id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 496
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen:
Art. 496
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 5 De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een formele verplichting; wanneer de motivering tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte leidt, levert dit een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 6 Het enkele feit dat de oprichtingsakte of de statuten van een vennootschap niet vermelden dat juridische adviesverlening tot haar maatschappelijk doel behoort, heeft niet tot gevolg dat deze vennootschap door het verstrekken van dergelijk advies handelt met een valse hoedanigheid in de zin van artikel 496 Strafwetboek. Thesaurus CAS: OPLICHTING Wettelijke bepalingen:
Art. 496- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1111.N I
- D. S.,
- C. B.,
- D. S. bv, burgerlijke partijen, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, II
- D. G.,
- V. V.,
- F. D.,
- L. V.,
- BELBI bv, burgerlijke partijen, eisers, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, de cassatieberoepen I en II tegen
- P. V. H.,
- VH INVEST bv,
- FIRST ESTATE bv, beklaagden, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 juni
- De eisers I en II voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eisers I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 491 en 496 Strafwetboek: het arrest verwerpt de burgerlijke vorderingen van de eisers I tegen de verweerders ingevolge de vrijspraak van de verweerders voor onder meer de telastleggingen oplichting (A.2, A.3, A.4, A.5 en A.6), misbruik van vertrouwen (B.1 en B.2) en valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken (C); het steunt die beslissingen in wezen op de vaststelling dat alle betalingen, voorwerp van de beweerde oplichtingen, steun vinden in documenten, voor het merendeel facturen, en dat deze documenten op hun beurt teruggaan op overeenkomsten die werden ondertekend door de verweerder 1 en de burgerlijke partijen, waaronder de eisers I; deze vaststelling volstaat evenwel niet om te kunnen besluiten dat de verweerders geen listige kunstgrepen hebben aangewend; de redenering dat de determinerende factor voor de betalingen bestaat uit de tussen partijen gesloten overeenkomsten is niet correct; het is immers niet omdat de betrokken overeenkomsten vanuit formeel oogpunt geldig zijn en de facturen op grond van deze overeenkomsten werden uitgeschreven dat er geen sprake kan zijn van oplichting; de eisers I werden reeds bij het ondertekenen van de overeenkomsten opgelicht, nu deze slechts werden ondertekend in de veronderstelling dat door de latere uitvoering van het voorwerp ervan hallucinante winsten zouden worden geboekt door de enkele tussenkomst van de verweerder 1; mocht de eiser I.1 hebben geweten dat de prognoses vals waren, zou hij de overeenkomst nooit hebben ondertekend; het arrest stelt zelf vast dat er enorme bedragen werden betaald die niet in verhouding stonden tot hetgeen aan advocatenkosten werd betaald, dat er in de dossiers met stedenbouwkundige inslag weinig stukken te vinden zijn die erop wijzen dat dergelijke grootschalige activiteiten bezig waren en dat de verweerder 1, hoewel hij geen jurist was, enorme bedragen aanrekende om dossiers op te volgen; uit deze vaststellingen vermag het arrest niet af te leiden dat het gebruik van listige kunstgrepen niet bewezen is in het kader van de oplichting, noch dat het bedrieglijk inzicht in het kader van het misbruik van vertrouwen niet bewezen is; het arrest onderzoekt immers niet of de overeenkomsten zelf het resultaat zijn van het gebruik van listige kunstgrepen; aldus verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht; minstens stelt het arrest het Hof niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- Het arrest (nr. 21, p. 53-60 en nr. 22, p. 60-70) oordeelt in essentie en met verwerping van de andersluidende aanvoeringen van de eisers I dat de feiten van de telastleggingen A.2, A.3, A.4, A.5, A.6, B.1, B.2 en C niet bewezen zijn lastens de verweerders, niet omdat de door de eisers I betaalde facturen steunden op de tussen de partijen gesloten overeenkomsten, maar wel omdat de eisers I, in het bijzonder de eiser I.1, over een lange periode tevreden waren met de prestaties van de verweerder 1 en talrijke facturen voor