← België

S. contra V.

Obsah (40)Art. 555Art. 962Art. 963Art. 964Art. 965Art. 966Art. 967Art. 968Art. 969Art. 970Art. 971Art. 972Art. 972bisArt. 973Art. 974Art. 975Art. 976Art. 977Art. 978Art. 979Art. 980Art. 981Art. 982Art. 983Art. 984Art. 985Art. 986Art. 987Art. 988Art. 989Art. 990Art. 991Art. 991bisArt. 991terArt. 991qArt. 991sArt. 991oArt. 991nArt. 991dArt. 991u

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 januari 2025

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Relativering van de nietigheid door het eindvonnis in eerste aanleg op tegenspraak gewezen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 407 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Relativering van de nietigheid door het eindvonnis in eerste aanleg op tegenspraak gewezen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 407 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Relativering van de nietigheid door het eindvonnis in eerste aanleg op tegenspraak gewezen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 407 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Relativering van de nietigheid door het eindvonnis in eerste aanleg op tegenspraak gewezen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 407 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Fiches 6 - 10 Overeenkomstig artikel 32, eerste streepje, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering besluit de strafrechter tot nietigheid van een bewijselement dat is verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm; die bepaling geldt niet voor een deskundigenverslag waarin de eed of de geschreven handtekening van de deskundige ontbreekt, voor zover de nietigheid die artikel 555/15 Gerechtelijk Wetboek daarvoor telkens bepaalt, in de loop van de strafprocedure is opgeheven; evenmin vereist het in artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces dat in het geval van het ontbreken van de eed of de handtekening van de deskundige op diens verslag, dat verslag steeds nietig wordt verklaard of uit het bewijs wordt geweerd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Verslag opgesteld door een deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen - Verzuim van handtekening en eedaflegging - Toelaatbaarheid van het onregelmatig bekomen bewijs à charge - Regel van uitsluiting van bewijs verkregen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm - Toepassing op een deskundigenverslag waarvan de nietigheid is gedekt door een rechterlijke beslissing op tegenspraak - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32, eerste streepje - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Fiches 11 - 13 De artikelen 962 tot 991undecies Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing op een door de onderzoeksrechter bevolen deskundigenonderzoek, ongeacht diens mogelijkheid om in specifieke gevallen bepaalde van die artikelen toepasselijk te verklaren door in zijn opdracht ernaar te verwijzen of de inhoud ervan over te nemen, in dat geval leidt de schending van een dergelijke bepaling tot nietigheid in zoverre die in een toepasselijk verklaard artikel is bepaald

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Verloop van het deskundigenonderzoek en vereisten voor het eindverslag - Toepassing van de regels van het burgerlijk proces op het deskundigenonderzoek - Grens - Mogelijkheid van de onderzoeksrechter om voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing te verklaren - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 962

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 963

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 964

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 965

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 966

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 967

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 968

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 969

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 970

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 971

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 973

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 974

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 975

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 976

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 977

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 979

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 980

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 981

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 983

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 984

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 985

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 986

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 987

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 988

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 989

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 990

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991ter

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uater - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uinquies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

exies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

epties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991o

cties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991n

ovies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991d

ecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991u

ndecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Verloop van het deskundigenonderzoek en vereisten voor het eindverslag - Toepassing van de regels van het burgerlijk proces op het deskundigenonderzoek - Grens - Mogelijkheid van de onderzoeksrechter om voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing te verklaren - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 962

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 963

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 964

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 965

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 966

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 967

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 968

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 969

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 970

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 971

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 973

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 974

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 975

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 976

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 977

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 979

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 980

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 981

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 983

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 984

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 985

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 986

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 987

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 988

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 989

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 990

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991ter

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uater - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uinquies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

exies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

epties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991o

cties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991n

ovies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991d

ecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991u

ndecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Verloop van het deskundigenonderzoek en vereisten voor het eindverslag - Toepassing van de regels van het burgerlijk proces op het deskundigenonderzoek - Grens - Mogelijkheid van de onderzoeksrechter om voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing te verklaren - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 962

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 963

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 964

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 965

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 966

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 967

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 968

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 969

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 970

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 971

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 972bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 973

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 974

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 975

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 976

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 977

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 979

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 980

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 981

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 983

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 984

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 985

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 986

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 987

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 988

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 989

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 990

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991bis

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991ter

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uater - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991q

uinquies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

exies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991s

epties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991o

cties - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991n

ovies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991d

ecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 991u

ndecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 14 - 16 De artikelen 978, § 1 en, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek over het eindverslag van de gerechtsdeskundige en artikel 982 Gerechtelijk Wetboek over het gezamenlijk advies van het college van gerechtsdeskundigen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, behoudens voor wat betreft de in artikel 978, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde verplichting van de deskundige om zijn verslag te ondertekenen; die verplichting heeft hier evenwel geen ruimere draagwijdte dan deze die is bepaald in artikel 555/15 Gerechtelijk Wetboek; meer bepaald vereist artikel 978, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, samengenomen met de artikelen 555/11, § 3, eerste lid, en 555/15 Gerechtelijk Wetboek, niet op straffe van nietigheid dat het verslag wordt ondertekend door een deskundige die is opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Strafzaken - Gerechtelijk onderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Voorwaarde van een ondertekend eindverslag met opgave van stukken en een kostenstaat - Toepassing van de regels van het Gerechtelijk Wetboek - Grens - Verzuim van een handtekening van een deskundige - Effect op de toelaatbaarheid van het deskundigenverslag als bewijs à charge Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

, §§ 1 en 2, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Voorwaarde van een ondertekend eindverslag met opgave van stukken en een kostenstaat - Toepassing van de regels van het Gerechtelijk Wetboek - Grens - Verzuim van een handtekening van een deskundige - Effect op de toelaatbaarheid van het deskundigenverslag als bewijs à charge Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

, §§ 1 en 2, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Deskundigenonderzoek - Aanstelling van een gerechtsdeskundige - Voorwaarde van een ondertekend eindverslag met opgave van stukken en een kostenstaat - Toepassing van de regels van het Gerechtelijk Wetboek - Grens - Verzuim van een handtekening van een deskundige - Effect op de toelaatbaarheid van het deskundigenverslag als bewijs à charge Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 555

/15 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 978

, §§ 1 en 2, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 982

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 17 - 19 Wanneer de rechter een aan de politie afgelegde verklaring van een verdachte bepalend acht voor diens schuldigverklaring, vereist het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, dat aan die verdachte de bijstand van een raadsman wordt verleend, behoudens indien er dwingende redenen of uitzonderlijke omstandigheden zijn om hem dit recht te ontzeggen; de verklaring van een verdachte moet geacht worden bepalend te zijn voor zijn schuldigverklaring van zodra die verklaring een relevante impact heeft of, gelet op de concrete omstandigheden, moet hebben op de beoordeling van de schuld; dit kan reeds het geval zijn van zodra de verklaring richting geeft aan het onderzoek waarvan de rechter het resultaat betrekt bij de schuldbeoordeling

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Waarborg van een eerlijk proces - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Gebruik van verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat als bewijs à charge - Criterium van verklaringen die wel of niet bepalend zijn voor de schuldigverklaring - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Verhoor van de verdachte - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Gebruik van verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat als bewijs à charge - Criterium van verklaringen die wel of niet bepalend zijn voor de schuldigverklaring - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Verhoor van de verdachte - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Gebruik van verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat als bewijs à charge - Criterium van verklaringen die wel of niet bepalend zijn voor de schuldigverklaring - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 20 - 23 Het feit dat ter gelegenheid van bepaalde politieverhoren het recht van een verdachte op de fysieke bijstand van een advocaat niet werd geëerbiedigd zonder dat daarvoor een dwingende reden of een uitzonderlijke omstandigheid voorhanden was, leidt niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM; het staat immers aan de rechter om te onderzoeken of die beperking de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast in het licht van de omstandigheden van de zaak; bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen, voor zover die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaarheid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over de betrouwbaarheid en de juistheid ervan in het licht van de omstandigheden waarin het werd verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of verbeterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Geen uitsluiting van de afgelegde verklaringen als bewijs à charge - Criteria van het arrest EHRM 9 november 2018 in de zaak Beuze - Invloed van de verklaringen op de schuldigverklaring - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Geen uitsluiting van de afgelegde verklaringen als bewijs à charge - Criteria van het arrest EHRM 9 november 2018 in de zaak Beuze - Invloed van de verklaringen op de schuldigverklaring - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Verhoor van de verdachte - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Geen uitsluiting van de afgelegde verklaringen als bewijs à charge - Criteria van het arrest EHRM 9 november 2018 in de zaak Beuze - Invloed van de verklaringen op de schuldigverklaring - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Verhoor van de verdachte - Verhoor van de niet-aangehouden verdachte zonder afstand van het recht op bijstand van de advocaat - Geen uitsluiting van de afgelegde verklaringen als bewijs à charge - Criteria van het arrest EHRM 9 november 2018 in de zaak Beuze - Invloed van de verklaringen op de schuldigverklaring - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 24 - 27 Een appelgerecht dat vaststelt dat een strafvervolging niet binnen een redelijke termijn is beslecht zoals vereist door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR moet remediëren aan die verdragsrechtelijke schending; indien er geen sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, kan die remediëring bestaan in het uitspreken van een straf die reëel en meetbaar lager is dan de straf die door het appelgerecht zou zijn opgelegd bij afwezigheid van een overschrijding van de redelijke termijn; niet is vereist dat het appelgerecht uitdrukkelijk melding maakt van de straf die het zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn; het volstaat dat het appelgerecht ondubbelzinnig aangeeft dat het omwille van de overschrijding een lagere straf oplegt dan de straf die het zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding; het appelgerecht kan daarvoor de redenen van het beroepen vonnis overnemen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Vereiste van de redelijke termijn - Geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Strafvermindering als passende remedie - Voorwaarden - Vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter in hoger beroep - Geen vermelding van de straf die gepast zou zijn bij een normaal procesverloop - Overname van de redenen van het beroepen vonnis - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Vereiste van de redelijke termijn - Geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Strafvermindering als passende remedie - Voorwaarden - Vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter in hoger beroep - Geen vermelding van de straf die gepast zou zijn bij een normaal procesverloop - Overname van de redenen van het beroepen vonnis - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Vereiste van de redelijke termijn - Geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Strafvermindering als passende remedie - Voorwaarden - Vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter in hoger beroep - Geen vermelding van de straf die gepast zou zijn bij een normaal procesverloop - Overname van de redenen van het beroepen vonnis - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Vonnisgerechten - Vereiste van de redelijke termijn - Geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Strafvermindering als passende remedie - Voorwaarden - Vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn door de rechter in hoger beroep - Geen vermelding van de straf die gepast zou zijn bij een normaal procesverloop - Overname van de redenen van het beroepen vonnis - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de conclusie P.24.1148.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “1°De regelmatigheid van het deskundigenverslag bevolen in de voorbereidende fase van het strafproces waarin de eed en de handtekening ontbreken en waarbij de beklaagde deze onregelmatigheden niet heeft aangevoerd tijdens de vonnisfase in eerste aanleg (artt. 555/15, 978, § 1 en 982 Ger. W., art. 407 Sv. en art. 32 V.T.Sv.) en 2° De toelaatbaarheid van de beslissing om verklaringen van een niet-aangehouden verdachte afgelegd zonder bijstand van een advocaat vóór de wet van 21 november 2016 te aanvaarden als louter steunbewijs (artt. 47bis, § 6, 9) Sv. en 32 V.T.Sv. en artt. 6.1 en 6.3.c EVRM)“. 1. Voorwerp van het cassatieberoep. 1. Eiseres wordt vervolgd wegens een geweldpleging op 2 november 2015, omschreven onder feit A als het als persoon met gezag (onthaalmoeder) toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen met blijvende arbeidsongeschiktheid of ongeneeslijk lijkende ziekte aan de minderjarige A., toen een baby van vijf maanden oud (artt. 392, 398, 400, 405bis en 405ter Sw.). 2. Het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen (ouders en grootouders van A.) gaan ervan uit dat de ernstige hersenletsels van A. zijn veroorzaakt door het hardhandig door elkaar schudden (shaken baby syndroom) (st. 43), terwijl eiseres in haar beroepsconclusie (st. 23) meent dat er geen bewijs voorligt van opzettelijk geweld op baby A. tijdens de kinderopvang, de hersenschade kan veroorzaakt zijn door een genetische afwijking (Kleefstra-syndroom) en er ongeschikt enkel sprake is van onopzettelijke slagen (blz. 18 arrest). Het hof van beroep te Gent achtte de feiten bij arrest van 26 juni 2024 bewezen, net als de eerste rechter (vonnis correctionele rechtbank te West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk van 3 oktober 2023, gewezen op tegenspraak), en legde aan eiseres een gevangenisstraf op van 18 maanden met uitstel voor vijf jaar. 3. Voor feit B van voorafgaande gewone opzettelijke slagen en verwondingen aan baby A.
(1), werd eiseres vrijgesproken. Tegen dit oordeel is er geen cassatieberoep ingesteld door het openbaar ministerie of de burgerlijke partijen (verweerders in cassatie). Voor zover gericht tegen deze vrijspraak, en tegen de toegekende provisionele schadevergoedingen wegens feit A, is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, wegens (resp.) geen belang (art. 416 Sv.) en geen eindbeslissing of beslissing waartegen onmiddellijk cassatieberoep openstaat (art. 420 Sv.).
  1. Onregelmatigheden in het deskundigenonderzoek. 2.
  2. Het ontbreken van de handtekening en de eed.
  3. Het eerste middel komt op tegen het als bewijs à charge aanwenden van het verslag van het college van deskundigen, bestaande uit de artsen G. V.P., V.R. en J.M. Volgens eiser is dit verslag van 10 december 2021 nietig omdat de gerechtsdeskundige V.R. het niet heeft ondertekend en geen eed heeft afgelegd (eerste onderdeel), Dr. V.R. alleen een deelrapport heeft ingediend en er uit het eindverslag en de kostenstaat niet blijkt dat er een gezamenlijk standpunt werd ingenomen, na onderling overleg (tweede onderdeel), de motivering over het gezamenlijk eindverslag van het college in strijd is met de bewoordingen ervan (derde en vierde onderdeel) en tegenstrijdigheden bevat (vijfde onderdeel).
  4. De onderzoeksrechter doet volgens artikelen 555/6 en 555/15 Gerechtelijk Wetboek bij voorkeur een beroep op erkende gerechtsdeskundigen, opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen, na een eenmalige eed voor de eerste voorzitter van het hof van beroep (art. 555/14 Ger. W.)
(2). De deskundige die niet in het nationaal register is opgenomen, en bij gemotiveerde beschikking van de overheid een technische opdracht krijgt toegewezen, moet overeenkomstig artikel 555/15 Ger. W. zijn verslag op straffe van nietigheid ondertekenen, waarbij hij zijn handtekening laat voorafgaan door de volgende schriftelijke eed: “ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb”
(3). 6. Overeenkomstig artikel 32, eerste streepje, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (V.T. Sv.) besluit de strafrechter tot nietigheid van een bewijselement dat is bekomen in strijd met een op straffe van nietigheid voorgeschreven norm. Mij komt voor dat deze regel over verplichte bewijsuitsluiting, toepasselijk op bewijsmateriaal dat dient voor de gegrondheid van de strafvordering, niet geldt voor een deskundigenverslag waarin de eed of een geschreven handtekening
(4)ontbreekt, hoewel aan elk van beide formaliteiten de sanctie van nietigheid is gehecht (art. 555/15 Ger.W.), voor zover die nietigheid tijdig is weggewerkt, in de loop van de strafprocedure. 7. Volgens artikel 407 Wetboek van Strafvordering is de nietigheid die voortkomt uit enige onregelmatigheid betreffende de eed van getuigen, deskundigen of tolken gedekt door elke rechterlijke beslissing op tegenspraak, behalve een maatregel van inwendige aard, zonder dat een partij of de rechter de nietigheid daarvoor had opgeworpen
(5). Deze bepaling wijkt enigszins af van het toedekken of relativeren van nietigheden bij de behandeling van een burgerlijke vordering (art. 861 en 864 Ger.W.). In de civiele rechtspleging komt het alleen de partij wiens belang is geschaad toe om nietigheden aan te voeren, niet de rechter (art. 861 Ger.W.)
(6). Daarbij dient deze partij de nietigheid tijdig en vóór elk verweer op te werpen
(7), wat strenger is dan het opwerpen voor elk (tussen)vonnis over een geschilpunt. 8. Artikel 407 Sv. over nietigheden rondom de eed in het strafproces kan naar mijn mening eveneens worden toegepast op het ontbreken van een handtekening van de gerechtsdeskundige die de eed van artikel 555/15 Ger. W. had moeten afleggen. De eed van gerechtsdeskundigen, vroeger opgenomen in artikel 44 Sv. (opgeheven door art. 2 wet 10 april 2014, BS 19 december 2014), is ingevolge artikel 64 wet 5 mei 2019 (BS 19 mei 2019) ondergebracht in artikel 555/15 Ger. W., dat geldt in burgerlijke zaken en in strafzaken, in elke procesfase. De regel van strafprocesrecht van artikel 407 Sv. is bijgevolg geënt op een wetsbepaling met een civiele component. Indien in de burgerlijke rechtspleging het deskundigenverslag zonder handtekening als bewijs kan gelden, omdat de nietigheid die voortkomt uit artikel 555/15 Ger. W. niet of laattijdig is opgeworpen, lijkt mij dit beginsel over de relativering van de nietigheid ook op te gaan in strafzaken. In een burgerlijke zaak nam het Hof op 12 april 2018 aan, op basis van het toen geldende artikel 864 Gerechtelijk Wetboek, dat als het verzuim van de handtekening van de deskundige niet tijdig is opgeworpen, de nietigheid is gedekt door elk vonnis op tegenspraak over een geschilpunt
(8). Van een partij mag worden verwacht dat als in eerste aanleg een voor haar nadelig deskundigenverslag zonder handtekening wordt gebruikt als bewijs, zij die nietigheid meteen opwerpt, daarmee niet wacht tot de procedure in hoger beroep of cassatie. 9. Uit de tekst van artikel 555/15 Ger. W. valt een nauwe band af te leiden tussen de handtekening en de eed van de gerechtsdeskundige. Beide formaliteiten zijn even belangrijk voor de toelaatbaarheid van het deskundigenverslag als bewijs. Uit artikel 555/15 Ger.W. blijkt m.i. niet dat het verzuim van de handtekening is opgevat als een onherstelbare nietigheid of als een tekortkoming die zwaarder zou zijn dan het verzuim van de eed, en aldus minder kans zou maken op herstel van de nietigheid. