← België

I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.34 Rolnummer: P.25.0063.N Zaak: I. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht Invoerdatum: 2025-12-19 Raadplegingen: 469 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251216.2N.34 Fiches 1 - 5 Voor de inperking van de tolkmogelijkheden voor de herstelexamens opgelegd op basis van artikel 38, § 6 Wegverkeerswet, ingevolge de artikelen 1, 14°, 32, § 3, eerste lid, en 39, § 8 KB Rijbewijs, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, die inhouden dat het rijexamen alleen kan worden afgelegd in het Nederlands, Frans, Duits of Engels; met audiovertaling voor het theoretische rijexamen en met bijstand van een tolk voor het praktische rijexamen, worden de volgende redenen gegeven: 1) het besparen van kosten en de vereenvoudiging en rationalisering van de praktische organisatie van de rijexamens; 2) het verminderen van de fraudegevoeligheid van de getolkte rijexamens; 3) het bevorderen van de kennis van de officiële landstalen waardoor ook ingezet wordt op een betere integratie; 4) het verhogen van de veiligheid van de chauffeur, diens passagiers en de andere weggebruikers door het verplichten van een minimale kennis van de officiële landstalen of het Engels bij het afleggen van de rijexamens; en 5) en met betrekking tot de keuze voor het Engels als enige niet-officiële landstaal: het toegankelijk maken van het examen voor anderstaligen waarbij uit cijfermateriaal blijkt dat het Engels voorheen de meest gekozen taal was om het rijexamen met tolk af te leggen; gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie en het Gerecht van de Europese Unie over het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit of taal rijst de vraag of de voormelde regelgeving gerechtvaardigd is gelet op vermelde doelstellingen ten aanzien van EU-onderdanen die het Nederlands, Frans, Duits, noch het Engels als officiële landstaal hebben, aangezien voormelde regelgeving deze EU-onderdanen in een minder gunstige situatie plaatst dan Belgische onderdanen of EU-onderdanen die het Engels als officiële landstaal hebben, maar hen ondanks het verschil in nationaliteit of taal, toch gelijk behandelt; eveneens rijst de vraag of artikel 18.1 VWEU en artikel 21 Handvest Grondrechten EU aldus moeten worden uitgelegd dat zij, in een materie van Unierecht zoals de taal waarin herstelexamens worden afgelegd, zich verzetten tegen een nationale regelgeving waarbij het theoretisch en praktisch herstelexamen, ook in het kader van het afleggen van deze examens wegens een veroordeling voor een verkeersovertreding, zoals in het Vlaamse Gewest, enkel kunnen worden afgelegd in het Nederlands of, voor wat betreft het theoretische herstelexamen door middel van een audiovertaling in het Duits, Frans of Engels of, voor wat betreft het praktische herstelexamen, met bijstand van een tolk in één van die talen, maar niet, al dan niet met een tolk, in andere EU-talen kunnen worden afgelegd; het Hof stelt dan ook, vooraleer uitspraak te doen, bij toepassing van artikel 267 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie volgende prejudiciële vraag: “Moeten artikel 18.1 VWEU en artikel 21 Handvest Grondrechten EU aldus worden uitgelegd dat zij, in een materie van Unierecht zoals de taal waarin herstelexamens worden afgelegd, zich verzetten tegen een nationale regelgeving waarbij het theoretisch en praktisch herstelexamen, ook in het kader van het afleggen van deze examens wegens een veroordeling voor een verkeersovertreding, zoals in het Vlaamse Gewest enkel kunnen worden afgelegd in het Nederlands of, voor wat betreft het theoretische herstelexamen door middel van een audiovertaling in het Duits, Frans of Engels of, voor wat betreft het praktische herstelexamen, met bijstand van een tolk in één van die talen, maar niet, al dan niet met een tolk, in andere EU-talen kunnen worden afgelegd?”

