id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.4 Rolnummer: C.22.0110.N Zaak: GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT c. BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2025-02-25 Raadplegingen: 1193 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.4 Fiches 1 - 2 Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dat de toepassing van een nationale regel inzake rechtsmisbruik geen afbreuk mag doen aan de volle werking en de eenvormige toepassing van de Uniebepalingen in de lidstaten; in het bijzonder mogen de nationale rechterlijke instanties bij de beoordeling van de uitoefening van een uit een Uniebepaling voortvloeiend recht de strekking van deze bepaling niet wijzigen noch de daardoor nagestreefde doelstellingen in gevaar brengen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Rechtsmisbruik - Unirechtelijk begrip - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Vrije woorden: Internrechtelijk begrip - Toepassing op Uniebepalingen - Voorwaarde Fiches 3 - 4 Het recht van iedere betrokkene om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, hij zijn werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat een inbreuk is begaan op de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens, kan worden onderworpen aan het nationaalrechtelijk verbod van rechtsmisbruik
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Klacht - Gegevensbeschermingsautoriteit - Verbod van rechtsmisbruik Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 77.1 Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Vrije woorden: Klacht inbreuk verwerking persoonsgegevens - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 77.1 Fiche 5 Het Marktenhof oordeelt in het kader van een beroep tegen een beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit met volle rechtsmacht; dit impliceert dat het Marktenhof, binnen de grenzen van de devolutieve werking van het beroep, uitspraak doet over alle rechts- en feitelijke vragen zoals zij door de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit werden onderzocht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALLERLEI Vrije woorden: Marktenhof - Beroep tegen beslissing gegevensbeschermingsautoriteit - Volle rechtsmacht Wettelijke bepalingen: Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Tekst van de conclusie C.22.0110.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering. 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres op 6 februari 2020 een klacht ontving tegen verweerder. De klaagster was als boekhouder vermeld in diverse fiscale onderzoeken over belastingontduiking. Zij werd in deze dossiers vermeld als ‘stroman’. Op 18 juli 2019 heeft zij bij verweerder een verzoek ingediend tot informatie, inzage, rectificatie en beperking van de verwerking van persoonsgegevens. Op 21 augustus 2019 vond er een inzage plaats. Op 8 augustus 2019 heeft de klaagster een hernieuwd verzoek ingediend dat op 28 oktober 2019 werd afgewezen. Naar aanleiding van deze verzoeken, en de reactie erop, werd de klacht ingediend bij de eiseres (de Gegevensbeschermingsautoriteit -GBA). Op 20 februari 2020 werd de klacht ontvankelijk verklaard. Bij beslissing van 4 juni 2021 werd een berisping geformuleerd ten aanzien van de Belgische Staat voor inbreuken op de artikelen 11, 11/1, 11/2 en 11/3, § 2, juncto 3 van de wet van 3 augustus 2012 en de artikelen 14, 15, 16 en 18 Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
(1)wegens het niet inlichten van de klaagster omtrent de opheffing van de ingeroepen afwijkingen en het geen gevolg geven aan de verzoeken tot uitoefening van de rechten van de betrokkene. Tevens werd bevolen te voldoen aan de verzoeken van de klaagster. Op 5 juli 2021 heeft de verweerder beroep ingesteld bij het Marktenhof. Bij tussenarrest van 16 juli 2021 werd het verzoek van verweerder verworpen om de voorlopige uitvoerbaarheid van de beslissing op te heffen. In het bestreden eindarrest wordt het beroep ontvankelijk en gegrond verklaard. De bestreden beslissing wordt vernietigd en eiseres wordt verwezen in de gerechtskosten.
- Tegen dit arrest komt de eiseres op met twee middelen tot cassatie. 2 Bespreking van de middelen. 2.1 Eerste middel – eerste onderdeel.
