← België

ING BELGIE nv contra GEGEVENSBERSCHERMINGSAUTORITEIT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.2 Rolnummer: C.20.0220.N Zaak: ING BELGIE nv contra GEGEVENSBERSCHERMINGSAUTORITEIT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-02-24 Raadplegingen: 926 - laatst gezien 2026-06-19 02:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.2 Fiche 1 Het Marktenhof oordeelt in het kader van een beroep tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit met volle rechtsmacht; dit impliceert dat het Marktenhof, binnen de grenzen van de devolutieve werking van het beroep, uitspraak doet over alle rechts- en feitelijke vragen zoals zij door de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit werden onderzocht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALLERLEI Vrije woorden: Marktenhof - Beroep tegen beslissing gegevensbeschermingsautoriteit - Volle rechtsmacht Wettelijke bepalingen: Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Fiches 2 - 3 De vaststelling door het Marktenhof van de niet-naleving van de formele motiveringsverplichting door de beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, doet niet af aan zijn bevoegdheid uitspraak te doen over het recht op rectificatie van onjuiste persoonsgegevens aangezien deze bevoegdheid een gebonden bevoegdheid is; de eventuele nietigheid van de beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit wegens miskenning van de formele motiveringsverplichting en de omstandigheid dat het Marktenhof deze nietigheid niet heeft vastgesteld, heeft bijgevolg geen invloed op de wettigheid van de beslissing van het Marktenhof
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALLERLEI Vrije woorden: Marktenhof - Beroep tegen beslissing gegevensbeschermingsautoriteit - Motiveringsgebrek beslissing gegevensbeschermingsautoriteit - Rechtsmacht Marktenhof - Recht op rectificatie Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 16 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Inbreuk op grondbeginselen van bescherming van persoonsgegevens - Gegevensbeschermingsautoriteit - Klacht - Geen verwerking van persoonsgegevens van de klager - Recht op rectificatie - Bevoegdheid van het Marktenhof - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 16 Tekst van de conclusie C.20.0220.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de tweede verweerder zich erover beklaagt dat zijn naam niet correct werd weergegeven op de bankdocumenten van de eiseres, namelijk zonder het vereiste accent aigu. De eiseres stelt dat haar systeem het technisch niet toelaat om het accent te voorzien. De klant legt een klacht neer bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA), die het antwoord van de bank als niet afdoende aanmerkt en een rectificatie beveelt van de weergave van de naam van de klant (dus met accent aigu). De eiseres stelt tegen deze beslissing een verhaal in bij het Marktenhof, die in het bestreden arrest van 9 oktober 2019 het verhaal van de eiseres ongegrond verklaart.
  2. De eiseres komt met drie middelen op tegen dit arrest. 2 Bespreking van de middelen. 2.1 Eerste middel: verhaal tegen beslissingen van de GBA.
  3. De eiseres heeft haar verhaal voor het Marktenhof tegen de beslissing van de GBA ook gericht tegen de klager (tweede verweerder). Het Marktenhof oordeelt dat die vordering tegen de tweede verweerder niet ontvankelijk is. De eiseres voert in het eerste middel aan dat die beslissing een schending uitmaakt van de artikelen 58, eerste lid, 62 § 1, 92 en 108 van de Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA-Wet), en de artikelen 2, 17, 18, 1053 en 1122 van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.).
