← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250107.2N.7 Rolnummer: P.24.1052.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-02-24 Raadplegingen: 487 - laatst gezien 2026-06-18 23:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.7 Fiche Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet; om na te gaan of een gegeven een grond is tot herziening zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, dient dit gegeven te worden beoordeeld in het licht van de aard en de inhoud van het oordeel van de rechter over het bewijs en de schuld waarop de veroordeling, voorwerp van de herzieningsaanvraag, is gebaseerd, zodat de loutere omstandigheid dat het oordeel van de rechter over de schuld als zodanig in vraag wordt gesteld door een of meer deskundigen of onderzoekers, die stellen dat de op het ogenblik van dat oordeel voorliggende bewijselementen die rechter niet toelieten om de betrokkene boven elke redelijke twijfel schuldig te verklaren, niet kan worden beschouwd als een gegeven zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering en het verzoek tot herziening derhalve kennelijk ongegrond is

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERZIENING - VERZOEK EN VERWIJZING OM ADVIES Vrije woorden: Verzoek - Herzieningsverzoek gebaseerd op het voorhanden zijn van nieuwe gegevens - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg - Kennelijke ongegrondheid van het verzoek Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 443, eerste lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie ecli_input ECLI:NL:HR ecli_prefixe ECLI ecli_pays NL ecli_cour HR ecli_annee ecli_ordre Ongeldig ECLI-nummer - 3 element (
  1. en)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:NL:HR invalide Ongeldig ECLI-nummer - 3 element (
  2. en)P.24.1052.N Conclusie van advocaat-generaal A. WINANTS: I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN. 1. Bij arrest van 26 september 2006 veroordeelde het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant de verzoeker tot levenslange opsluiting wegens moord. De verzoeker stelde tegen dat arrest cassatieberoep in dat werd verworpen bij arrest van 30 januari 2007. 2. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 30 maart 2015 vroeg verzoeker om de heropening van de rechtspleging die geleid had tot het arrest van 30 januari 2007. Het verzoek tot heropening was gegrond op het definitief geworden arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 17 februari 2015, volgens hetwelk artikel 6.1 EVRM in casu werd geschonden omdat de beslissing van de jury niet was gemotiveerd. 3. Bij arrest van 16 juni 2015 beval het Hof van Cassatie de heropening van de rechtspleging, trok het zijn arrest van 30 januari 2007 in, vernietigde het arrest van het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant van 26 september 2006 in zoverre het uitspraak deed over de tegen eiser ingestelde strafvordering, verklaarde het de debatten en de verklaring van de jury nietig en verwees de zaak naar het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant, anders samengesteld. 4. Bij arrest van het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant van 29 juni 2016 werd verzoeker schuldig verklaard aan moord. De verzoeker was op het ogenblik van de uitspraak over de schuld niet meer aanwezig in persoon, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadslieden. Tijdens de debatten over de straf en de uitspraak verscheen de verzoeker niet en werd hij ook niet vertegenwoordigd door zijn raadslieden die in de zittingszaal waren maar verklaarden zonder instructies te zijn. Bij arrest van het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant van 30 juni 2016 werd verzoeker uit hoofde van het bewezen verklaarde feit veroordeeld tot levenslange opsluiting. De onmiddellijke aanhouding van verzoeker werd bevolen. 5. De verzoeker die voortvluchtig was werd op 3 juli 2016 gearresteerd door de dienst FAST van de federale politie te Achène, in de provincie Namen. In de gevangenis van Namen werden hem, op 3 juli 2016, de arresten van 29 en 30 juni 2016 van het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant betekend door toedoen van de gevangenisdirecteur. Op 4 juli 2016 werden deze beide arresten bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de woonplaats van de eiser betekend. 6. Op 13 juli 2016 tekende eiser, bij een verklaring afgelegd voor de afgevaardigde van de gevangenisdirecteur te Namen, verzet aan. Bij arrest van 19 augustus 2016 verklaarde het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, het verzet van eiser onontvankelijk. Het Hof van Cassatie vernietigde deze beslissing bij arrest van 13 december 2016. 7. Nadat het verzet van de verzoeker ontvankelijk werd verklaard werd de straf van levenslange opsluiting bij arrest van 28 april 2017 van het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant bevestigd. Aldus werden de arresten van 29 juni 2016 en 28 april 2017 definitief. Het is van deze beide arresten dat de herziening wordt gevraagd. II . ONDERZOEK VAN HET VERZOEK TOT HERZIENING. A. FORMEEL ONDERZOEK. 8. Overeenkomstig artikel 444 Wetboek van Strafvordering dient het verzoekschrift, op straffe van onontvankelijkheid
(1), te zijn getekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie, een omstandige opgave te bevatten van de feiten, de grond tot herziening te bepalen alsmede de stukken waaruit de grond tot herziening blijkt bij te voegen, hetgeen het geval is. Artikel 443, lid 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat bij het verzoekschrift ook een met redenen omkleed gunstig advies dient gevoegd te worden uitgaande van drie advocaten bij het Hof van Cassatie of van drie advocaten die ten minste tien jaar zijn ingeschreven op de tabel. Het verzoekschrift neergelegd op 8 juli 2024 ter griffie van het Hof bevat drie met redenen omklede gunstige adviezen van mr. Jan De Winter, advocaat bij de balie Gent, van mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, en van mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, die allen tien jaar of meer op de tabel zijn ingeschreven Het verzoekschrift beantwoordt derhalve aan alle voorwaarden van artikel 444 Wetboek van Strafvordering. 9. In principe dienen ook de burgerlijke partijen, op straffe van niet-ontvankelijkheid
(2)van het verzoek, aangemaand te worden tot tussenkomst, op basis van artikel 444, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. De ouders van het slachtoffer waren effectief burgerlijke partijen
(3), maar het komt me voor dat hun tussenkomst in de huidige procedure niet aan de orde is. De assisenveroordeling die aan de grondslag ligt van de huidige herzieningsaanvraag is inderdaad het gevolg van een procedure tot heropening op basis van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering, die enkel betrekking heeft op de strafvordering en die de rechten van de burgerlijke partij niet kan aantasten
(4). De veroordeling uitgesproken door het hof van assisen op 26 september 2006 blijft dus ten opzichte van de burgerlijke partijen ongewijzigd bestaan. B. ONDERZOEK TEN GRONDE 10. De wet van 11 juli 2018
(5)heeft de herziening van strafrechtelijke veroordelingen
(6)op ingrijpende manier gewijzigd. De wet heeft aan de twee eerste gronden tot herziening – de onverenigbaarheid tussen veroordelingen van verschillende personen voor één enkel feit en de in kracht van gewijsde gegane veroordeling van een getuige wegens valse getuigenis - praktisch niets veranderd. Het is bij de derde grond dat de wijzigingen fundamenteel zijn, met name de herziening die gesteund wordt op een nieuw gegeven, het zogenaamde novum. Naast een nieuwe omschrijving van wat er onder een novum
(7)dient te worden begrepen wordt hier ook een totaal nieuwe procedure in het leven geroepen, waarin het Hof van Cassatie een dubbele rol te spelen heeft
(8).
  1. Het Hof van Cassatie komt inderdaad in eerste instantie tussen als filter van de ingediende herzieningsaanvragen en het zal dienen na te gaan of het verzoek of de vordering ontvankelijk is. Die ontvankelijkheidscontrole gebeurde weliswaar ook onder gelding van de vroegere regeling maar was alsdan beperkt tot de formele ontvankelijkheidsvoorwaarden. Thans voegt de nieuwe wet daaraan toe dat het Hof ook dient na te gaan of er ‘voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een grond tot herziening’ (zie infra). Oordeelt het Hof dat het verzoek onontvankelijk is of weliswaar ontvankelijk maar zonder dat het voldoende aanwijzingen bevat om te kunnen beslissen tot het bestaan van een grond tot herziening, dient het de herzieningsaanvraag onmiddellijk af te wijzen als kennelijk ongegrond.
  2. Indien daarentegen het Hof van Cassatie meent dat het verzoek niet onmiddellijk als niet-ontvankelijk moet worden afgewezen en er voldoende aanwijzingen zijn voor het voorhanden zijn van een grond tot herziening, beveelt het dat de aanvraag wordt onderzocht door de Commissie voor de herziening in strafzaken. Dit is de tweede grote wijziging in de nieuwe regeling, met name de tussenkomst van een daartoe opgerichte Commissie
(9)met vrij uitgebreide onderzoeksbevoegdheden en die uiteindelijk een advies dient te geven nopens de herzieningsaanvraag. Daar waar in de oude regeling het advies werd gevraagd aan het hof van beroep, dit advies bindend was en vatbaar voor cassatieberoep, is thans het advies van de Commissie niet-bindend en niet vatbaar voor enig rechtsmiddel. Na het advies te hebben ontvangen komt de eindbeslissing over de herzieningsaanvraag toe aan het Hof van Cassatie en wordt ook het advies van de Commissie publiek gemaakt. 13. Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet. Dit is dus de nieuwe omschrijving van het begrip novum. 14. De verzoeker is de mening toegedaan dat hij bij arrest van 29 juni 2016 van het hof van assisen van de provincie Vlaams-Brabant (arrest over de schuld) en van 28 april 2017 (arrest over de straf) ten onrechte schuldig werd verklaard en veroordeeld uit hoofde van moord op zijn partner, met name door haar opzettelijk en met voorbedachten rade gedood te hebben door een schot midden in het voorhoofd, tijdens haar slaap afgevuurd met zijn dienstwapen. De verzoeker is van oordeel dat de jury ten onrechte zijn standpunt als niet aannemelijk heeft verworpen, standpunt dat uitging van een zelfmoordscenario waarbij het slachtoffer nadat zij op één na de kogels uit de lader van zijn pistool had verwijderd en deze in een zakdoek in het vriesvak van de koelkast had gestopt, hem ’s nachts heeft gewekt en zichzelf met zijn dienstwapen door het hoofd heeft geschoten, waarbij zij het pistool gericht hield op haar voorhoofd en de kolf met haar vingers had omklemd in een omgekeerde greep, met haar duim aan de trekker, waarna het schot is afgegaan toen de verzoeker haar het wapen afhandig probeerde te maken. 15. Ter ondersteuning van zijn standpunt voert de verzoeker vier gegevens aan die volgens hem beantwoorden aan de in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, voormelde criteria en aldus elk van hen een novum uitmaken. Deze vier gegevens zijn:
  1. a)nieuwe ballistische onderzoeksgegevens met betrekking tot het afstands- en uitwerppatroon van hulzen uit een pistool (eerste novum);
  2. b)nieuwe ballistische onderzoeksgegevens met betrekking tot de morfologie van schotresten (tweede novum);
  3. c)de mogelijkheid van een DNA-onderzoek op de zakdoek met bloemmotief (derde novum);
  4. d)de mogelijkheid van nieuw DNA-onderzoek op de bestaande stalen van het pistool FN GP en op de patronen (vierde novum). Deze gegevens, waarop ik hierna uitgebreid zal terugkomen, worden door de verzoeker getoetst aan het bewijsoordeel van de assisenjury zoals dat blijkt uit het arrest van 29 juli 2016 en in verband gebracht met twee onderzoeksrapporten die dit oordeel hebben onderzocht, met name het Project Gerede Twijfel van de Vrije Universiteit Amsterdam en het Project Voordeel van de Twijfel van de KU Leuven, beiden gevoegd aan het verzoekschrift en beiden gewijd aan een analyse van de zaak van de verzoeker.. 16. Het lijkt me van fundamenteel belang te onderstrepen dat een herzieningsprocedure niet gaat om het zaaien van twijfel over een veroordeling, maar om een novum dat van aard is twijfel te doen ontstaan over de gegrondheid van een veroordeling. Dat een rechterlijk bewijsoordeel door welke deskundigen dan ook als (al
  5. te)twijfelachtig wordt beschouwd, wettigt op zich nog geen herziening en maakt zeker geen novum uit in de zin van het bepaalde in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering. Daarenboven is twijfel een zeer subjectief begrip dat door verschillende personen op een verschillende manier kan worden ingevuld. Het komt me trouwens voor dat de verzoeker dit zelf inziet aangezien hij in het in het “tussentijds besluit” in het verzoekschrift (p. 90) weliswaar concludeert dat in het licht van de op het ogenblik van de veroordeling voorhanden zijnde elementen en gegevens, de schuldigverklaring door het hof van assisen onverantwoord is, maar dat “sterke twijfel” als zodanig geen grond is tot herziening (verzoekschrift, p. 90 onderaan), 17. Een novum kan niet louter bestaan in het feit dat deskundigen, academici, onderzoeksprojecten van universiteiten of van onderzoeksgroepen, de mening zijn toegedaan dat de rechter tot twijfel had moeten besluiten en had moeten vrijspreken. Het rechterlijk oordeel als zodanig is wat het is en een eventuele herziening dient niet om het beginsel van de vrije bewijswaardering onderuit te halen. Ik verwijs in dit verband naar een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden
(10)in een zaak waarin een herzieningsaanvraag werd ondersteund door een onderzoek van het Project Gerede Twijfel, zijnde dezelfde onderzoeksgroep als in de thans voorliggende zaak, die het bewijsoordeel in de zaak van de Haagse kindermoorden op de korrel had genomen. De HRN oordeelde hierover als volgt: “De Hoge Raad laat de processuele status van dit boek in het midden. Het is in elk geval niet een rapportage die voldoet aan de eisen die in de arresten van de Hoge Raad […] aan een deskundigenrapport zijn gesteld. Voorts zijn de feiten en omstandigheden waarvan de projectdeelnemers zijn uitgegaan en die hebben geleid tot hun conclusie ("Er is onvoldoende bewijs om overtuigd te geraken van H. schuld aan de moord op M.. Er is echter ook onvoldoende bewijs voor een onschuldig-scenario"), naar de kern bezien ontleend aan de stukken van het geding, welke stukken – ook die met betrekking tot de totstandkoming van de bekentenis van de aanvrager tegenover de Rechter-Commissaris – al bekend waren aan het Hof ten tijde van zijn uitspraak. In zoverre is dus geen sprake van een voor herziening vereist novum maar van een van het oordeel van het Hof afwijkende mening of gevolgtrekking.” (ro 4.3.2 van het arrest)
(11). 18. Ik kan me dan ook niet ontdoen van de indruk dat de beide onderzoeksrapporten kenmerkend zijn voor de algemene sfeer die rond dit dossier wordt opgehangen en die mijns inziens duidelijk blijkt uit de slotconclusie van het KUL-rapport die het volgende stelt: “Onze afweging is dat de fouten in het onderzoek de kwaliteit ervan zodanig hebben aangetast, dat het de twijfel in dit dossier niet voldoende heeft weggenomen. Omwille van deze vaststelling zouden wij J.D., met alle informatie waarover wij beschikken, het voordeel van de twijfel geven”
(12). Sommige gebruikte bewoordingen lijken mij ook niet te kaderen in een zogenaamd objectief wetenschappelijk rapport, met name wanneer het gaat over de “lichtzinnige omgang door het OM met de loyauteitsplicht” (p. 89 verzoekschrift), de “gebeten en combattieve houding van het OM” (p.90 verzoekschrift) en kaderen mijns inziens meer in de hierboven beschreven (negatieve) sfeerschepping. Zoals reeds hierboven aangehaald worden hier mijns inziens geen nova aangedragen maar wordt er gepoogd het bewijsoordeel van de jury als dusdanig, los van elk novum, als verkeerd weg te zetten. 19. De wet van 11 juli 2018 heeft door de nieuwe omschrijving die werd gegeven aan het begrip novum dit begrip willen verruimen en heeft zich daarbij laten inspireren door de Nederlandse regeling
(13). Gewijzigde deskundigeninzichten - ook wanneer ze niet gestoeld zijn op nieuwe technieken of wetenschappelijke evoluties - of feitelijke omstandigheden kunnen een novum uitmaken