aanzienlijke bedragen aan de verweerders hebben betaald en niet hebben geprotesteerd, zelfs wanneer die betalingen afweken van de tussen de partijen gesloten overeenkomsten, alsook omdat zij die betalingen hebben gedaan met kennis van zaken en zonder met betrekking tot enige betaling door de verweerder 1 te zijn misleid. Verder oordeelt het arrest dat de verweerders wel degelijk prestaties voor de eisers I hebben verricht, dat het voor de appelrechters niet uit te maken is of de vooropgestelde winsten al dan niet realistisch waren en dat de vraag in hoeverre de door de verweerders geleverde prestaties de gefactureerde bedragen verantwoorden een contractuele en dus burgerlijke discussie uitmaken waarover de appelrechters zich als strafrechters niet dienen uit te spreken aangezien er hier geen listige kunstgrepen zijn aangetoond. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest, dat enkel acht slaat op de formele geldigheid van de overeenkomsten en de erop geënte facturen en betalingen, beantwoordt niet het verweer van de eisers I dat de verweerder 1 zich voorstelde als iemand met een grote invloed binnen gerechtelijke kringen, waardoor hij de zaken een gunstige uitkomst zou kunnen geven, dat de geldigheid van de overeenkomsten niet uitsluit dat er sprake kan zijn van oplichting nu de aflevering van de zaak ook kan slaan op verbintenissen, dat de overeenkomsten slechts werden ondertekend in de veronderstelling dat er hallucinante winsten zouden worden geboekt, dat er sprake is van een globale enscenering door de verweerder 1, dat er nooit een detail van een prestatiestaat werd teruggevonden, dat de geraadpleegde advocaten in de periode 2012 tot en met 2017 amper 65.112,05 euro hebben gefactureerd aan de verweerders, met name 0,013 procent van hetgeen de verweerders zelf aan de eisers hebben gefactureerd, en dat de verweerder 1 zelf geen jurist was en dus geen juridisch advies kon geven en naar eigen zeggen het dossier enkel bundelde en doorgaf aan advocaten.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest enkel acht slaat op de formele geldigheid van de overeenkomsten en de erop geënte facturen en betalingen, is het afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- Met de redenen die het bevat en waarnaar wordt verwezen in het antwoord op het eerste onderdeel, beantwoordt het arrest het vermelde verweer van de eisers I, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: het arrest stelt vast dat het bedrag van 1.425.000,00 euro, voorwerp van de telastlegging A.2, werd betaald door middel van zes betalingen waarvan er vijf verwijzen naar een overeenkomst van 19 november 2013 en een zesde naar een overeenkomst van 16 augustus 2013, die in werkelijkheid een bankgift is; het tweede voorschot van 125.000,00 euro verwijst uitdrukkelijk naar een beweerde betaling aan het gerecht om het daar met meer interest te beleggen, terwijl het arrest met betrekking tot een betaling van 250.000,00 euro op grond van het document van 16 augustus 2013 vermeldt dat de onderzoekers vermoeden dat de verweerder 1 deze brief naar zichzelf heeft gestuurd; het arrest vermag zodoende uit zijn vaststellingen niet af te leiden dat de betalingen voor een totaal bedrag van 1.425.000,00 euro niet het gevolg zijn van listige kunstgrepen; aldus verantwoordt het arrest de beslissing dat de telastlegging A.2 lastens de verweerders niet bewezen is en de burgerlijke vorderingen van de eisers I ongegrond zijn, niet naar recht; minstens stellen de door het arrest gegeven redenen het Hof niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- De vaststellingen van het arrest waarnaar het onderdeel verwijst, beletten niet dat de appelrechters met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel, wettig kunnen besluiten dat de verweerder 1 geen listige kunstgrepen als bedoeld in artikel 496 Strafwetboek heeft aangewend, noch beletten die redenen het Hof om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser I.1 dat de verweerder 1 hem heeft opgelicht met betrekking tot bedragen die deel uitmaken van de telastlegging A.2, meer bepaald met betrekking tot gelden die zogenaamd via de verweerder 1 op een rekening van het gerecht zouden terechtkomen, met betrekking tot de haalbaarheid van en de werkzaamheden van de verweerder 1 inzake een verkaveling en met betrekking tot een bankgift.
