← België

GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT contra HITT bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.5 Rolnummer: C.21.0449.N Zaak: GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT contra HITT bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-02-25 Raadplegingen: 878 - laatst gezien 2026-06-18 20:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.5 Fiche 1 Opdat een partij op ontvankelijke wijze beroep kan instellen bij het Marktenhof tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, is vereist dat deze beslissing haar nadeel toebrengt; bijgevolg heeft een partij geen belang om beroep in te stellen bij het Marktenhof tegen een beslissing van de geschillenkamer die de klacht tegen deze partij seponeert

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Vrije woorden: Marktenhof - Beroep tegen seponeringsbeslissing gegevensbeschermingsautoriteit - Belang Wettelijke bepalingen: Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Fiche 2 De voorzitter van de ondernemingsrechtbank die uitspraak doet zoals in kort geding, het bestaan vaststelt en de staking beveelt van een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad, doet uitspraak ten gronde en zijn uitspraak heeft gezag van gewijsde in de zin van de artikelen 23 tot en met 27 Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALLERLEI Vrije woorden: Marktpraktijken - Vordering tot staking - Voorzitter ondernemingsrechtbank - Kortgeding - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XVII.1 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XVII.6 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 Een derde kan zich ten aanzien van haar wederpartij, die de hoedanigheid van procespartij heeft in een andere gerechtelijke beslissing, beroepen op deze gerechtelijke beslissing als weerlegbaar feitelijk vermoeden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - ALLERLEI Vrije woorden: Bewijswaarde beslissing ten aanzien van een derde - Weerlegbaar vermoeden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.21.0449.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat mevrouw V. op 5 maart 2020 een klacht indient bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) tegen de verweerders. Mevrouw V. is artiest en haar klacht heeft betrekking op een fanpagina op Facebook, beheerd door verweerders. Ze voert aan dat de verwerking van haar gegevens onrechtmatig is. Op 10 maart 2020 wordt de klacht ontvankelijk verklaard. Op 14 april 2020 neemt de Geschillenkamer de beslissing, bij wege van voorlopige en corrigerende maatregel, dat de verweerders worden gewaarschuwd om niet onrechtmatig gegevens te verwerken; tevens wordt het bevel opgelegd om te voldoen aan het verzoek van mevrouw V. om haar rechten in de zin van artikel 20 en 21 AVG uit te oefenen. Op 21 april 2020 hebben verweerders beroep ingesteld tegen deze beschikking bij het Marktenhof. Bij arrest van 28 oktober 2020 vernietigt het Marktenhof deze beschikking.
  2. Mevrouw V. maakt eveneens een procedure tot staking aanhangig voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Leuven. Op 24 november 2020 oordeelt de voorzitter dat de eerste verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke marktpraktijken door de naam en afbeeldingen van mevrouw V. commercieel te gebruiken zonder haar toestemming, door zonder haar toestemming op sociale media een profiel te beheren, en door onterecht de indruk te wekken dat de tweede tegenpartij nog steeds optreedt als agent van mevrouw V. De staking van deze activiteiten wordt bevolen op straffe van een dwangsom.
  3. Ondertussen wordt de procedure ten gronde voor de Geschillenkamer verdergezet. Bij beslissing ten gronde van 12 januari 2021 wordt de klacht tegen de tweede verweerder geseponeerd. Ten aanzien van eerste verweerster wordt enerzijds een waarschuwing uitgebracht inzake de naleving van het recht op gegevensoverdraagbaarheid (artikel 20, lid 1 AVG), en anderzijds een administratieve geldboete van 10.000 euro opgelegd inzake inbreuken op de artikelen 6, lid 1 en 21, lid 1 juncto 12, lid 3 AVG.
  4. Op 11 februari 2021 stellen de verweerders verhaal in tegen deze beslissing bij het Marktenhof.
  5. Het hier bestreden arrest verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. De beslissing van 12 januari 2021 wordt vernietigd. Het Marktenhof verklaart zich zonder rechtsmacht om te oordelen over de vordering van de verweerders tot schadevergoeding. De eiseres wordt in de kosten verwezen.
  6. Tegen dit arrest komt de eiseres op met twee middelen tot cassatie. 2 Bespreking van de middelen. 2.1 Eerste middel: verhaal tegen een seponeringsbeslissing ontvankelijk?
  7. Het Marktenhof verklaarde het verhaal van de tweede verweerder tegen de seponeringsbeslissing van de GBA ontvankelijk. De GBA (eiseres) komt in het eerste middel op tegen die beslissing. Ze voert aan dat door de seponering van de klacht ten aanzien van de tweede verweerder, hij door deze seponering niet gegriefd is en dan ook geen belang heeft om tegen deze beslissing verhaal in te stellen bij het Marktenhof. Volgens de eiseres miskent het Marktenhof het procesrechtelijk begrip 'belang' en schendt het de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, voor zoveel als nodig in samenhang gelezen met artikel 108 van de Wet van 3 december
  8. Hoewel de procedure voor de eiseres een administratief beroep is, heeft de aanwijzing van het Marktenhof van het hof van beroep te Brussel tot gevolg dat in beginsel de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. Artikel 2 Ger.W. bepaalt de in dit wetboek gestelde regels toepasselijk zijn op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek
(1). De belangvereiste dient te worden beoordeeld overeenkomstig de artikelen 17-18 Ger.W
(2). Hoewel de belangvereiste op zich niet onverenigbaar is met het administratief beroep voor het Marktenhof, heeft de omstandigheid dat de procedure voor het Marktenhof een objectief contentieux betreft, m.i. tot gevolg dat deze vereiste anders ingevuld moet worden dan de invulling ervan bij het contentieux bij de rechterlijke macht. In dat verband kan worden gekeken naar de belangvereiste die geldt in het annulatiecontentieux van de Raad van State. Ook artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State vereist een belang in hoofde van de verzoeker, als volgt: “De aanvragen, moeilijkheden, beroepen tot nietigverklaring en cassatieberoepen bedoeld bij de artikelen 11, 12, 13, 14 en 16, 1° tot 8°, kunnen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang en worden schriftelijk ingediend bij de afdeling in de vormen en binnen de termijn door de Koning bepaald.” De belangvereiste voor de Raad van State betekent dat de verzoeker door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijdt en dat de nietigverklaring hem een direct en persoonlijk voordeel verschaft. De verzoeker moet aantonen dat de aangevochten overheidshandeling hem benadeelt en dat dit nadeel minstens gedeeltelijk hersteld wordt door een vernietiging ervan
(3). Opdat de verzoeker belang zou hebben bij het annulatieberoep, moet hij door de handeling effectief worden benadeeld
(4). Een annulatieberoep tegen een beslissing die gunstig is voor de verzoeker, is bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang
(5). Het processuele belang bedoeld in artikel 17 Ger.W. bestaat uit het voordeel dat de eiser met zijn vordering beoogt en waardoor zijn rechtstoestand kan worden gewijzigd of verbeterd. Het is derhalve verbonden met het voorwerp van de vordering, zoals omschreven bij het instellen ervan
(6). 9. Het op ontvankelijk wijze instellen van een verhaal bij het Marktenhof tegen een beslissing van de GBA, vereist dat de beslissing griefhoudend is voor deze partij in die zin dat zij effectief wordt benadeeld door de beslissing. Een beslissing tot seponering brengt de tweede verweerder geen effectief nadeel toe en hij kan gelet op het voorwerp van het geschil uit zijn verhaal geen voordeel halen
(7). Het Marktenhof diende het verhaal van de tweede verweerder niet ontvankelijk te verklaren. Door dat niet te doen, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht. Het middel komt gegrond voor. 2.2 Tweede middel. 2.2.1 Eerste onderdeel.
  1. Het eerste onderdeel verwijt het Marktenhof geen rekening te willen houden met de beschikking van de stakingsrechter van 24 november 2020 die oordeelt dat de contractuele band tussen de klaagster en de eerste verweerster beëindigd was vanaf 3 november
  2. Door te weigeren enige bewijswaarde toe te kennen aan een beslissing van de stakingsrechter die nochtans met gezag van gewijsde is bekleed, waarbij dit gezag van gewijsde ook doorwerkt naar derden toe in de vorm van een vermoeden, meent de eiseres dat het Marktenhof de artikelen XVII.
  3. en XVII.6 WER, de artikelen 23 tot en met 27 Ger.W., de artikelen 8.7 en 8.29 van (Boek VIII van) het Burgerlijk Wetboek en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie schendt.
  4. Anders dan waar het middel van uitgaat, betreft het hier niet de situatie waarin een partij zich beroept op het gezag van gewijsde van een beslissing waarin deze procespartij was ten aanzien van de GBA als derde, maar is het hier de GBA die zich als derde beroept op het gezag van gewijsde of de bewijswaarde van de beslissing van de stakingsrechter tussen de eerste verweerster en mevrouw V. Volgens TAELMAN kan niet enkel een (gewezen) procespartij zich ten aanzien van een derde op de bewijswaarde van een eerder gevelde uitspraak beroepen. Het spiegelbeeld van deze hypothese is eveneens denkbaar, m.n. dat (in een navolgend geding) een derde zich, ter staving van zijn aanspraken, ten aanzien van zijn wederpartij beroept op een gerechtelijke beslissing waarin laatstgenoemde de hoedanigheid van procespartij had
(8). Advocaat-generaal A. VAN INGELGEM sluit zich in zijn conclusie bij het arrest van het Hof van 26 november 2009 aan bij deze stelling van TAELMAN
(9). Een derde kan zich beroepen op de bewijswaarde van een gerechtelijke beslissing waarin zijn tegenpartij de hoedanigheid van procespartij had
(10). Ook recent nog oordeelde het Hof meermaals dat derden zich kunnen beroepen op de bewijswaarde van een beslissing ten titel van weerlegbaar vermoeden
(11).
  1. Het komt me voor dat het Marktenhof, door te oordelen dat “de omstandigheid dat een stakingsrechter andere beslissingen zou hebben genomen niet relevant [is] en geen argument [kan ] zijn ten overstaan van het Marktenhof dat autonoom oordeelt conform artikel 47 HGEU”, zijn beslissing dat voldaan is aan de vereisten van artikel 6.1 AVG niet naar recht verantwoordt. Het eerste onderdeel komt gegrond voor. 2.2.2 Tweede onderdeel: rechtsmacht van de GBA.