(14). Maar anderzijds kan niet alles een novum uitmaken en het komt me voor dat de wetgever zich hiervan terdege bewust was, waarbij ik verwijs naar een passage uit de Memorie van Toelichting: “De drempel blijft echter voldoende hoog. Het gegeven mag namelijk ten eerste niet bekend geweest zijn aan de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting en de veroordeelde mag niet in de mogelijkheid zijn geweest het bestaan aan te tonen ten tijde van het geding. Ten tweede moet het gegeven op zichzelf of door het verband met de vroeger geleverde bewijzen het ernstige vermoeden doen ontstaan dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, dit zou hebben geleid tot een vrijspraak, het verval van de strafvordering, het ontslag van rechtsvervolging of de toepassing van een minder strenge strafwet”
(15). 20. Concluderend meen ik dan ook dat dient te worden gesteld dat om na te gaan of een gegeven een grond is tot herziening zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, dit gegeven dient te worden beoordeeld in het licht van de aard en de inhoud van het oordeel van de rechter over het bewijs en de schuld waarop de veroordeling, voorwerp van de herzieningsaanvraag, is gebaseerd. De loutere omstandigheid dat het oordeel van de rechter over de schuld als zodanig in vraag wordt gesteld door een of meer deskundigen, die stellen dat de op het ogenblik van dat oordeel voorliggende bewijselementen die rechter niet toelieten om de betrokkene boven elke redelijke twijfel
(16)schuldig te verklaren, kan echter niet worden beschouwd als een gegeven zoals bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering. 21. Zoals hierboven reeds vermeld ligt de tweede grote wijziging in de nieuwe wet op de herziening in strafzaken in de oprichting van een Commissie voor de herziening die in de procedure tussenkomt wanneer het Hof van Cassatie oordeelt dat het verzoek tot herziening ontvankelijk is omdat er ‘voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een grond tot herziening’. In deze nieuwe procedure komt het Hof van Cassatie dus in eerste instantie tussen als filter teneinde de ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek te beoordelen, waarbij evenwel dient te worden onderstreept dat deze ontvankelijkheidscontrole verder gaat dan een loutere controle van de formele voorwaarden
(17). Ik zie inderdaad niet in hoe het Hof van Cassatie die functie van filter zou kunnen vervullen indien de controle enkel formeel zou dienen te gebeuren. Deze filterbevoegdheid van het Hof van Cassatie lijkt me inderdaad de tegenhanger te zijn in de nieuwe wetgeving van de verruiming van het begrip novum, namelijk een verruimde bevoegdheid van het Hof om na te gaan of de ingeroepen gegevens een grond tot herziening kunnen uitmaken.. Die beoordeling lijkt me dus te slaan op de voorwaarden die vermeld zijn in het artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering en met name dat door het gegeven dat wordt ingeroepen “het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet”. Het is derhalve aan dat criterium dat het verzoek tot herziening moet worden getoetst, zodat de nova vanuit dat standpunt dienen te worden beoordeeld en het is daarin meen ik dat het verschil ligt met de vroegere regeling die zich essentieel beperkte tot een formele controle van de ontvankelijkheidsvoorwaarden. 22. Het eerste novum heeft betrekking op nieuwe ballistische onderzoeksgegevens in verband met het uitwerpen en de vindplaats van hulzen uit een pistool. De verzoeker houdt hierbij voor dat: - zijn schuld op doorslaggevende wijze werd gebaseerd op de resultaten van het ballistisch onderzoek van wapendeskundige D.K. en van het college van wapendeskundigen en de door hen op de rechtszitting gegeven toelichtingen, waaruit volgens de assisenjury bleek dat een schot met het pistool vanuit een omgekeerde greep met de duim aan de trekker niet kan leiden tot een automatische uitwerping van de huls, wat niet verenigbaar is met het zelfmoordscenario, te meer gelet op de plaats waar de huls werd aangetroffen, namelijk rechts naast het rechter-hoofdkussen
(18); - uit de ballistische verslagen niet blijkt dat de proefschoten bij het onderzoek van de vraag of een schot met een pistool in een omgekeerde greep, met de duim aan de trekker, kan leiden tot een uitwerping van de huls, werden uitgevoerd met een pistool met één kogel in het magazijn en een lege lader, zoals het geval was op het ogenblik van de feiten, dan wel met een pistool met een volle lader; - nieuwe ballistische onderzoeksgegevens in 2018 hebben aangetoond dat proeven met een Glock-pistool met betrekking tot het afstands- en uitwerppatroon van hulzen hebben aangetoond dat er een significant verschil is tussen het afstands- en uitwerppatroon van hulzen wanneer er wordt gevuurd met een pistool met een vol magazijn dan wel met een leeg magazijn of zonder magazijn, waarbij uit een schrijven van wapendeskundige J. v.D. van 24 november 2022 blijkt dat deze onderzoeksgegevens ook van toepassing zijn op een pistool FN GP. De verzoeker is dan ook van oordeel dat er reden toe is om op dit punt de zaak te verwijzen naar de Commissie voor herziening in strafzaken teneinde een nieuw college van wapendeskundigen te laten aanstellen om nieuwe schietproeven uit te voeren. 23. Ik verwijs hier eerst naar de redenen van het arrest van 29 juni 2016 waaruit blijkt dat de assisenjury het zelfmoordscenario niet aannemelijk heeft geacht omdat er geen redenen waren om aan te nemen dat het slachtoffer een wanhoopsdaad wilde plegen:
(1)er waren geen tekenen van grote stemmingsstoornissen of neerslachtigheid
(19),
(2)de door de verzoeker aangehaalde redenen van haar depressiviteit zijn onwaar gebleken,
(3)haar atoma-schriftje bevatte slechts poëtische en contemplatieve geschriften en geen afscheidsbrief,
(4)het tijdstip van haar overlijden is niet verenigbaar met een gewilde zelfdoding, mede gelet op de grote affectieve band met haar beide ouders. 24. De assisenjury heeft daarenboven nog op een aantal andere elementen gewezen die mij van belang lijken te zijn, met name: - de houding waarin het levenloze lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen
(20): het slachtoffer lag op haar linkerzijde met half gebogen onderste ledematen en de linkerarm haaks geplooid met de voorarm onder het hoofdkussen, het donsdeken minstens opgetrokken tot onder de rechter-oksel, de oogleden gesloten en met een zeer ontspannen en serene gelaatsuitdrukking. Dit alles, volgens de jury, lijkt erop te wijzen dat het slachtoffer sliep op het ogenblik dat het dodelijke schot werd afgevuurd. Daarenboven is volgens de jury deze houding ook niet in overeenstemming te brengen met de door de verzoeker beschreven actie, namelijk het plotse omdraaien van het slachtoffer, de poging om het wapen uit haar hand te nemen met een forse omklemming van de hand en ten slotte het afvuren van het wapen; - de omstandigheid dat de verzoeker geen enkele reden had om zijn dienstwapen mee naar huis te nemen: hij had daarvoor allereerst geen toestemming en het lijkt ook aannemelijk dat, mocht hij bij het slachtoffer neerslachtigheid of een waarneembaar risico op zelfdoding hebben opgemerkt, hij zijn dienstwapen zou hebben achtergelaten op het politiecommissariaat; - het feit dat de versie van de zelfdoding of het accidentele
(21)overlijden evenmin aannemelijk is: in de verschillende versies die de verzoeker heeft naar voren gebracht van de feiten zou het slachtoffer een aantal noodzakelijke handelingen hebben moeten stellen met het dienstwapen, met name het uithalen van de lader, het verwijderen van de kogels uit deze lader, het herplaatsen van de lader, het ontgrendelen van de veiligheidspal en ten slotte het achteruit trekken van de slede. Uit verschillende verklaringen van een aantal getuigen is gebleken dat het slachtoffer eerder een afkeer had van het wapen en zeker niet vertrouwd was met de werking en de manipulatie ervan.
  1. Daarenboven blijkt ook uit het arrest van 29 juni 2016 dat de assisenjury de resultaten van het ballistisch onderzoek niet verenigbaar heeft geacht met een zelfmoordscenario omdat een schot met het pistool in een omgekeerde greep met de duim aan de trekker niet leidt tot een automatische uitwerping van de huls maar dat laatste slechts het geval is bij een krachtige omklemming van de hand die het wapen vasthield, wat niet verenigbaar is met een poging van de verzoeker om het wapen af te nemen, alsook omdat de plaats waar de huls werd aangetroffen niet verenigbaar is met een zelfmoordscenario. Uit datzelfde arrest van 29 juni 2016 kan weliswaar worden afgeleid dat de plaats waar de huls werd aangetroffen, namelijk rechts naast het rechter hoofdkussen, één van de redenen was op grond waarvan het zelfmoordscenario niet aannemelijk werd geacht, maar uit dat arrest volgt niet dat het moordscenario bewezen werd verklaard en dus de schuld van de verzoeker op een doorslaggevende wijze werd bepaald op grond van de plaats van de aangetroffen huls.
  2. Het komt me dan ook voor dat het eerste novum voornamelijk betrekking blijkt te hebben op de plaats waar de huls werd uitgeworpen, maar daaruit lijken mij geen verdere gevolgtrekkingen te kunnen worden afgeleid. Dit betekent met andere woorden dat het eerste novum louter ertoe zou kunnen leiden dat wordt vastgesteld dat de plaatsbepaling van de huls het zelfmoordscenario niet uitsluit, maar niet dat het moordscenario daardoor minder aannemelijk, laat staan onmogelijk zou worden. Daarenboven blijkt de verzoeker zelf ervan uit te gaan (verzoekschrift, p. 16, nr. 12) dat het totaal onduidelijk is of de bewuste huls al dan niet verplaatst is geweest tussen de interventie van de eerste vaststellers en de vaststellingen van de recherche. Hij verwijst daarbij naar het voormelde onderzoeksrapport van de Vrije Universiteit Amsterdam waarin wordt gesteld dat het op technische gronden hoe dan ook niet te voorspellen is waar een huls kan terechtkomen na het afvuren van een kogel. Uit dit alles volgt mijns inziens dan ook dat, zelfs wanneer op grond van het eerste novum zou vaststaan dat het zelfmoordscenario niet wordt uitgesloten door het uitwerpen van de huls en door de plaats waar de huls werd aangetroffen na het fatale schot, dit gegeven kennelijk niet van aard is dat het een ernstig vermoeden doet ontstaan dat, indien dit bekend zou zijn geweest op het ogenblik van het oordeel over de schuld van de verzoeker, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de verzoeker, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
  3. Het tweede novum heeft betrekking op nieuwe ballistische onderzoeksgegevens waarvan volgens de verzoeker pas na zijn veroordeling in 2016 melding wordt gemaakt in de vakliteratuur, meer bepaald met betrekking tot de morfologie van kruitsporen (GSR), waaromtrent de verzoeker verwijst naar een studie die in 2020 is verschenen in het tijdschrift Forensic Science International: Synergy en een studie die in 2017 is verschenen in het tijdschrift Defence Technology. Deze nieuwe wetenschappelijke inzichten zouden volgens de verzoeker een ander licht kunnen werpen op de morfologie van de partikels die werden aangetroffen op zijn handen en op die van het slachtoffer. De studies die de verzoeker aanhaalt betreffen de analyse van schotresten en moeten volgens hem aantonen dat er een verband zou bestaan tussen de afstand waarop de deeltjes worden waargenomen en de morfologie ervan.