- Met de redenen die het arrest bevat en waarnaar wordt verwezen in het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel, beantwoordt het arrest het in het onderdeel aangehaalde verweer, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 491 en 496 Strafwetboek: het arrest vermeldt met betrekking tot de telastleggingen B.1 en B.2 geen afzonderlijke en specifieke redenen; de overschrijvingen bedoeld in de telastlegging B.1, voor een bedrag 366.161,35 euro, gebeurden door de verweerder 1, maar via zijn volmacht over de KBC-rekening op naam van de eiser I.1; uit de afwezigheid van listige kunstgrepen voor de telastleggingen A kan niet worden afgeleid dat er evenmin enig bedrieglijk opzet bewezen is voor de telastleggingen B.1 en B.2; het blijkt immers uit het dossier dat de betalingen bedoeld in de telastlegging B.1 gelden zijn die vanop de rekening van de eiser I.1 zijn overgeschreven zonder diens toestemming en enkel doordat de verweerder 1 misbruik maakte van de volmacht op de rekening van de eiser I.1; het feit B.1 vereenzelvigt zich immers niet met een oplichting waarbij listige kunstgrepen worden aangewend, maar wel met het misbruik van een bankvolmacht op een rekening van een derde door zonder diens medeweten en akkoord deze volmacht te misbruiken om zichzelf te verrijken; aldus verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht; minstens stellen de door het arrest gegeven redenen het Hof niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- Wanneer verschillende misdrijfkwalificaties betrekking hebben op dezelfde feiten en voor de bewezenverklaring van die onderscheiden misdrijven eenzelfde constitutief bestanddeel vereist is, kan de rechter de afwezigheid van dat bestanddeel voor al die misdrijven steunen op dezelfde redenen. Hij dient die redenen niet voor elk misdrijf afzonderlijk te hernemen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (nr. 20, p. 60-61) oordeelt met betrekking tot de telastleggingen B.1 en B.2 dat ook misbruik van vertrouwen een bedrieglijke verduistering of verspilling vereist en dat er redelijke twijfel bestaat over de vraag of er sprake is van een bedrieglijk opzet, dan wel of bedrieglijk gelden werden verduisterd of verspild. Het (p. 60-70) steunt dat oordeel op dezelfde redenen als deze op grond waarvan het oordeelt dat er inzake de telastleggingen A.2, A.3, A.4, A.5 en A.6 twijfel bestaat over het bedrieglijk opzet. Het arrest stelt voor het overige niet vast dat de verweerder 1 zich bedrieglijk hem ter bede ter beschikking staande gelden van de eiser I.1 heeft toegeëigend door misbruik te maken van een volmacht op een bankrekening van deze laatste. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord en laat zij het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers I inzake de telastleggingen B.1 en B.
- Met de redenen die het bevat en waarnaar wordt verwezen in het antwoord op het eerste onderdeel, beantwoordt het arrest het vermelde verweer van de eisers I, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eisers II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest verwerpt de burgerlijke vorderingen van de eisers II tegen de verweerders ingevolge de vrijspraak van de verweerders voor de telastleggingen oplichting (A.1 en A.7); het steunt die beslissing op het oordeel dat er bij de overeenkomsten, de navolgende facturatie en overeenstemmende betalingen geen listige kunstgrepen werden aangewend noch dat er een bedrieglijk opzet zou bestaan, nu er dossiers werden opgevolgd, niet is aangetoond dat de eisers II door de verweerders werden misleid en er twijfel bestaat of de prestaties in verhouding staan tot de ontvangen betalingen; daarbij laten de appelrechters evenwel na te beoordelen of de kwestieuze overeenkomsten en de daaropvolgende facturatie de listige kunstgreep an sich uitmaken, hetgeen een essentieel onderdeel uitmaakt van de beoordeling in het kader van de telastleggingen inzake oplichting; integendeel oordeelt het arrest ten onrechte dat het gegeven dat er overeenkomsten voorhanden zijn en dat de facturatie overeenstemt met deze overeenkomsten, aantoont dat er geen bedrieglijk opzet is, terwijl de eisers II hebben aangevoerd dat geen enkele prestatie werd verricht die de facturatie kan verantwoorden en al zeker niet in de voorliggende grootorde; op grond van die redenen kan het arrest niet wettig besluiten tot de vrijspraak van de verweerders op grond van twijfel.