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artt. 1, 14°, 32, § 3, eerste lid, en 39, § 8 KB Rijbewijs, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 18.1 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 21 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 14° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 32, § 3, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 39, § 8 - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 18.1 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 21 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 14° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 32, § 3, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 39, § 8 - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 18.1 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 21 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 14° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 32, § 3, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 39, § 8 - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 18.1 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 21 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 14° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 32, § 3, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 39, § 8 - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0063.N I. I., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Cavit Yurt, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 5 december 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 18 november 2025 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 9 december 2025 heeft raadsheer Jos Decoker verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voorgaanden 1. De eiser werd in hoger beroep bij vonnis van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 5 december 2024 veroordeeld voor een snelheidsinbreuk tot onder meer de bijkomende straf van het verval van het recht tot sturen, waarbij het herstel van dit recht afhankelijk wordt gemaakt van het slagen in vier examens en onderzoeken bij toepassing van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet. Dit is het bestreden vonnis. Eerste en tweede middel van de eiser 2. Het eerste middel voert schending aan van artikel 18 VWEU, artikel 21.1 Handvest Grondrechten EU, artikel 14 EVRM, artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, de artikelen 32, § 3, eerste lid, 39, § 8, eerste lid en 72, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (hierna KB Rijbewijs) en de artikelen 3.1.4, eerste lid, en 3.2.3, eerste lid, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 maart 2018 betreffende de rijopleiding en het rijexamen van categorie van motorvoertuigen B en bepaalde aspecten voor alle categorieën van motorvoertuigen: de appelrechters oordelen ten onrechte dat er geen sprake is van een ongelijke behandeling van de eiser op grond van nationaliteit of taal; de eiser heeft immers niet de mogelijkheid om het theoretisch en praktisch examen, waarvan zijn herstel in het recht tot sturen afhankelijk is gemaakt, in het Bulgaars af te leggen maar enkel in het Nederlands, Frans, Duits of Engels; gelet op de uitzondering die is toegekend aan het Engels, die niet één van de drie Belgische landstalen is, bevindt de eiser zich in een verschillende en minder gunstige situatie dan andere EU-onderdanen met Engels als moedertaal, maar wordt hij ondanks het verschil in nationaliteit of taal toch gelijk behandeld; het Engels is één van de officiële talen van Ierland en Malta; Ierse en Maltese onderdanen bevinden zich dus in een gunstigere positie dan de eiser, aangezien zij de examens kunnen afleggen in hun nationale taal, die niet één van de drie officiële talen van België is; gelet op de omstandigheid dat het theoretisch en praktisch examen wel kan worden afgelegd in de drie officiële talen van België bevindt de eiser zich ook in een verschillende en minder gunstige situatie dan Belgische onderdanen, maar wordt hij ondanks het verschil in nationaliteit of taal toch gelijk behandeld. Het tweede middel voert schending aan van artikel 267 VWEU: de appelrechters weigeren ten onrechte volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waartoe de eiser het Hof uitnodigt om deze wel te stellen: “Schenden de bepalingen van nationaal recht van een lidstaat van de Europese Unie, die de teruggave van een rijbewijs – aan een onderdaan van een andere lidstaat die in eerstbedoeld land verblijft en die in dat land wegens verkeersovertredingen is veroordeeld – afhankelijk stellen van de voorwaarde dat die onderdaan eerst een theoretisch en praktisch examen dient af te legen, zonder dat hem evenwel wordt toegestaan dat examen af te leggen in zijn nationale taal, namelijk een officiële taal van de Europese Unie, of met behulp van een tolk die zijn nationale taal spreekt, artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en/of artikel 21, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die elke discriminatie binnen de Europese Unie op grond van nationaliteit en/of taal verbieden?” 