bij de veiligheidsdiensten, buiten elke partij om, dat dit zelfs niet werd meegedeeld aan de partijen en dat deze adviezen niet kenbaar werden gemaakt alvorens beslissingen te nemen (tweede onderdeel); in het arrest wordt ook niets overwogen met betrekking tot het feit dat er pas op 26 september 2025, dus na de rechtszitting van 18 september 2025, stukken werden gevoegd aan het dossier waaruit blijkt dat de voorzitter correspondentie voerde met derden en adviezen inwon (derde onderdeel).
- Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de wrakingsrechter niet dat hij de redenen van zijn redenen moet geven: hij dient het wrakingsmiddel te beantwoorden, zonder dat hij moet antwoorden op elk argument dat tot staving van dit middel wordt aangevoerd, zonder een afzonderlijk middel te vormen.
- Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt wegens gewettigde verdenking.
- Gewettigde verdenking in de zin van deze bepaling veronderstelt dat een rechter niet in staat is op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak of dat bij de partijen en de publieke opinie gewettigde twijfel bestaat over zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen. Die twijfel moet objectief gerechtvaardigd zijn.
- De wrakingsrechter stelt onaantastbaar vast of er redenen zijn die een gewettigde verdenking objectief rechtvaardigen.
- Dat een voorzitter van een collegiale strafkamer met het oog op de praktische organisatie van de rechtszitting, waarvoor hij verantwoordelijk is, inlichtingen inwint bij de diensten die instaan voor de veiligheid in het gerechtsgebouw, houdt niet in dat hij niet meer in staat zou zijn om op een onafhankelijke wijze uitspraak te doen in de zaak. Dat hij over deze inlichtingen geen tegensprekelijk debat organiseert, doet hieraan geen afbreuk.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 36, nr. 2.3) oordeelt onder meer het volgende: - de eiser hekelt dat over de getroffen veiligheidsmaatregelen (het niet kunnen voorzien in een tafel en in stopcontacten) geen tegensprekelijk debat werd gevoerd; - op de rechtszitting van 15 september 2025 hadden alle partijen evenwel de gelegenheid gekregen vragen te stellen of opmerkingen te maken over de praktische organisatie van de zitting; - enkel mr. F en mr. Y hebben hiervan gebruikt gemaakt; - ook op de rechtszitting van 18 september 2025 is dit aspect ter sprake gekomen; - de voorzitter heeft, gelet op de bijkomende verzoeken terzake, kennelijk één en ander afgetoetst met de veiligheidsdiensten en zélf een beslissing genomen, eerst op 15 september 2025 en opnieuw op 18 september 2025, wat zijn wettelijke taak is; - dat G één en ander zou hebben beslist “op instructie van” en dus wat betreft de veiligheidsaspecten niet onafhankelijk noch onpartijdig zou hebben beslist, blijft volstrekt onbewezen; - het feit dat hij de verzoeken aftoetst met de veiligheidsdiensten alvorens zelf te beslissen (wat blijkt uit het stuk 1 van de eiser) volstaat uiteraard niet om te oordelen dat hij de beslissing niet zélf zou hebben genomen; - dit toont, integendeel, aan dat hij de verzoeken terzake wel degelijk in overweging heeft genomen en niet zonder meer heeft beslist er niet op in te gaan; - dat omwille van veiligheidsrisico’s die ook in het belang van de eiser correct moeten worden ingeschat en waaromtrent de eiser geen transparantie, laat staan inspraak kan eisen, niet kon worden voorzien in stopcontacten of andere tafels of bureaus getuigt geenszins van een hoge graad van vijandschap van voorzitter G ten aanzien van de eiser of zijn raadsman; - dit toont ook niet aan dat hij niet meer onafhankelijk en onpartijdig kan zetelen in zijn dossier.
- Met deze redenen geeft het arrest te kennen dat er geen schijn van partijdigheid van voorzitter G is ontstaan. In zoverre mist het eerste onderdeel feitelijke grondslag.
- Met deze redenen kan het arrest wettig oordelen dat het wrakingsmiddel over de tijdens het proces niet-verleende faciliteiten en genomen veiligheidsmaatregelen ongegrond is. In zoverre kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen.
- Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest ook eisers hierover in appelconclusie ontwikkelde middel, zonder te moeten antwoorden op elk argument dat tot staving van dit middel wordt aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre kan het derde onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 828 en 833 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: waar het arrest stelt dat eisers wrakingsverzoek niet ontvankelijk is voor zover dit steunt op de feitelijkheden tijdens de rechtszitting van 15 september 2025, laat het na om het geheel van feitelijkheden te beoordelen waarnaar de eiser, ook in appelconclusie, heeft verwezen voor de gewettigde verdenking, namelijk eensdeels, de houding van de voorzitter op de rechtszitting van 18 september 2025 en, anderdeels, de genomen beslissingen waarbij uitdrukkelijk werd gewezen op de wijze waarop deze beslissingen zouden zijn genomen, namelijk door het inwinnen van niet aan tegenspraak onderworpen adviezen, en zonder de partijen te horen; daarmee heeft de eiser niet willen opkomen tegen de beslissingen zelf maar enkel tegen de wijze waarop deze werden genomen en de houding die uit deze werkwijze blijkt.
- Het arrest (p. 22-23, nr. 2.1.2) oordeelt niet enkel dat het wrakingsverzoek niet ontvankelijk is voor zover het is gesteund op het tussenvonnis van 15 september 2025, maar oordeelt ook dat het wrakingsverzoek, indien het ontvankelijk was, als ongegrond had moeten worden afgewezen en geeft daarvoor ook uitvoerige redenen. Het middel bekritiseert niet al deze redenen op grond waarvan het arrest de wrakingsgrond afwijst en die de beslissing schragen. In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aangevoerde onwettigheden. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 444, 759, 760 en 828 Gerechtelijk Wetboek: het arrest ontzegt de eiser het recht van verdediging door te poneren dat, wanneer het woord niet wordt verleend aan een advocaat, deze advocaat als een toehoorder dient te worden aanzien en aldus overeenkomstig artikel 759 Gerechtelijk Wetboek gehouden is tot een stilzwijgende houding en gelet op deze vaststellingen te oordelen dat de voorzitter een advocaat uit de zittingszaal kon laten verwijderen om de eenvoudige reden dat er niet werd gezwegen door deze raadsman.
- De loutere omstandigheid dat aan de advocaat van een procespartij het woord wordt ontnomen nadat hem door de rechter is meegedeeld dat hij het woord zal krijgen nadat een andere procespartij het woord heeft genomen, miskent het recht van verdediging van die eerste procespartij niet.
- De rechter die een advocaat, die weigert zich bij die beslissing neer te leggen en zo voor stoornis zorgt, uit de zittingszaal laat verwijderen, miskent niet het recht van verdediging maar maakt gebruik van de hem bij wet toegekende bevoegdheid tot handhaving van de orde ter rechtszitting. Dat die advocaat niet langer aan het debat kan deelnemen is een gevolg van zijn eigen houding.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 828 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest antwoordt niet op eisers wrakingsmiddel dat hij stelselmatig en weerkerend niet werd gehoord en de wijze waarop verschillende beslissingen werden genomen; de eiser verwees in zijn wrakingsverzoek immers naar het verloop van de rechtszitting van 15 september 2025, de vaststelling van mr. F dienaangaande die werd geakteerd op het proces-verbaal van die rechtszitting, de vaststelling dat de eiser in geen van de tussenvonnissen werd opgenomen als partij inzake, alsook de vaststelling dat de rechtszitting van 18 september 2025 onmiddellijk aanvatte met de mededeling van twee beslissingen, zonder dat uit enig stuk blijkt dat een partij hierover werd gehoord.
- Met de samengelezen redenen gegeven op pagina’s 21 tot en met 36 van het arrest, beantwoordt en verwerpt het alle wrakingsmiddelen van de eiser, inclusief dat hij stelstelmatig en niet weerkerend zou zijn gehoord. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: het arrest miskent de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 door te oordelen dat “het aspect van de stopcontacten en van de tafels andermaal aan bod” is gekomen; uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 18 september 2025 blijkt immers dat deze rechtszitting onmiddellijk is aangevat met de mededeling van beslissingen.
- De vaststelling van het arrest (p. 35, nr. 2.3.2) dat op de rechtszitting van 18 september 2025 het aspect van de stopcontacten en de tafels andermaal aan bod is gekomen, is niet volstrekt onverenigbaar met de bewoordingen van het bij dat oordeel geciteerde proces-verbaal van de rechtszitting dat “(d)e voorzitter vraagt de griffier te akteren dat de rechtbank beslist, na advies van de bevoegde diensten, wegens veiligheidsredenen geen bijkomende tafels en stopcontacten voor de raadslieden in de zittingszaal toe te laten”. Dat een bepaald onderwerp aan bod komt, betekent immers niet noodzakelijk dat daarover ook een debat is gevoerd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand zoals vermeld. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.33 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231129.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250722.VAK.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div