id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 202
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 202
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 3 - 4 De omstandigheid dat een beklaagde, desgevallend vertegenwoordigd door zijn raadsman, op de rechtszitting zijn schuld aan een of meer telastleggingen niet langer betwist, houdt geen afstand in van een in het grievenschrift aangevoerde beroepsgrief over de schuld in de zin van artikel 206 Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 206
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 206- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0333.N E. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Donkers, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 22 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis oordeelt dat er geen beveiligingsmaatregel op grond van artikel 42 Wegverkeerswet wordt opgelegd. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering: door aan de eiser als maatregel op te leggen dat de geldigheid van zijn rijbewijs voor een periode van één jaar wordt beperkt tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot zoals bedoeld in artikel 37/1, § 1, Wegverkeerswet (hierna alcoholslot), verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht; de eiser werd in het beroepen vonnis immers niet veroordeeld tot een alcoholslot en heeft als enige hoger beroep tegen dit vonnis aangetekend, zonder hoger beroep of volgberoep vanwege het openbaar ministerie; de saisine in hoger beroep was derhalve beperkt tot de door de eiser aangevoerde grieven met betrekking tot de procedure, de schuld, de straffen en maatregelen; ingevolge de relatieve werking van eisers hoger beroep konden de appelrechters hem geen straf opleggen, noch een daarmee onlosmakelijk verbonden beslissingsonderdeel, die nadeliger was dan de in eerste aanleg opgelegde straf; op het enkel hoger beroep van een beklaagde mag diens toestand in hoger beroep immers niet in zijn nadeel worden gewijzigd; als beveiligingsmaatregel is het alcoholslot voor de eiser, die reeds aantoonde geen alcoholverslaving te hebben, een nadeligere maatregel dan een verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, waartoe de eiser in het beroepen vonnis was veroordeeld, aangezien de aan die laatste maatregel verbonden pleegvormen en kosten objectief en aantoonbaar minder zwaar zijn dan een alcoholslot.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser door de politierechtbank bij vonnis van 27 november 2023 werd veroordeeld tot een geldboete van 400,00 euro, vermeerderd met 70 opdeciemen en aldus gebracht op 3.200,00 euro of een vervangend verval van het recht tot sturen van 120 dagen, waarvan 200,00 euro vermeerderd met 70 opdeciemen of 1.600,00 euro met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar, tot een verval van het recht tot het besturen van motorvoertuigen voor een termijn van zes maanden, waarbij het herstel in dat recht afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor een theoretisch examen, een praktisch examen, een geneeskundig onderzoek en een psychologisch onderzoek, en waarbij de eiser bij toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet vervallen werd verklaard van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid; - door de eiser hoger beroep werd aangetekend tegen het vonnis van 27 november 2023, waarbij de eiser in zijn grievenschrift grieven heeft geformuleerd over de procedure, de schuld en de straf en of maatregel; - tegen dit vonnis van 27 november 2023 geen hoger beroep werd aangetekend door het openbaar ministerie; - de appelrechters oordelen dat de eiser, gelet op de door hem bijgebrachte stukken, niet te kampen heeft met een alcoholverslaving, zodat een beveiligingsmaatregel in de zin van artikel 42 Wegverkeerswet niet langer noodzakelijk is, maar wel met een mentaliteitsprobleem, waarbij een alcoholslot een bijzonder doeltreffende maatregel is om de vereiste mentaliteitswijziging te bewerkstelligen; - het bestreden vonnis het beroepen vonnis bevestigt, met als enige aanpassingen dat er geen beveiligingsmaatregel op grond van artikel 42 Wegverkeerswet wordt opgelegd en dat een alcoholslot wordt opgelegd voor een periode van één jaar, waarbij de kosten van de installatie en het gebruik van een alcoholslot, evenals de kosten van het omkaderingsprogramma, in mindering zullen worden gebracht van de geldboete, zonder dat deze minder dan één euro mag bedragen.
- Uit artikel 202 Wetboek van Strafvordering en de daaruit afgeleide relatieve werking van het hoger beroep van de beklaagde volgt dat het appelgerecht de toestand van de beklaagde zoals die voortvloeit uit het beroepen vonnis, op diens enkel hoger beroep niet mag verzwaren.
- De veiligheidsmaatregel van het alcoholslot zoals bedoeld in artikel 37/1 Wegverkeerswet is als zodanig niet zwaarder voor de betrokkene dan de in artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde veiligheidsmaatregel van het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid. Het in artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde verval impliceert immers een verbod om elk motorvoertuig te besturen, terwijl het in artikel 37/1 Wegverkeerswet bedoelde alcoholslot geen verbod inhoudt om een motorvoertuig te besturen maar louter een beperking van de rijbevoegdheid tot motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot. De omstandigheid dat de aan een alcoholslot verbonden kosten zwaarder kunnen zijn dan de kosten die aan het herstel in het recht tot sturen zijn verbonden, doet hieraan geen afbreuk.
- Wanneer een beklaagde hoger beroep aantekent tegen een vonnis van de politierechtbank dat hem veroordeelt tot straf en tot het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en in zijn grievenschrift grieven aanvoert met betrekking tot de schuld en de straf en of maatregel, kunnen de appelrechters op het enkele hoger beroep van die beklaagde die straf bevestigen en hierbij oordelen dat geen verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet worden opgelegd maar wel een alcoholslot. Hierdoor oordelen de appelrechters binnen de grenzen van de devolutieve werking van de voormelde beroepsgrieven en miskennen zij niet de relatieve werking van het hoger beroep van de beklaagde.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 203, 204, 206, 210 en 215 Wetboek van Strafvordering: door voor het eerst in hoger beroep aan de eiser een alcoholslot op te leggen, miskennen de appelrechters de devolutieve werking van eisers hoger beroep en doen zij uitspraak over een beslissingsonderdeel dat niet tot hun saisine behoort; de appelrechters stellen vast dat de eiser op de rechtszitting zijn schuld aan de telastleggingen niet langer betwist, wat impliceert dat zij de eiser akte verlenen van de afstand van zijn grief over de schuld en van de beperking van zijn hoger beroep; er waren voor de appelrechters geen gegronde redenen voorhanden om de zaak te evoceren of om ambtshalve grieven aan te voeren, terwijl zij ingevolge de relatieve werking van eisers hoger beroep diens straf en de onlosmakelijk ermee verbonden beslissingsonderdelen niet konden verzwaren; de door de eiser aangevoerde beroepsgrief met betrekking tot het in het beroepen vonnis opgelegde verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, liet de appelrechters dan ook niet toe om voor het eerst in hoger beroep op het loutere hoger beroep van de eiser een alcoholslot op te leggen.
- De appelrechters voeren geen ambtshalve grieven aan en oordelen evenmin bij wijze van evocatie. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De loutere omstandigheid dat een beklaagde, desgevallend vertegenwoordigd door zijn raadsman, op de rechtszitting zijn schuld aan een of meer telastleggingen niet langer heeft betwist, heeft niet tot gevolg dat hij hierdoor van zijn beroepsgrief over de schuld afstand heeft gedaan zoals bedoeld in artikel 206 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 30 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251230.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div