  4. De visie van de eiseres komt op het eerste zicht zeer aannemelijk voor. Het lijkt evident om het verhaal tegen de beslissing van de GBA ook te richten tegen de klager, omdat de klager betrokken (partij) is, zijn standpunt dan kan laten gelden, belang heeft bij het resultaat van de procedure en er dan (als partij) ook kennis van neemt
(1). 5. De appelrechters oordelen evenwel terecht dat het verhaal voor het Marktenhof tegen een beslissing van de GBA geen ‘gewoon’ beroep is tussen twee partijen, maar strekt tot vernietiging van een administratieve beslissing, niet tot hervorming van een rechterlijke beslissing. Het beroep bij het Marktenhof heeft een objectief karakter. Wat wordt aangevochten in de procedure voor het Marktenhof is de (geldigheid van) de administratieve beslissing van de Geschillenkamer van de GBA. Het objectief karakter van het verhaal beïnvloedt de procespositie van de partijen: anders dan bij een “subjectief contentieux” waar de “eisende” partij de “verwerende” partij aanvalt, wordt hier niet de overheid zelf, in casu de GBA, aangevallen, maar slechts de beslissing/rechtshandeling die zij heeft genomen/gesteld. De GBA is slechts partij in deze procedure omdat zij het best geplaatst is om de wettigheid van de administratieve beslissing te verdedigen
(2). 6. Dit geldt ook bij een annulatieberoep voor de Raad van State: de rechtsvordering voor de Raad van State is niet gericht tegen bepaalde personen of overheden, die de beslissing namen of wier situatie erdoor wordt beïnvloed, maar tegen de bestreden rechtshandeling als zodanig. Het is niet de begunstigde van de bestreden beslissing die als verwerende partij kan optreden, evenmin als een belanghebbende partij die geen administratieve overheid is
(3). 7. Gelet op het objectief karakter van het verhaal bij het Marktenhof, waarbij de administratieve beslissing van de GBA wordt aangevochten, betreft het geen geschil tussen de eiseres en de tweede verweerder. De eiseres heeft in het kader van dit beroep voor het Marktenhof ook geen vordering ingesteld tegen de tweede verweerder. Evenmin hebben de eiseres en de tweede verweerder tegen elkaar geconcludeerd
(4). Bijgevolg lijkt het ‘beroep’ van de eiseres tegen de tweede verweerder niet ontvankelijk te zijn bij gebrek aan belang. 8. Aangezien de GBA geen geschil heeft beslecht tussen de eiseres en de tweede verweerder doch enkel haar bevoegdheid van toezichthoudende autoriteit heeft uitgeoefend overeenkomstig artikel 4, § 1, GBA-Wet door het nemen van een beslissing waarin een inbreuk door de eiseres op artikel 16 Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
(5)werd vastgesteld, dient in het kader van het verhaal tegen deze beslissing enkel de ‘auteur’ van de administratieve rechtshandeling te worden betrokken in de procedure voor het Marktenhof. Een vernietigings- of hervormingsarrest is bovendien bekleed met een gezag van gewijsde erga omnes, wat impliceert dat de bestreden beslissing verdwijnt uit het rechtsbestel, zowel ten aanzien van partijen als ten aanzien van derden
(6). De eiseres was niet verplicht om, overeenkomstig artikel 1053 Ger.W., het beroep te richten tegen alle partijen wier belang in strijd is met haar belang, omdat niet kan worden aangenomen dat het een onsplitsbaar geschil betreft in de zin van artikel 1053 en 31 Ger.W. Er is geen sprake van een onmogelijkheid om tot gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het onsplitsbaar geschil aanleiding geeft, over te gaan. 9. In een arrest van 11 juni 1993 heeft het Hof geoordeeld dat een hoger beroep terecht niet ontvankelijkheid werd verklaard omdat in eerste aanleg geen geschil hangende was en er door de ene partij lastens de andere niets gevraagd of bekomen werd, en omdat in hoger beroep tussen eiser en de tweede verweerder geen geding aanhangig was en het arrest geen veroordeling uitspreekt ten voordele van de ene en ten laste van de andere, het cassatieberoep niet ontvankelijkheid is, maar (wel) kan gelden als vordering tot bindendverklaring
(7). Die redenering zou kunnen worden toegepast op de procedure voor het Marktenhof: hoewel er tussen de eiseres en de tweede verweerder geen geschil hangende is, gelet op het objectief karakter van het beroep en gelet op de vaststellingen dat de eiseres geen vordering instelde tegen de tweede verweerder en deze partijen evenmin hebben geconcludeerd tegen elkaar, kan het ‘beroep’ van de eiseres tegen de tweede verweerder gelden als vordering tot bindendverklaring. Dan nog echter dient te worden vastgesteld dat het Marktenhof het beroep van de eiseres ongegrond heeft verklaard waardoor de eiseres geen belang had bij die vordering (tot bindendverkaring ten aanzien van de tweede verweerder). Hierna wordt geconcludeerd dat het tweede en het derde middel dienen te worden verworpen en het Marktenhof wettig heeft beslist dat het verhaal van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond is wegens schending door de eiseres van artikel 16 AVG. Zelfs al komt het eerste middel gegrond voor, kan het niet tot cassatie leiden van die beslissing, waardoor het eerste middel niet ontvankelijk voorkomt bij gebrek aan belang (zoals ook door de eerste verweerster aangevoerd). 2.2 Tweede middel: geen tegenstrijdige motivering.
  1. Het tweede middel voert een tegenstrijdige motivering aan, namelijk door enerzijds de grief van de eiseres dat haar geen inbreuk kan worden verweten op artikel 12.3 AVG gegrond te verklaren, maar anderzijds in het beschikkend gedeelte het verhaal van de eiseres ongegrond te verklaren. Bijkomend wijst de eiseres op een de foutieve kostenverdeling aangezien ze aldus gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld.
  2. De beslissing om de vordering van de eiseres ongegrond te verklaren steunt op de reden dat artikel 16 AVG is geschonden. In zoverre het middel niet die zelfstandige beslissing bekritiseert, kan het niet tot cassatie leiden en komt het niet ontvankelijk voor.
  3. Het is niet tegenstrijdig, eensdeels, te oordelen dat de eiseres artikel 12.3 AVG niet schond door tijdig te antwoorden op het verzoek tot rectificatie en, anderdeels, te oordelen dat het verhaal van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond is wegens schending van artikel 16 AVG. In zoverre berust het middel op een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag.
  4. De bijkomende grief over de foutieve kostenverdeling is afgeleid van de vorige tevergeefs aangevoerde grief en daarom niet ontvankelijk. 2.3 Derde middel: rechtsmacht van het Marktenhof.
  5. Het derde middel voert de schending aan van de taak van de rechter, door na ambtshalve te hebben vastgesteld dat de bestreden beslissing strijdig is met de Wet van 29 juli 1991, niet wettig te oordelen dat zij daaraan geen gevolgen moeten koppelen omdat eiseres dit middel zelf niet heeft aangevoerd. Het middel roept de vraag op over de draagwijdte van de rechtsmacht van het Marktenhof.
  6. Bij wet van 3 december 2017 werd de GBA opgericht. Deze wet heeft tot doel om de toenmalige Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer te hervormen teneinde deze in overeenstemming te brengen met de AVG, meer bepaald met de artikelen 51 tot en met 59, waarvan artikel 51 onder meer bepaalt: “
  7. Elke lidstaat bepaalt dat één of meer onafhankelijke overheidsinstanties verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de toepassing van deze verordening, teneinde de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens te beschermen en het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie te vergemakkelijken (“toezichthoudende autoriteit”).” Ook artikel 54 AVG bepaalt onder meer: “
  8. Elke lidstaat regelt al het volgende bij wet: a) de oprichting van elke toezichthoudende autoriteit.” Aldus werd de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer omgevormd van een adviesorgaan tot een controle- en sanctie-autoriteit
(8). Uit de memorie van toelichting blijkt dat de structuur van de GBA werd geënt op structuren van onafhankelijke administratieve autoriteiten die vergelijkbare bevoegdheden hebben: de Belgische Mededingingsautoriteit, de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie
(9). De vergelijking met deze diensten werd ook gemaakt bij de verantwoording van het toekennen van rechtspersoonlijkheid
(10), de samenstelling van het directiecomité
(11), de instelling van een geschillenorgaan
(12), de onderzoeksbevoegdheid om personen te verhoren
(13)en de bevoegdheid tot het opleggen van administratieve geldboeten
(14). Aldus bestaat de GBA uit de volgende organen: een directiecomité, een algemeen secretariaat, een eerstelijnsdienst, een kenniscentrum, een inspectiedienst en een geschillenkamer. De Geschillenkamer is, overeenkomstig artikel 32 Wet GBA, het administratief geschillenorgaan van de GBA. Hiermee geeft de wetgever uitvoering aan artikel 57, eerste lid, a), AVG, dat de toezichthoudende autoriteiten de opdracht geeft om de toepassing van de AVG te monitoren en te handhaven. Daartoe kan de GBA gebruik maken van de bevoegdheid om corrigerende maatregelen te nemen, zoals bepaald in artikel 58, tweede lid AVG. De Geschillenkamer kan worden gevat door de eerstelijnsdienst, voor de behandeling van een klacht
(15)-
(16)evenals door de inspectiedienst, ten gevolge van een ambtshalve onderzoek of op verzoek van het directiecomité, een rechterlijke instantie of een administratieve toezichthouder
(17). 16. Artikel 78.1 AVG bepaalt: “Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen”. Tegen beslissingen van de (Geschillenkamer van de) GBA moet een doeltreffende voorziening kunnen worden ingesteld. Dit geldt zowel voor de betrokkene (de klager, in casu tweede verweerder) als voor de verwerkingsverantwoordelijke en verwerker (in casu eiseres). De wetgever heeft in dat verband het Marktenhof aangewezen als (exclusief) bevoegd rechtscollege voor de behandeling van beroepen tegen beslissingen van de GBA
(18). Met de oprichting van het Marktenhof beoogde de wetgever tegen alle economisch-administratieve beslissingen een beroep bij een rechter behorende tot de rechterlijke macht mogelijk te maken
(19). 17. Volgens de parlementaire werken oordeelt het Marktenhof met “volle rechtsmacht.” De vraag stelt zich evenwel wat hieronder moet worden begrepen. De eerste verweerster werpt immers als grond van niet ontvankelijkheid van het derde middel op dat, ondanks de vaststelling door het Marktenhof dat de beslissing van de Geschillenkamer van de GBA prima facie niet lijkt te voldoen aan de formele motiveringsplicht in de zin van de artikelen 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen, het arrest volledig overeind blijft op basis van de eigen redenen waarmee het Marktenhof antwoordt (om het te verwerpen) op het middel van de eiseres, gebaseerd op artikel 16 AVG. Aldus rijst de vraag of het Marktenhof de eigen motieven in de plaats mag stellen van de ontbrekende motieven in de beslissing van de Geschillenkamer van de GBA en of het Marktenhof bijgevolg de beslissing van de Geschillenkamer in die zin mag hervormen in het kader van haar volle rechtsmacht. Het begrip “volle rechtsmacht” heeft geen vaststaande inhoud in het Belgisch recht
(20). Het begrip is ontstaan in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) bij de toetsing van overheidshandelen aan artikel 6 EVRM. Het EHRM heeft reeds meermaals gesteld dat er slechts sprake is van een rechter met volle rechtsmacht, wanneer hij de macht heeft om het voor hem gebrachte geschil in alle aspecten te onderzoeken, zowel wat de feitelijke vragen als wat de rechtsvragen betreft
(21). De concrete invulling die het EHRM geeft aan het begrip “volle rechtsmacht” verschilt echter van zaak tot zaak
(22). Volle rechtsmacht impliceert aldus steeds een toetsing in feite en in rechte en een vernietigingsbevoegdheid, maar gaat niet noodzakelijk gepaard met een verplichting tot hervorming van de bestreden beslissing. De mogelijkheid om de bestreden beslissing na vernietiging ervan te hervormen, wordt geval per geval bekeken
(23). In zijn conclusie bij het cassatiearrest van 3 juni 2011 stelde advocaat-generaal VANDEWAL in het kader van een mededingingsprocedure dat de substitutiemogelijkheid die aan het hof van beroep wordt geboden, hem louter facultatief lijkt te zijn en geen verplichting
(24). Zelfs indien het hof van beroep een hervormingsbevoegdheid heeft, neemt de rechtsleer in het kader van beroepen tegen de beslissingen van regulerende autoriteiten aan dat dit hof een redenering “in twee tijden” moet toepassen. In een eerste fase voert het hof een toets uit in feite en in rechte van de bestreden beslissing, met eerbiediging van de eigen beleidsbevoegdheid van de reguleringsautoriteit. In voorkomend geval zal het hof de bestreden beslissing vernietigen. In een tweede fase gaat het hof, in geval van vernietiging van de bestreden beslissing, geval per geval na of het gerechtigd is zijn eigen appreciatie in de plaats te stellen van die van de reguleringsautoriteit. De hervorming kan hierbij enkel worden uitgesproken indien (a) de reguleringsautoriteit ten gevolge van de vernietiging wettelijk verplicht is om deze beslissing te nemen, zodat zij over geen enkele beoordelingsmarge beschikt; (b) het hof van beroep de grenzen van de bevoegdheid van de reguleringsautoriteit kan respecteren en (c) het hof de formaliteiten waaraan de beslissingneming van deze autoriteit is onderworpen, kan eerbiedigen
(25). 18. De rechtsleer benadrukt dat de mogelijkheid om de bestreden beslissing na vernietiging te hervormen, beoordeeld moet worden in functie van de beleidsvrijheid van de reguleringsautoriteit. Indien het hof de uitoefening van een beleidsbevoegdheid toetst, zal het de bestreden beslissing enkel kunnen vernietigen
(26). Het Hof oordeelde reeds meermaals dat het hof van beroep te Brussel in het kader van zijn exclusieve bevoegdheden bij de beoordeling van een beslissing van de Raad voor de Mededinging zijn beslissing in de plaats kan stellen van die Raad
(27), evenals bij de beoordeling van een beslissing van de Conferentie van Regulatoren voor de Elektronische Communicatiesector (CRC)
(28). Aangezien de wetgever zich voor wat betreft de structuur van de Gegevensbeschermingsautoriteit, het toekennen van rechtspersoonlijkheid, de samenstelling van het directiecomité, de instelling van een geschillenorgaan, de onderzoeksbevoegdheid om personen te verhoren en de bevoegdheid tot het opleggen van administratieve geldboeten en de bevoegdheid van het Marktenhof heeft laten inspireren door de regelgeving die geldt in andere, gespecialiseerde materies, waarin eveneens sprake is van volle rechtsmacht van het hof van beroep te Brussel, zoals dat ook hier het geval is zoals blijkt uit de parlementaire werken, dient ook voor wat betreft de bevoegdheid van het Marktenhof bij de beoordeling van beslissingen van de GBA te worden aangenomen dat ook daarin het Marktenhof over een hervormingsbevoegdheid beschikt. 19. De beslissing waarbij de Geschillenkamer van de GBA beslist dat de tweede verweerder recht heeft op rectificatie in de zin van artikel 16 AVG en dat de eiseres een inbreuk heeft gepleegd op dit artikel, is gegrond op een gebonden bevoegdheid van de GBA. Artikel 16 AVG bepaalt het volgende: “De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken”. De weergave van de familienaam van de tweede verweerder door de eiseres is onjuist. Het Marktenhof stelt op pagina 17 van het arrest terecht dat de bewoordingen van artikel 16, eerste zin AVG geen ruimte laten om de ‘redelijkheid’ van een rectificatieverzoek te beoordelen. In dat verband stelt ook auteur DE BOT dat dit recht op rectificatie van onjuiste persoonsgegevens onvoorwaardelijk is, in die zin dat het niet moet worden beoordeeld in functie van de doeleinden van de verwerking
(29). De inwilliging van het rectificatieverzoek van de tweede verweerder hangt bijgevolg af van het al dan niet voldaan zijn van de voorwaarden daartoe. In toepassing daarvan heeft het Marktenhof vastgesteld dat de schrijfwijze van de familienaam valt onder het begrip “persoonsgegevens” in de zin van artikel 4.1 AVG en dat de maatstaf om de correcte schrijfwijze van een familienaam te bepalen, de officiële schrijfwijze is van deze naam, zoals dat blijkt uit het rijksregister. Aangezien de eiseres de familienaam heeft verwerkt zonder rekening te houden met de “é” in zijn familienaam, was de tweede verweerder gerechtigd om een onverwijlde rectificatie van deze onjuist gespelde familienaam te vragen. 20. Op grond van zijn volle rechtsmacht, heeft het hof van beroep te Brussel de praktijk ontwikkeld die erin bestaat dat het de motieven van de beroepen beslissing vervangt door de eigen motieven, inzonderheid bij procedure/vormgebreken waarmee de beslissing behept is, zoals de schending van de rechten van de verdediging of het gebrek aan motivering van de bestreden beslissing. In dat geval overweegt het hof van beroep doorgaans dat, zelfs indien deze vormgebreken worden vastgesteld, ze niet kunnen leiden tot de vernietiging van de beroepen beslissing in de mate dat de eiser al zijn argumenten kan ontwikkelen in het kader van de procedure voor het hof van beroep, waarbij het hof (van beroep) alle punten in feite en in rechte van de beroepen beslissing kan hervormen
(30). 21. Hoewel auteur TATON kritiek