- Het arrest (p. 64 en 65) oordeelt dat er ook ten aanzien van de eisers II onvoldoende is aangetoond dat er sprake is van misleiding of bedrieglijk opzet. Ook ten aanzien van die eisers wijst het arrest op het kennelijke akkoord van de partijen met de handelwijze van de verweerder 1, aangezien de eisers II de facturen van de verweerders niet hebben betwist en zelfs hebben betaald.
- Hieruit volgt dat het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, eerste onderdeel, van de eisers I en om dezelfde redenen niet kan worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het oordeel van het arrest dat er bij de beoordeling van de listige kunstgrepen en het bedrieglijk opzet twijfel bestaat over de vraag of de geleverde prestaties in verhouding staan tot de ontvangen betalingen, heeft geen betrekking op de telastleggingen die betrekking hebben op de eisers II; tussen de in beslag genomen stukken waarvan het arrest vaststelt dat ze zich in het strafdossier bevinden, maakt er geen enkel stuk melding van de eisers II; het arrest kan dan ook niet naar die stukken verwijzen voor wat betreft de telastlegging A.1; het arrest moet de prestaties individueel aftoetsen aan de hand van de stukken waarvan het vaststelt dat ze zich in het strafdossier bevinden.
- Bij afwezigheid van specifiek daartoe strekkende conclusie moet de rechter, om een burgerlijke vordering te verwerpen die steunt op een als oplichting omschreven feit, niet noodzakelijk elke prestatie die een beklaagde niet zou hebben verricht of overdreven zou hebben gefactureerd in verhouding tot een met de burgerlijke partij gesloten overeenkomst, individueel beoordelen. De rechter, die onaantastbaar de hem voorgelegde feiten beoordeelt, kan integendeel uit door hem vastgestelde feiten met betrekking tot bepaalde prestaties en facturaties afleiden dat er voor wat betreft het geheel van de hem ter beoordeling staande prestaties en facturaties geen misdrijf lastens de beklaagde is aangetoond. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Zowel onder de in beslag genomen stukken als in de verdere motivering vermeldt het arrest stukken die betrekking hebben op de eisers II en die de appelrechters toelieten de prestaties van de verweerders voor die eisers te beoordelen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest oordeelt dat geen van de partijen betwist dat de verweerder 1 de dossiers opvolgde, maar dat enkel de grondigheid van die opvolging zou worden betwist; met die reden miskent het arrest de appelconclusies van de eisers II, waarin die eisers meermaals hebben aangevoerd dat er geen enkele prestatie werd verricht die tegenover de gefactureerde prestaties stond.