- De GBA voert aan dat iedere betrokkene over een objectief klachtrecht beschikt waarbij diens achterliggende intenties niet relevant zijn, zelfs niet als de klacht rechtsmisbruik inhoudt. Door te oordelen dat de klacht, die erop gericht is om informatie te bekomen en te laten wissen van een fiscaal dossier, misbruik uitmaakt van het klachtenrecht omdat het wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor het klachtenrecht bedoeld is, namelijk het stoppen van een inbreuk op de AVG, meent de eiseres dat het Marktenhof artikel 77.1 AVG, artikel 54 HGEU, en het algemeen rechtsbeginsel dat misbruik van recht verbiedt schendt, voor zoveel als nodig in samenhang gelezen met artikel 288, tweede lid VWEU.
- Artikel 54 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voorziet in een verbod op rechtsmisbruik
(2), maar lijkt hier niet toepasselijk omdat de uitoefening door de klaagster van het klachtenrecht in artikel 77.1 AVG er niet op gericht lijkt te zijn om “de in dit Handvest erkende rechten of vrijheden teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan door dit Handvest is toegestaan”
(3). Daarnaast maakt het verbod op misbruik van recht sinds lange tijd deel uit van de algemene beginselen van het Unierecht en is het een autonoom Unierechtelijk begrip. Rechtsmisbruik vereist enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat, in weerwil van de formele naleving van de door Unieregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat
(4). 5. Het arrest lijkt enkel toepassing te maken van het nationaalrechtelijk verbod op rechtsmisbruik, ook al citeren de appelrechters artikel 54 van het Handvest van de Grondrechten van de EU op pagina 30 van het bestreden arrest. Volgens vaste rechtspraak van het Hof bestaat rechtsmisbruik in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon
(5). Een dergelijk misbruik kan ook bestaan in de aanwending van rechtsregels of rechtsinstellingen in strijd met het doel waarvoor ze zijn ingesteld
(6). Het Hof van Justitie van de Europese Unie is van oordeel dat een nationale regel inzake rechtsmisbruik geen afbreuk mag doen aan de volle werking en uniforme toepassing van de Uniebepalingen. De nationale rechterlijke instanties mogen bij de beoordeling van de uitoefening van een uit een Uniebepaling voortvloeiend recht de strekking van deze bepaling niet wijzigen noch de daardoor nagestreefde doelstellingen in gevaar brengen
(7). Indien aan deze voorwaarde is voldaan, belet niets dat het klachtenrecht voorzien in artikel 77.1 AVG wordt onderworpen aan het algemeen rechtsbeginsel van rechtsmisbruik. Het eerste onderdeel dat lijkt uit te gaan van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. 2.2 Eerste middel – tweede onderdeel.
- Zelfs indien het klachtenrecht onderworpen is aan het verbod op rechtsmisbruik, meent de eiseres dat het haar niet toekomt ambtshalve en stelselmatig de eventuele verborgen motieven van de klager te achterhalen teneinde na te gaan of mogelijks sprake is van rechtsmisbruik.
- Het onderdeel gaat ervan uit dat het Marktenhof de beslissing van de Geschillenkamer vernietigt enkel omdat niet de werkelijke beweegreden van de klaagster werd onderzocht. Het komt me voor dat de bestreden beslissing steunt op de overwegingen die de zelfstandige reden uitmaken dat de klaagster misbruik pleegde van haar klachtenrecht. Het onderdeel gericht tegen een overtollige reden kan niet tot cassatie leiden en komt niet ontvankelijk voor.
- Voor zoveel als nodig kan worden gewezen op de wetsgeschiedenis van artikel 108, § 1, GBA-Wet
(8)waaruit blijkt dat het Marktenhof in het kader van een beroep tegen een beslissing van de Geschillenkamer oordeelt met volle rechtsmacht. Het Marktenhof kan binnen de grenzen van de devolutieve werking van het verhaal uitspraak doet over alle rechts- en feitelijke vragen zoals zij door de Geschillenkamer werden onderzocht
(9). 2.3 Eerste middel - derde onderdeel.
- Het derde onderdeel verwijt het Marktenhof ten onrechte een motiveringsgebrek gegrond te hebben verklaard, hoewel de Geschillenkamer de betrokken grief wel heeft beantwoord.