  4. Het komt me voor dat het tweede novum louter speculatief is te meer dat blijkens het arrest van 29 juli 2016 er zowel op de handen van de verzoeker als op die van het slachtoffer enkel minimale sporen van schotresten werden teruggevonden, die daarenboven konden te wijten zijn hetzij aan contaminatie hetzij aan de verspreiding van de resten in de ruime omgeving van de plaats waar het schot afging, zodat ik niet denk dat de aangehaalde gegevens op dat vlak tot nieuwe inzichten of conclusies zouden kunnen leiden. Ik verwijs hier opnieuw naar de motieven die aan de basis liggen van het oordeel over de schuld van de verzoeker en die ik heb aangehaald ter beantwoording van het eerste novum (randnummers 23, 24 en 25). Op grond daarvan doen de in het tweede novum aangehaalde wetenschappelijke studies over schotresidu’s, meer bepaald met betrekking tot het verband tussen de afstand van partikels en de morfologie ervan, kennelijk niet een ernstig vermoeden ontstaan dat, indien die wetenschappelijke inzichten en de mogelijks erdoor te verkrijgen resultaten bekend zouden zijn geweest op het ogenblik van het oordeel over de schuld van de verzoeker, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de verzoeker, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
  5. Het derde novum heeft betrekking op de zakdoek met bloemenmotief die de resterende 11 kogels uit het pistool bevatte en teruggevonden werd in het vriesvak van de koelkast. De verzoeker houdt voor dat een DNA-onderzoek daarop thans nog mogelijk zou zijn en hij verwijst daarvoor naar de bevindingen van deskundige E. J. van 25 januari
  6. Volgens de verzoeker zou een dergelijk DNA-onderzoek twijfel kunnen doen rijzen over zijn schuld en het zelfmoordscenario aannemelijk maken, met name wanneer eruit zou blijken dat op die zakdoek het enkelvoudig DNA-profiel van het slachtoffer zou worden teruggevonden.
  7. De zakdoek met bloemmotief werd teruggevonden in het vriesvak van de koelkast in het appartement waar de feiten zich afspeelden en bevatte de resterende 11 kogels uit de lader van het dienstwapen van de verzoeker. Er kan ter zake worden opgemerkt dat de verzoeker steeds heeft voorgehouden dat hij niet wist waar de overige 11 patronen waren en dat, mochten ze nog in de lader gezeten hebben, hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Met betrekking tot die zakdoek kan echter worden opgemerkt dat zowel in het door de verzoeker aangehaalde onderzoeksrapport van de Vrije Universiteit Amsterdam als in de bevindingen van deskundige E. J. wordt gewezen op de mogelijkheid van niet delict- gerelateerde contaminatie van de zakdoek door DNA van zowel de verzoeker als het slachtoffer gelet op de omstandigheid dat ze beiden in hetzelfde appartement woonden als partners, hetgeen hoogstwaarschijnlijk ook verklaart waarom er destijds niet naar DNA gezocht werd op die zakdoek.
  8. Er wordt in het verzoekschrift ook uitgebreid ingegaan op en geargumenteerd over de zogezegde verdwijning van deze zakdoek in 2021 – ogenblik waarop de verzoeker er een DNA-onderzoek wilde op laten uitvoeren – en het feit dat die zakdoek in het najaar van 2022 op de griffie van het Leuvense justitiepaleis werd teruggevonden. Ter zake kan mijn inziens evenwel worden opgemerkt dat nergens uit blijkt en trouwens dat het ook niet wordt aangevoerd door de verzoeker dat die bewuste zakdoek niet voorhanden zou zijn geweest gedurende de periode die zich uitstrekt tussen de inbeslagneming ervan tot aan de berechting van de zaak en het arrest van 29 juni
  9. Daarenboven dient toch ook te worden vastgesteld dat het tijdens die periode voor de verzoeker mogelijk was om een DNA-onderzoek op de zakdoek te laten uitvoeren of rechtsmiddelen aan te wenden om de uitvoering van dat onderzoek te vorderen, met name op basis van de artikelen 61quinquies of 90undecies Wetboek van Strafvordering, die ten tijde van de feiten in voege waren. Aldus blijkt mijns inziens dan ook niet dat de verzoeker de mogelijkheid van een DNA-onderzoek op de zakdoek niet zou hebben kunnen aantonen ten tijde van het geding, zoals bepaald en vereist in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, zodat we hier niet hebben te maken met een novum.
  10. Het vierde en laatste novum aangevoerd door de verzoeker heeft betrekking op de mogelijkheid en de relevantie van een nieuw DNA-onderzoek op de bestaande stalen van het pistool FN GP en op het opnieuw testen van de patronen. Tijdens het gerechtelijk onderzoek werd door Dr. A. D. van de Universiteit Gent een DNA-onderzoek gedaan waarbij een partieel mengprofiel werd aangetroffen op wisser 2 (slede pistool) en wisser 3 (kolf pistool) en er werd aangetoond dat het DNA-profiel van het slachtoffer teruggevonden werd in deze twee mengprofielen. Er kon evenwel geen DNA-profiel worden opgesteld van de wissers 1 (= loop pistool), 4 (= trekker pistool) en 5 (= lader pistool), noch van de wissers 6 tot en met 16 (= resterende patronen). De verzoeker meent dat er dient te worden overgegaan tot een profilering van zijn DNA, alsook tot een nieuw DNA-onderzoek op de negatieve wissers van de trekker en de lader van het pistool en van de patronen, waarvan tijdens het destijds gevoerde DNA-onderzoek geen profiel kon worden opgesteld, vermoedelijk door de afwezigheid van voldoende intact biologisch materiaal. Volgens de verzoeker blijkt uit de bevindingen van deskundige E. J. van 3 mei 2023 dat er thans gevoeligere DNA-onderzoeken mogelijk zijn zouden zijn
(22).
  1. Dat er geen DNA-profiel werd opgesteld van de verzoeker valt mijns inziens te verklaren door het feit dat het wapen zijn dienstwapen was zodat zijn DNA er uiteraard op zou zitten. Ik meen daarenboven dat het nuttig is hier nogmaals te verwijzen naar het arrest van 29 juni 2016, inzonderheid pagina 7, nr. 3, waaruit blijkt dat het eventuele aantreffen van DNA van het slachtoffer op de kolf van het pistool hoe dan ook niet relevant werd geacht ter ondersteuning van het zelfmoordscenario, omdat contaminatie in dit verband niet valt uit te sluiten. Dezelfde opmerking kan uiteraard worden gemaakt mijns inziens met betrekking tot het mengprofiel aangetroffen op de slede van het pistool. Daarenboven lijkt het mij ook zo te zijn dat zelfs wanneer aan de hand van nieuwe onderzoekstechnieken het mengprofiel op de wisser 3 “kolf pistool” zou kunnen worden geïnterpreteerd naar een eventueel hoofdprofiel en er uiteindelijk toch een DNA-profiel zou kunnen worden opgesteld van de negatieve wissers 1, 4 en 5 met betrekking tot de loop, de trekker en de lader van het pistool, deze gegevens kennelijk niet ertoe zouden kunnen leiden dat een ernstig vermoeden ontstaat dat, indien die gegevens bekend zouden zijn geweest op het ogenblik van het oordeel over de schuld van de verzoeker, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de verzoeker, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
  2. Wat tenslotte de negatieve wissers 6 tot en met 16 betreft, die betrekking hebben op de elf patronen die in het vriesvak van de koelkast werden aangetroffen, blijkt mijns inziens niet dat het aannemelijk is dat thans hiervan een DNA-profiel kan worden opgesteld. Ik denk dat daarbij kan worden verwezen naar het tijdsverloop en de omstandigheden van de verberging van de patronen. Maar meer nog dan dat denk ik dat de aandacht dient gevestigd te worden op de bevindingen van deskundige E.J. van 3 mei 2023 waaruit inderdaad louter blijkt dat het “zeer nuttig (lijkt) om de DNA-isolaten van de “negatieve” wissers, en meer bepaald de contactsporenwissers, alsnog te laten analyseren na kwantificatie” (stuk 5.c bij het verzoekschrift). Tijdens het onderzoek van Dr. A. D. werd vastgesteld (verslag van 2 oktober 2003) dat een DNA-profilering niet mogelijk was bij gebrek aan voldoende intact biologisch materiaal, terwijl de stelling van de verzoeker thans volledig uitgaat van een opeenstapeling van hypotheses, met name: als er thans - 21 jaar later! - wel een DNA-profiel mogelijk is ingevolge de evolutie van de wetenschappelijke technieken, als op die patronen louter het DNA van het slachtoffer zou worden aangetroffen, zou desgevallend daardoor het zelfmoordscenario plausibeler worden en zou dat er kunnen op wijzen dat het slachtoffer de patronen uit het pistool heeft gehaald. Ik herhaal hier nogmaals dat een novum een nieuw gegeven moet zijn, in de zin van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, en niet kan bestaan uit speculaties over de mogelijkheid dat een nieuw gegeven zou kunnen voorhanden zijn wanneer een aantal eventualiteiten en of hypotheses worden verwezenlijkt. Ik denk dat ik hier opnieuw kan verwijzen naar hetgeen uiteengezet werd in de randnummers 23, 24 en 25 met name de uitgebreide schuldmotivering van de assisenjury, waarmee deze hypotheses mijns inziens worden tegengesproken en op losse schroeven gezet.
  3. Er mag daarenboven ook niet uit het oog worden verloren dat deze de patronen gewikkeld waren in een zakdoek en verborgen waren in het vriesvak van de koelkast. Deskundige E. J. zegt daarover in haar bevindingen van 25 januari 2023, waarvan sprake in het derde novum, dat er een mogelijkheid bestaat van uitwisseling van DNA op de zakdoek. Indien een contaminatie mogelijk is op de zakdoek waarin de patronen zijn gewikkeld, lijkt het me evident dat die contaminatiemogelijkheid zich uitstrekt tot die patronen zelf. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat dit het standpunt tegenspreekt van de verzoeker volgens hetwelk er met betrekking tot de patronen maar moeilijk contaminatie kan optreden tussen zijn DNA en dat van het slachtoffer. Bovendien, zoals reeds werd aangehaald, kan uit het bewijsoordeel zoals dit blijkt uit het arrest van 29 juni 2016 worden afgeleid dat de assisenjury in haar bewijsoordeel bijzonder beducht was voor de mogelijkheid van contaminatie van DNA-materiaal. In die omstandigheden blijkt dan ook het voorgestelde onderzoek op de negatieve wissers van de patronen kennelijk geen gegeven in te houden dat een ernstig vermoeden doet ontstaan dat, indien dit gegeven bekend zou zijn geweest op het ogenblik van het oordeel over de schuld van de verzoeker, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de verzoeker, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet. III. CONCLUSIE.
  4. Het komt mij voor dat de aangevoerde nova in wezen geen echte nieuwe gegevens zijn, maar essentieel beogen kritiek uit te brengen op het bewijsoordeel van het hof van assisen in deze zaak. Het is niet omdat de verzoeker uit bepaalde elementen en gegevens andere gevolgtrekkingen afleidt en meent tot een ander oordeel te kunnen komen over de bewijs- en schuldwaardering, dat deze elementen of gegevens ook een novum zouden uitmaken inde zin van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat er met betrekking tot de door de verzoeker aangevoerde gegevens geen voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een grond tot herziening en concludeer derhalve tot de kennelijke ongegrondheid van het verzoek tot herziening. ____________________________________
(1)Cass. 18 juni 2019, AR P.19.0361.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.3, AC 2019, nr. 377.
(2)Cass 10 mei 2022, AR P.22.0196.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.10, AC 2022, nr. 331.
(3)Zie Cass. 30 januari 2007, AR P.06.1390.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070130.2, AC 2006, nr. 55 (verwerping van het cassatieberoep tegen het eerste arrest van veroordeling door het hof van assisen van 26 september 2006).
(4)F. VAN VOLSEM, “Tien jaar toepassing van de heropening van de rechtspleging in strafzaken in België”, in 50 jaar Gerechtelijk Wetboek. Wat nu? Hommage Ernest Krings & Marcel Storme, Brussel, ELS (Larcier) 2018, pp. 669-670, nrs. 21-23.
(5)Wet van 11 juli 2018 houdende diverse bepalingen in strafzaken, BS 18 juli 2018, artikelen 2 tot en met 6.
(6)P. TRAEST, “Is de herziening in strafzaken aan herziening toe?” in F. DERUYCK, E. GOETHALS, L. HUYBRECHTS, J.-F. LECLERCQ, J. ROZIE, M. ROZIE, P. TRAEST en R. VERSTRAETEN (eds.), Amicus Curiae, Liber amicorum Marc De Swaef, Antwerpen, Intersentia 2013, pp. 383-406; P. TRAEST en J. ROELANDT, “Herziening van de herziening anno 2019”, NC 2019/6, pp. 481-508; A. WINANTS, “De rol van het Openbaar Ministerie bij het Hof van Cassatie in strafzaken”, in De cassatieberoepen, B. MAES, F. MOURLON BEERNAERT en S. SONCK (eds.), Larcier Intersentia 2024, pp. 430-432.
(7)P. TRAEST en J. ROELANDT, o.c., pp. 483- 487.
(8)P. TRAEST en J. ROELANDT, o.c., pp. 492- 495.
(9)P. TRAEST en J. ROELANDT, o.c., pp. 495- 506.
(10)HRN 21 juni 2016, ECLI:NL:HR: 2016:1241
(11)Ook in andere zaken werd de herzieningsaanvraag, hoewel geruggensteund door een rapport van de onderzoeksgroep Project Gerede Twijfel, door de HRN verworpen: - HRN 29/03/2016 (ECLI:NL:HR:2016:513); - HRN 28/06/2016 (ECLI:NL:HR:2016:1332): “In zoverre is dus geen sprake van een voor herziening vereist novum maar van een van het oordeel van de Rechtbank afwijkende mening of gevolgtrekking.”- HRN 20/04/2021 (ECLI:NL:HR:2021:626).
(12)Pagina 89 in fine van het verzoekschrift.
(13)A.J.A. VAN DORST, Herziening in strafzaken, Deventer, Wolters Kluwer 2021, inz. over het novum pp. 36-46,
(14)E. LABEY, “Herziening van een strafrechtelijke veroordeling”, in Comm. Straf., Mechelen, Kluwer, pp. 10-11; P. TRAEST en J. ROELANDT, o.c., p. 484, nr. 18 en p. 486, nr. 22.
(15)Parl. St. Kamer, 2017-2018, Memorie van Toelichting, nr. 2969/001, p. 11.
(16)Art. 326, tweede lid, en art. 327, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
(17)De Hoge Raad voor Justitie verdedigde het standpunt van een loutere formele controle maar werd daarin niet gevolgd door de wetgever.
(18)Arrest 29/06/2016, p. 5-6.
(19)Arrest 29 juni 2016, pp. 3-4, nrs. 2.1 en 2.2.
(20)Arrest 29 juni 2016,p. 6, nr. 2.4.
(21)Scenario waarin het slachtoffer enkel dreigde zichzelf door het hoofd te schieten en dit per ongeluk ook is gebeurd. Zie arrest 29 juni 2016, p. 7, nr. 2.6.
(22)De verzoeker poneert dat in het schrijven van deskundige J. wordt gesteld dat een nieuwe doorbraak in DNA-analyses op dat vlak plaatsvond in 2016 en pas in 2022 in België werd geïmplementeerd. Er wordt dienaangaande een passage geciteerd op pagina 109, onderaan het verzoekschrift, waarin die data weliswaar voorkomen, maar die passage lijkt me niet als dusdanig voor te komen in het schrijven van deskundige J., die eerder lijkt te suggereren dat er de laatste 20 jaar een evolutie is geweest in de DNA-techniek die gevoeliger is geworden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250107.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250107.2N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070130.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241119.2N.10 ECLI:NL:HR:2016:1332 ECLI:NL:HR:2016:513 ECLI:NL:HR:2021:626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.