3. Volgens artikel 20.2 VWEU genieten burgers van de Unie de rechten en plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zo hebben zij onder andere het recht om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven. Artikel 18.1 VWEU bepaalt dat binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden is. 4. Artikel 21.1 Handvest Grondrechten EU bepaalt dat iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, verboden is. Artikel 21.2 Handvest Grondrechten EU bepaalt dat binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen ervan, iedere discriminatie op grond van nationaliteit verboden is. 5. Volgens punt 1.6 van de Bijlage IV inzake de minimumnormen voor personen die praktijkrijexamens afnemen bij de Richtlijn 2006/126/EG van 20 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs, moet er duidelijk worden gecommuniceerd over het rijexamen en moeten de inhoud, de vorm en de taal zijn afgestemd op de toehoorders en de context. Bovendien moeten alle kandidaten gelijk en met respect worden behandeld. 6. Artikel 38, § 6, Wegverkeerswet verplicht de rechter om, indien daartoe aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, de beveiligingsmaatregel op te leggen van het afhankelijk maken van het herstel van het verval van het recht tot sturen van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een geneeskundig en psychologisch onderzoek. 7. Artikel 32, § 3, eerste lid, KB Rijbewijs bepaalt voor het Vlaamse Gewest: “Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, kan het theoretische examen met behulp van een audiovertaling afleggen.” Artikel 1, 14°, KB Rijbewijs bepaalt voor het Vlaamse Gewest dat de “audiovertaling” het “vertaalhulpsysteem (
  1. is)waarbij voor de vragen en de antwoordmogelijkheden die in het Nederlands op het scherm verschijnen en door middel van geluidsondersteuning in het Nederlands worden voorgelezen, bijkomend een vertaling in het Frans, Duits of Engels wordt voorgelezen, die een beëdigd vertaler heeft gemaakt”. Artikel 39, § 8, eerste en derde lid, KB Rijbewijs bepaalt voor het Vlaamse Gewest: “Een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, mag het praktische examen afleggen, bijgestaan door een tolk voor de talen Frans, Duits of Engels die door hem onder de beëdigde vertalers wordt gekozen. De tolk wordt in alle gevallen door de kandidaat vergoed en mag geen betrekking uitoefenen in een erkende rijschool of op welke wijze ook professioneel rijonderricht geven. (…) In afwijking van het eerste lid kan een kandidaat die het Nederlands niet machtig is, de proef gevaarherkenningstest tijdens het praktische examen voor categorie B met behulp van een audiovertaling afleggen.” 8. Voor de inperking van de tolkmogelijkheden voor de herstelexamens worden de volgende redenen gegeven: 1) het besparen van kosten en de vereenvoudiging en rationalisering van de praktische organisatie van de rijexamens; 2) het verminderen van de fraudegevoeligheid van de getolkte rijexamens; 3) het bevorderen van de kennis van de officiële landstalen waardoor ook ingezet wordt op een betere integratie; 4) het verhogen van de veiligheid van de chauffeur, diens passagiers en de andere weggebruikers door het verplichten van een minimale kennis van de officiële landstalen of het Engels bij het afleggen van de rijexamens; 5) en met betrekking tot de keuze voor het Engels als enige niet-officiële landstaal: het toegankelijk maken van het examen voor anderstaligen waarbij uit cijfermateriaal blijkt dat het Engels voorheen de meest gekozen taal was om het rijexamen met tolk af te leggen. 9. Uit de voormelde regelgeving met betrekking tot het afleggen van de herstelexamens blijkt dat, gelet op de uitzondering die is toegekend aan het Engels, dat niet één van de drie Belgische officiële landstalen is, bepaalde EU-onderdanen die deze taal niet als officiële taal hebben, zich in een minder gunstige situatie bevinden dan EU-onderdanen komende van een land waar het Engels wel een officiële landstaal is, zoals Ierland en Malta. Deze laatsten kunnen de herstelexamens immers met een tolk Engels afleggen. 10. Bepaalde EU-onderdanen die het Nederlands, Frans, noch het Duits als officiële landstaal hebben, bevinden zich ook in een minder gunstige situatie dan Belgische onderdanen. Deze laatsten kunnen, naargelang het gewest, de herstelexamens immers in één van de drie Belgische officiële landstalen, het Nederlands, Frans of Duits, afleggen, desgevallend met tussenkomst van een tolk. De voornoemde EU-onderdanen, die het Nederlands, Frans, Duits, noch het Engels als officiële landstaal hebben, worden ondanks het verschil in nationaliteit of taal, toch gelijk behandeld. 11. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en het Gerecht van de Europese Unie blijkt dat: - dergelijke regeling enkel gerechtvaardigd kan zijn, indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen die losstaan van de nationaliteit of de taal van de betrokken personen en evenredig zijn aan de rechtmatige doelstellingen van het nationale recht (HvJ, Bickel en Franz, C-274/96, 24 november 1998; HvJ, Grauel Rüffer, C-322/13, 27 maart 2014); - een taalregeling de uitkomst kan zijn van een moeizaam zoeken naar een noodzakelijk evenwicht tussen de belangen van de marktdeelnemers en het algemeen belang wat de kosten betreft (HvJ, Kik, C-361/01, 9 november 2003); - budgettaire en operationele overwegingen een (taal)discriminatie op zichzelf genomen niet kunnen rechtvaardigen (HvJ, O’Brien, C-393/10, 1 maart 2012; Gerecht EU, Italiaanse Republiek t. Commissie, T-437/16) of een belemmering van door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen rechtvaardigen (HvJ, Kranemann, C-109/04, 17 maart 2005), maar deze enkel kunnen dienen ter rechtvaardiging van een ongelijke taalregeling in samenhang met afzonderlijke rechtvaardigingsgronden en wanneer deze extensief gemotiveerd zijn (Gerecht EU, Italiaanse Republiek t. Commissie, T-437/16, 9 september 2020); - de doelstelling, bestaande in het bevorderen en stimuleren van het gebruik van een officiële taal van een lidstaat, een rechtmatig belang is waartegen het Unierecht zich niet verzet en beperkingen op het recht van vrij verkeer en verblijf kan rechtvaardigen, alsook in de beschouwing kan worden betrokken bij het maken van de afweging tussen de legitieme belangen en dit door het Unierecht erkende recht (HvJ, Groener, C-379/87, 28 november 1989, HvJ, Runevic-Vardyn en Wardyn, C-391/09, 12 mei 2011; HvJ, Anton Las, C-202/11, 16 april 2013); - hoewel in het Verdrag op verschillende plaatsen het gebruik van de talen in de Europese Unie ter sprake komt, deze teksten niet kunnen worden beschouwd als de uitdrukking van een algemeen beginsel van Unierecht dat elke burger kan eisen dat alles wat zijn belangen zou kunnen raken, onder alle omstandigheden in zijn eigen taal wordt gesteld. De keuze voor het Engels, als een van de meest verbreide talen, zou dan ook een passende kunnen uitmaken (HvJ, Kik, C-361/01, 9 november 2003). 12. Bijgevolg rijst de vraag of de voormelde regelgeving, die zoals gesteld bepaalde EU-onderdanen die het Nederlands, Frans, Duits, noch het Engels als officiële landstaal hebben, in een minder gunstige situatie plaatst dan Belgische onderdanen of EU-onderdanen die het Engels als officiële landstaal hebben, maar hen ondanks het verschil in nationaliteit of taal, toch gelijk behandelt, gelet op bovenvermelde doelstellingen van die regelgeving, gerechtvaardigd is. 13. In het licht van de door de eiser aangevoerde middelen, de hierboven uiteengezette procedurevoorgaanden, de relevante gegevens van de zaak en de voormelde overwegingen, rijst de vraag of artikel 18.1 VWEU en artikel 21 Handvest Grondrechten EU aldus moeten worden uitgelegd dat zij, in een materie van Unierecht zoals de taal waarin herstelexamens worden afgelegd, zich verzetten tegen een nationale regelgeving waarbij het theoretisch en praktisch herstelexamen, ook in het kader van het afleggen van deze examens wegens een veroordeling voor een verkeersovertreding, zoals in het Vlaamse Gewest, enkel kunnen worden afgelegd in het Nederlands of, voor wat betreft het theoretische herstelexamen door middel van een audiovertaling in het Duits, Frans of Engels of, voor wat betreft het praktische herstelexamen, met bijstand van een tolk in één van die talen, maar niet, al dan niet met een tolk, in andere EU-talen kunnen worden afgelegd. 14. Het Hof stelt dan ook, vooraleer uitspraak te doen, bij toepassing van artikel 267 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag. 15. De beslissing over de kosten wordt aangehouden. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing over de volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan: “Moeten artikel 18.1 VWEU en artikel 21 Handvest Grondrechten EU aldus worden uitgelegd dat zij, in een materie van Unierecht zoals de taal waarin herstelexamens worden afgelegd, zich verzetten tegen een nationale regelgeving waarbij het theoretisch en praktisch herstelexamen, ook in het kader van het afleggen van deze examens wegens een veroordeling voor een verkeersovertreding, zoals in het Vlaamse Gewest enkel kunnen worden afgelegd in het Nederlands of, voor wat betreft het theoretische herstelexamen door middel van een audiovertaling in het Duits, Frans of Engels of, voor wat betreft het praktische herstelexamen, met bijstand van een tolk in één van die talen, maar niet, al dan niet met een tolk, in andere EU-talen kunnen worden afgelegd?” Houdt de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.34 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251216.2N.34 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.