- Het onderdeel doet geen afbreuk aan de beslissing tot vernietiging van de beslissing van de Geschillenkamer om reden dat de klaagster misbruik heeft gemaakt van het klachtenrecht. Het onderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden en komt niet ontvankelijk voor bij gebrek aan belang. 2.4 Tweede middel in zijn geheel.
- Het eerste onderdeel voert de schending aan van de artikelen 12.3 en 12.4 AVG, voor zoveel als nodig in samenhang gelezen met de artikelen 15, 16 en 17 AVG en met artikel 288, tweede lid VWEU. Het Marktenhof zou deze bepalingen schenden door de vastgestelde inbreuk op de artikelen 12.3 en 12.4 AVG te verwerpen, na nochtans te hebben vastgesteld dat het verzoek van de klaagster niet enkel strekte tot inzage maar ook tot rectificatie en gegevenswissing, en zonder dat uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat enig gevolg werd gegeven aan de verzoeken tot rectificatie en gegevenswissing noch dat aan de klaagster werd meegedeeld waarom deze verzoeken zonder gevolg zijn gebleven, zoals nochtans vereist door deze artikelen.
- Het tweede onderdeel voert aan dat het Marktenhof ambtshalve heeft besloten dat “de beslissing die voorhoudt dat (verweerder) de termijnen van de artikelen 12.3 en 12.4 AVG niet heeft gerespecteerd (...) niet naar recht verantwoord (is)”, zonder daartoe de debatten te hebben heropend zodat zij het recht van verdediging van de eiseres hebben miskend (schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, voor zoveel als nodig in samenhang gelezen met artikel 774, tweede lid Ger.W.).
- Ook deze beide onderdelen lijken op te komen tegen overtollige redenen die geen afbreuk doen aan de beslissing tot vernietiging van de beslissing van de Geschillenkamer om reden dat de klaagster misbruik heeft gemaakt van het klachtenrecht. De beide onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden en komen niet ontvankelijk voor bij gebrek aan belang. Besluit: verwerping. ____________________________________
(1)Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, Pb.L. 4 mei 2016, afl. 119, 1, err. Pb.L. 23 mei 2018, afl. 127, 2.
(2)Over het verband tussen artikel 54 van het Handvest van de grondrechten van de EU en het algemeen Unierechtelijk beginsel van het verbod op rechtsmisbruik, zie: SZPUNAR, M. conclusie bij HvJ 18 oktober 2018, C-149-17, ro 43-44: indien bijgevolg niet voldaan is aan de voorwaarden van het voormelde artikel 54, kan worden teruggevallen op het algemeen Unierechtelijk beginsel van het verbod op rechtsmisbruik. Artikel 54 lijkt aldus een specifieke toepassing te vormen van het algemeen Unierechtelijk beginsel van het verbod op rechtsmisbruik. Zie ook: DUBOUT E., “Interdiction de l’abus de droit” in PICOD F., RIZCALLAH, C. en VAN DROOGHENBROECK S. (eds.), Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne. Commentaire article par article, reeks ‘Collection droit de l’Union européenne – Textes et commentaires’, Brussel, Bruylant 2019, 1346-1347, nr. 4 en 1368-1372, nrs. 30-37.
(3)SZPUNAR wijst er in zijn conclusie (nr. 43) bij het arrest van het Hof van Justitie van 18 oktober 2018 (C-149/17) op dat dit artikel hoofdzakelijk betrekking heeft op handelingen die, onder het mom van de in het Handvest erkende rechten, er in werkelijkheid op gericht zijn de grondrechten te bestrijden en teniet te doen; zie ook: DUBOUT E., “Interdiction de l’abus de droit” in PICOD F., RIZCALLAH C. en VAN DROOGHENBROECK S. (eds.), Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne. Commentaire article par article, reeks ‘Collection droit de l’Union européenne – Textes et commentaires’, Brussel, Bruylant 2019, 1353, nr. 13, 1364, nr. 25 en 1372, nr. 37: “L’article 54 limite l’abus aux seules hypothèses de destruction des droits et libertés ou de limitations supplémentaires (…)”). Verder is niet duidelijk of het objectief en subjectief element toepassing vinden in het kader artikel 54 van het Handvest (al lijkt het wel logisch dat deze elementen ook toepassing vinden in het kader van artikel 54) en hoe deze elementen desgevallend zullen worden ingevuld door het Hof van Justitie (vgl. DUBOUT E., “Interdiction de l’abus de droit” in PICOD F., RIZCALLAH C. en VAN DROOGHENBROECK S. (eds.), Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne. Commentaire article par article, reeks ‘Collection droit de l’Union européenne – Textes et commentaires’, Brussel, Bruylant 2019, 1364, nr. 25 en 1367, nr. 28).
(4)Vgl. SZPUNAR, M., conclusie bij HvJ 1 augustus 2022, C-411/20, ro 94 en de verwijzingen in voetnoot 71. Zie ook: HvJ 26 februari 2019, C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, ro 124; DUBOUT E., “Interdiction de l’abus de droit” in PICOD F., RIZCALLAH C. en VAN DROOGHENBROECK S. (eds.), Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne. Commentaire article par article, reeks ‘Collection droit de l’Union européenne – Textes et commentaires’, Brussel, Bruylant 2019, 1360, nr. 20; A. LENAERTS, “Over de algemene rechtsbeginselen Fraus omnia corrumpit en het verbod op rechtsmisbruik: een zoektocht naar hun onderlinge afbakening in het privaatrecht”, TBBR 2015, 9, nr. 13 en 18-19, nrs. 33-36.
(5)Cass. 20 januari 2023, AR C.22.0069.N, AC 2023, nr. 59, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.10; Cass. 20 januari 2023, AR C.21.0499.N, AC 2023, nr. 56 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.2; Cass. 3 februari 2017, AR C.16.055.N, AC 2017, nr. 82, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170203.1, TBH 2018, 579 met noot STRUYVEN H.; Cass. 1 oktober 2010, AR C.09.0565.N, AC 2010, nr. 571, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.4; Cass. 8 februari 2010, AR C.09.0416.F, AC 2010, nr. 89, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100208.4; Cass. 9 maart 2009, AR C.08.0331.F, AC 2009, nr. 182, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090309.9; Cass. 12 december 2005, AR S.05.0035.F AC 2005, nr. 664, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051212.6.
(6)Cass. 15 februari 2019, AR C.18.0428.N, AC 2019 nr. 96, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190215.2, T.Fam. 2019, 249, met noot M. MEIRLAEN; Rev.trim.dr.fam. 2021, 1127 met noot A. VAN GYSEL; Zie ook Cass. 28 september 2018, AR C.18.0058.N, AC 2018, nr. 512, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180928.4; Cass. 13 juni 2024, AR C.23.0223.N, AC 2024, nr. 454, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240613.1N.9.
(7)HvJ 12 mei 1998, C-367/96 Kefalas e.a., met conclusie AG G. TESAURO (ro 19-22); HvJ 23 maart 2000, C-373/97, Diamantis, met conclusie AG SAGGIO (ro 34). Zie ook: LENAERTS A., Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Brugge, die Keure 2013, 406-407, nr. 353.
(8)Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
(9)Vgl. Cass. 12 september 2019, AR C.18.0250.N, AC 2019, nr. 453, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.1, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.1. Artikel 1068 Ger.W. is in casu niet toepasselijk omdat het Marktenhof uitspraak doet in eerste en laatste aanleg over de beslissing van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zijnde een administratieve toezichthoudende autoriteit (in tegenstelling tot de Raad voor de Mededinging, die een administratief rechtscollege
- is)(zie hierover: TATON X., Les recours juridictionnels en matière de régulation, Brussel, Larcier 2010, 107, 114 (nr. 106), 140 (nr. 141)). PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.4 Gerelateerde publicatie(
- s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051212.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090309.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100208.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170203.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180928.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190215.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.1 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240613.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div