- Het arrest onderzoekt de prestaties die de verweerders voor de burgerlijke partijen hebben geleverd en die het opsomt. Daartoe behoren ook prestaties die de verweerders hebben geleverd voor de eisers II. Aldus heeft de bekritiseerde reden geen impact op de wettigheid van de beslissing. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers II dat het bedrieglijk opzet, de listige kunstgrepen en de valse hoedanigheid eveneens blijken uit de vermeldingen “legal en expert Consulting” door de verweersters 2 en 3; deze vermelding is volstrekt foutief nu deze vennootschappen geen enkele juridische activiteit uitoefenen volgens hun oprichtingsakte en bijhorende statuten; dat gebrek aan antwoord heeft tot gevolg dat het arrest niet regelmatig is gemotiveerd en het aldus een motiveringsgebrek inhoudt bij de beoordeling van de toepassing van artikel 496 Strafwetboek; het arrest beoordeelt de vermelding “legal en expert Consulting” ten onrechte enkel voor wat betreft de verweerder
- De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet, waaraan het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter hier niets toevoegt, is een formele verplichting. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte levert dit een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het enkele feit dat de oprichtingsakte of de statuten van een vennootschap niet vermelden dat juridische adviesverlening tot het maatschappelijk doel van die vennootschap behoort, heeft niet tot gevolg dat deze vennootschap door het verstrekken van dergelijke adviesverlening handelt met een valse hoedanigheid. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
- Het arrest (p. 65-67) oordeelt onder meer als volgt: - van alle beweerde hoedanigheden die de verweerder 1 zich zou hebben aangemeten, zijn er enkel voor wat betreft “gerechtsdeskundige” en “vastgoedmakelaar” objectieve elementen die de aantijgingen van de burgerlijke partijen ondersteunen; - uit de navraag bij het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars blijkt dat de verweerder 1 lid dan wel erkend stagiair-vastgoedmakelaar was; - de verweersters 2 en 3 mochten effectief vastgoedmakelaarsactiviteiten stellen voor zover en mits deze worden gesteld door de verweerder 1 en of door de bedienden die onder zijn controle en toezicht ressorteren; - de verweerder 1 en via hem zijn vennootschappen konden derhalve actief zijn in onroerend goed en als vastgoedmakelaar; - tevens blijkt dat de verweerder 1 wel degelijk had opgetreden als gerechtsdeskundige en daartoe een aantal keren was aangesteld door een rechtbank, zodat van een valse hoedanigheid geen sprake is; - de vermelding “Legal en expert consulting” is op zich evenmin misleidend. De term consulting is niet wettelijk bepaald of afhankelijk van bepaalde diploma- of andere vereisten; - dat de verweerder 1, gelet op zijn activiteiten in de immosector, een bepaalde expertise daarin, alsook in de daarmee samenhangende juridische aspecten en bemiddeling had verworven is niet onaannemelijk, ook al was hij geen jurist; - de burgerlijke partijen wisten wie de verweerder 1 was en wie hij niet was.
- Met die redenen is de beslissing voor wat betreft alle verweerders regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest laat na om enige motivering te vermelden over verweersters 2 en 3, die afzonderlijk als daders of mededaders werden vervolgd; de door het arrest gehanteerde beoordeling over de constitutieve bestanddelen van het misdrijf van oplichting heeft louter betrekking op het handelen van de verweerder 1; de verweersters 2 en 3 dragen een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid die diende te worden beoordeeld door het arrest; het arrest stelt vast dat er overeenkomsten en facturen werden opgemaakt op naam van de verweersters 2 en 3 en dat zij beiden gelden hebben ontvangen van verschillende burgerlijke partijen; bijgevolg diende het arrest een beoordeling te maken met betrekking tot de constitutieve bestanddelen van het misdrijf van oplichting bij de verweersters 2 en 3; het arrest stelt evenmin vast dat de motivering voor de verweerder 1 eveneens van toepassing is op de beoordeling van de verweersters 2 en 3; aldus laat het arrest na om het al dan niet bestaan van de constitutieve bestanddelen bij de verweersters 2 en 3 vast te stellen.
- Uit de redenen van het arrest blijkt dat de verweersters 2 en 3 buiten het toedoen van de verweerder 1 geen eigen aansprakelijkheid voor de lastens hen vervolgde feiten dragen en dat die feiten voor wat betreft die verweersters niet bewezen zijn om dezelfde redenen als waarom zij lastens de verweerder 1 niet bewezen zijn. Met die redenen, die toelaten de beslissing te begrijpen, is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 336,81 euro, waarvan de eisers I 131,76 euro zijn verschuldigd en de eisers II 135,05 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 30 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251230.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div