(31)heeft geuit op deze werkwijze van het hof van beroep, lijkt deze werkwijze ook de toets van uw Hof te hebben doorstaan, althans in het kader van de beoordeling van een beslissing van de CRC op grond van artikel 5, derde lid Samenwerkingsakkoord van 17 november 2006 tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franstalige Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap betreffende het wederzijds consulteren bij het opstellen van regelgeving inzake elektronische communicatienetwerken, het uitwisselen van informatie en de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot elektronische communicatienetwerken door de regulerende instanties bevoegd voor telecommunicatie of radio-omroep en televisie, dat bepaalt dat tegen alle beslissingen van de Conferentie van Regulatoren voor de elektronische Communicatiesector
(32). Deze rechtspraak lijkt mij ook te kunnen worden toegepast op de bestreden beslissing van het Marktenhof. 22. Ook indien het Marktenhof zou hebben vastgesteld dat de beslissing van de Geschillenkamer van de GDA nietig was wegens miskenning van de formele motiveringsverplichting, had het zich moeten uitspreken over het recht op rectificatie van de tweede verweerder overeenkomstig artikel 16 AVG. Een dergelijke nietigheidsbeslissing zou geen afbreuk gedaan hebben aan de wettigheid van de beslissing van het Marktenhof dat de eiseres een inbreuk pleegde op artikel 16 AVG. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is daarom niet ontvankelijk. Besluit: verwerping. ______________________________________
(1)Zie bijvoorbeeld de parallel met de voorlopig bewindvoerder, de vereffenaar of schuldbemiddelaar als ‘noodzakelijk en onontbeerlijke partij’ in de conclusie van advocaat-generaal R. MORTIER, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.3, bij Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0506.N, AC 2019, nr. 148, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.3.
(2)Vgl. CERFONTAINE J., “Verhaalmiddelen tegen beslissingen van de CBFA” in X., Van alle markten. Liber amicorum Eddy Wymeersch, 150, nr. 2; TATON X., “Les recours juridictionnels en matière de régulation”, Brussel, Larcier 2010, 114-115, nr. 106.
(3)MAST A., DUJARDIN J., VAN DAMME M. en VANDE LANOTTE J., “Overzicht van het Belgisch administratief recht”, Mechelen, Kluwer 2017, 1435 (voetnoot 735); STEVENS R. en DIDDEN K., “Raad van State. I. Afdeling bestuursrechtspraak. 2. Het procesverloop”, Brugge, die Keure 2018, 47, nr. 65 en 57, nr. 76.
(4)Vgl. Cass. 9 maart 2007, RABG 2007, 1164, met noot van S. BERNEMAN.
(5)Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, Pb.L. 4 mei 2016, afl. 119, 1, err. Pb.L. 23 mei 2018, afl. 127, 2.
(6)Vgl. TATON X., “Les recours objectifs de pleine juridiction et les pouvoirs limités du juge judiciaire”, TBH 2005, 805, nr. 11; TATON X., “Les recours juridictionnels en matière de régulation”, Brussel, Larcier 2010, 115 en 212-222. Vgl. In verband met de gevolgen van een vernietigingsarrest van de Raad van State: OPDEBEEK I. en DE SOMER S., “Algemeen bestuursrecht. Grondslagen en beginselen”, Antwerpen-Cambridge, Intersentia 2019, 614
(7)Cass. 11 juni 1993, AR 7938, AC 1993, nr. 279, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930611.7.
(8)Parl.St., Kamer, Doc. 54-2648/001, 3.
(9)Parl.St., Kamer, Doc. 54-2648/001, 16.
(10)Parl.St., Kamer, Doc. 54-2648/001, 12: “De vergelijkbare onafhankelijke administratieve autoriteiten zoals de Belgische Mededingingsautoriteit, de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas en het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie hebben allemaal rechtspersoonlijkheid”.
(11)Parl.St., Kamer, Doc. 54-2648/001, 18.
(12)Parl.St., Kamer, Doc. 54-2648/001, 26-27.
(13)Parl.St., Kamer, Doc. 54-2648/001, 46-47.
(14)Parl.St., Kamer, Doc. 54-2648/001, 52: “Met de bevoegdheid tot het opleggen van administratieve geldboeten bij de vaststelling van inbreuken op de wetgeving waarop het toezicht dient te houden sluit de Gegevensbeschermingsautoriteit zich aan bij andere administratieve toezichthouders zoals de FSMA, de Mededingingsautoriteit, het BIPT of nog de CREG.
(15)Art. 92, 1° GBA-Wet.
(16)De “klager” beschikt, naast de mogelijkheid om een klacht neer te leggen bij de GBA ook over de mogelijkheid om een vordering tot staking in te stellen bij de rechtbank om de inbreuk te laten ophouden (art. 79 AVG en artikel 209-219 Wet Gegevensbescherming) evenals om een schadeclaim in te dienen bij de rechtbank (art. 82.1 AVG). Zie hierover ook: D. DE BOT, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegegensbeschermingsautoriteit, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium 2020, 1138 e.v. en 1155 e.v.
(17)Art. 92, 3° GBA-Wet jo. art. 63, 1°, 5° en 6° GBA-Wet.
(18)Art. 108, § 1, eerste zin GBA-Wet.
(19)BS 30 december 2016 (de zgn. Potpourri IV-wet). Artikel 59 van deze wet vult artikel 101, § 1 Ger.W. aan met een vierde lid dat het volgende bepaalt: “In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen een sectie, Marktenhof genoemd”.
(20)D. DE BOT, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium 2020, 1129; J. CERFONTAINE, “Verhaalmiddelen tegen beslissingen van de CBFA” in X., Van alle markten. Liber amicorum Eddy Wymeersch, 171; VAN DE WEYER P.-J., Vereiste van volle rechtsmacht in de zin van artikel 6 EVRM in bestuursrechtelijke geschillen, doctoraatsthesis, Leuven, 615p., https://bib.kuleuven.be/sbib/onderzoeksondersteuning/lirias.
(21)Zie de verwijzingen in de concl. van advocaat-generaal H. VANDERLINDEN, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170911.4, nr. 12, bij Cass. 11 september 2017, AR S.16.0057.N, AC 2017, nr. 461, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170911.4.
(22)VANDAELE, A., De volle rechtsmacht bij de beoordeling van bestuurshandelingen, Brugge, die Keure 2014, 32.
(23)L. DE DEYNE, Markttoezicht in de energiesector, Antwerpen – Cambridge, Intersentia 2017, 464.
(24)Concl. van advocaat-generaal VANDEWAL, ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110603.1, bij Cass. 3 juni 2011, AR C.09.0227.N, AC 2011, nr. 374, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1.
(25)SCHURMANS, C. en TATON, X, “Questions actuelles de procédure en droit de la concurrence. A la recherche d’un système cohérent entre l’autorité de concurrence et l’ordre judiciaire” in A. PUTTEMANS (ed.), Actualité du droit de la concurrence, Brussel, Bruylant 2007, 65-66, nr. 50; TATON X., Les recours juridictionnels en matière de régulation, Brussel, Larcier 2010, 210, nr. 224 ; TATON X., Le droit européen des recours juridictionnels en matière de régulation: un recul de l’autonomie procédurale des Etats membres”, Journal de droit européen 2011, 161, nr. 23; zie concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL, ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110603.1, bij Cass. 3 juni 2011, AR C.09.0227.N, AC 2011, nr. 374, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1.
(26)GILLIAMS H., “Hoofdstuk 2. ‘Volle rechtsmacht’ en de rol van het hof van beroep in de toepassing van het mededingingsrecht” in X., Liber Amicorum Jules Stuyck, Mechelen, Kluwer 2013, 331, nr. 74.
(27)Cass. 12 september 2019, AR C.18.0250.N, AC 2019, nr. 453, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.1, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.1; Cass. 3 juni 2011, AR C.09.0227.N, AC 2011, nr. 374, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1.
(28)Cass. 23 maart 2017, AR C.15.0498.F, AC 2017, nr. 206, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170323.3; In dit arrest oordeelde het Hof onder meer dat het hof van beroep, op grond van zijn volheid van rechtsmacht, de beslissingen van de CRC kan vernietigen en wijzigen, uitspraak kan doen over de grond van het geschil door de externe en de interne wettigheid van die beslissingen te toetsen en door na te gaan of ze in feite gegrond zijn, of ze voortvloeien uit correcte juridische kwalificaties en of ze niet kennelijk buiten verhouding staan tot de gegevens die aan de CRC zijn voorgelegd, maar dat het geen standpunt kan innemen op het vlak van de opportuniteit (vierde middel, tweede onderdeel).
(29)D. DE BOT, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium 2020, 706.
(30)Zie bijvoorbeeld: Brussel 18 juni 2004, Brussel 18 juni 2004, TBH 2005/8, www.jurisquare.be. Zie ook: TATON X., “Le droit européen des recours juridictionnels en matière de régulation: un recul de l’autonomie procédurale des Etats membres”, Journal de droit européen 2011, 161, nr. 24 en de verwijzingen in voetnoot 77.
(31)TATON X., Les recours juridictionnels en matière de régulation, Brussel, Larcier 2010, 203-204, nr. 212; TATON X., “Le droit européen des recours juridictionnels en matière de régulation: un recul de l’autonomie procédurale des Etats membres”, Journal de droit européen 2011, 161, nr. 23. De auteur wijst er daarbij vooreerst op dat het niet zeker is dat het devolutief karakter van het objectief beroep de bevoegdheid voor het hof van beroep meebrengt om over te gaan tot een substitutie van motieven. Wat dat betreft wijst de auteur erop dat de Raad van State een substitutie van motieven in de regel niet toelaat bij objectieve beroepen. Vervolgens kunnen vragen worden gesteld bij de substitutie van motieven indien de reguleringsautoriteit beschikt over een discretionaire bevoegdheid, meer bepaald wat betreft de scheiding der machten. Evenwel, uit wat eerder werd uiteengezet, blijkt dat het in casu lijkt te gaan om een gebonden bevoegdheid van de Geschillenkamer. Bovendien bestond er in casu betwisting over de inbreuk op artikel 16 AVG door de eiseres, zodat het Marktenhof gebleven is binnen de grenzen van zijn saisine en het beschikkingsbeginsel niet heeft geschonden. Zie daarnaast tevens, contra het standpunt van TATON: S. BOULLART, “De ene volle rechtsmacht is de andere niet: over volle en minder volle rechtsmacht” in S. LUST en M. NIHOUL (ed.), 10 jaar CDPK – Publiekrecht over de drempel van het millenium, Brugge, Vanden Broele 2007, 262 en de daar aangehaalde rechtspraak van de Raad van State in verband met de schending van de formele motiveringsverplichting in het kader van het contentieux van de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij de Raad van State beschikt over volle rechtsmacht. Zie ook de verwijzing door BOULLART op dezelfde pagina naar Cass. 27 juni 2005, AR S.04.0187.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050627.3, AC 2005, nr. 376, waar het Hof overweegt: “Dat de rechter een toezicht met volle rechtsmacht uitoefent op de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, hetgeen hem toelaat in de beoordeling van de feiten te treden en uitspraak te doen over het recht op bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening. (…) Dat ook indien het arbeidshof de beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder nietig zou hebben bevonden wegens miskenning van de formele motiveringsverplichting, het zich had dienen uit te spreken over de rechten van eiser in overeenstemming met de wettelijke bepalingen inzake het bestaansminimum en de maatschappelijke dienstverlening; Dat de eventuele nietigheid van de beslissingen van het bijzonder comité voor sociale bijstand van verweerder wegens miskenning van de formele motiveringsverplichting en de omstandigheid dat het arbeidshof deze nietigheid niet heeft vastgesteld, geen invloed hebben op de wettigheid van de beslissing van het arbeidshof dat eiser geen aanspraak kon maken op het gevorderde; Dat derhalve het middel, dat enkel steunt op de schending door het bijzonder comité voor sociale bijstand van de formele motiveringsverplichting, opgelegd door de Wet Motivering Bestuurshandelingen en door artikel 62bis, tweede lid, van de OCMW-wet, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is”;
(32)Cass. 23 maart 2017, AR C.15.0498.F, AC 2017, nr. 206, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170323.3. In die zaak ging het over de miskenning van het recht op toegang/inzage tot/in het administratief dossier. Hierbij kan nog worden gewezen op artikel 4 van de richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn), dat een doeltreffend verhaalmechanisme tot doel heeft om de praktijken van bepaalde nationale beroepsinstanties, die er zich toe beperkten om de beslissing van de nationale regelgevende autoriteit vernietigden wegens proceduregebreken, zonder de grond van de zaak te onderzoeken, in te dijken. Overeenkomstig deze moeten de beroepsinstanties de grond van de zaak kunnen onderzoeken. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930611.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050627.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110603.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170323.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170911.4 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170911.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.1 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.