  2. In het bijzonder uit de toepasselijke bepalingen van het Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG
(12)) (art. 6.1, 77 AVG) en van de GBA-Wet
(13)(art. 100, § 1) volgt dat de GBA kan oordelen over het bestaan van de aangevoerde rechtmatigheidsgronden, zoals de toestemming van de betrokkene of een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is. Door te oordelen dat de GBA geen rechtsmacht heeft om de subjectieve rechten van de partijen te beoordelen en er gevolgen aan voor te behouden in het kader van het geschil, verantwoordt het Marktenhof m.i. zijn beslissing niet naar recht. Ook het tweede onderdeel komt gegrond voor. Daaruit volgt dat evenmin de beslissing van een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens, zonder vast te stellen dat de gegevensverwerking noodzakelijk was voor de belangen van de klaagster hoewel de eiseres deze noodzaak uitdrukkelijk heeft betwist, naar recht verantwoord voorkomt. Besluit: cassatie. ________________________________________
(1)Vgl. CERFONTAINE J., “Verhaalmiddelen tegen beslissingen van de CBFA” in X., Van alle markten. Liber amicorum Eddy Wymeersch, 167, nr. 17.
(2)Vgl. CERFONTAINE J., “Verhaalmiddelen tegen beslissingen van de CBFA” in X., Van alle markten. Liber amicorum Eddy Wymeersch, 153-154, nr. 4; TATON X., “Les recours juridictionnels en matière de régulation”, Brussel, Larcier 2010, 119-120, nrs. 113-114.
(3)Vgl. COPPENS A., “Art. 19 R.v.St.-Wet” (bijgewerkt tot 1 juli 2021) in X., Publiek procesrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 38-39, nrs. 68-69, 42-43, nrs. 78-80 en 48-55, nrs. 92-124; BEERNAERT S., “Het belang als ontvankelijkheidsvereiste bij de gewone rechter, de Raad van State en het Arbitragehof”, P&B 2000, 155, nr. 2 en 165, nr. 18.
(4)Vgl. LUST S., “Tussen objectief en subjectief beroep: belang en hoedanigheid in de procedure voor de Raad van State” in X., Goed procesrecht – goed procederen, Mechelen, Kluwer 2004, 634, nr. 15.
(5)Vgl. RvS 22 september 2009, nr. 196.256. Zo is het annulatieberoep van een verzoeker tegen een besluit dat de ongeschiktverklaring van zijn woning opheft en dus gunstig is voor de verzoeker, onontvankelijk bij gebrek aan belang.
(6)Cass. 25 januari 2024, AR C.22.0427.N, AC 2024, nr. 69, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.3.
(7)Het verhaal van de tweede verweerder is niet gericht tegen de seponering, maar tegen de klacht van mevrouw V. en beoogt het verkrijgen van een schadevergoeding van haar, waarvoor hij een (andere) procedure kan instellen voor de bevoegde rechter.
(8)TAELMAN P., Het gezag van het rechterlijk gewijsde – een begrippenstudie, Diegem, Kluwer 2001, 267, nr. 234.
(9)Cass. 26 november 2009, AR C.08.0377.N, AC 2009, nr. 700, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.13, met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.13.
(10)Cass. 17 december 1960, AC 1961, 383; voor de bespreking van dit arrest, zie onder meer: H. BOULARBAH, “Vers l’extension de l’effet positif de la chose jugée au profit d’un tiers à la décision de justice?” (noot onder Cass. 26 november 2009), TBH 2011, 125, nr. 7; P. TAELMAN, Het gezag van het rechterlijk gewijsde – een begrippenstudie, Diegem, Kluwer 2001, 267-270, nrs. 365-367; Volgens TAELMAN heeft de beslissing voor de derde de bewijswaarde een weerlegbaar vermoeden. BOULARBAH is van oordeel dat uit dit arrest wel volgt dat een derde zich kan beroepen op de bewijswaarde van een gerechtelijke beslissing waarin zijn tegenpartij de hoedanigheid van procespartij had, maar dat dit arrest zich niet uitspreekt over het feit of de tegenpartij van de derde nog het tegenbewijs kan leveren en of de gerechtelijke beslissing die een derde tegenwerpt aan haar tegenpartij, die in deze beslissing procespartij was, derhalve de bewijswaarde heeft van een weerlegbaar of een onweerlegbaar vermoeden.
(11)Cass. 13 mei 2024, AR S.23.0070.F, AC 2024, nr. 372, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240513.3F.2, met concl. van advocaat-generaal MORMONT, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240513.3F.2; Cass. 8 maart 2024, AR C.23.0295.F, AC 2024, nr. 197, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240308.1F.7.
(12)Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, Pb.L. 4 mei 2016, afl. 119, 1, err. Pb.L. 23 mei 2018, afl. 127, 2.
(13)Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250110.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.13 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240308.1F.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240513.3F.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240513.3F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.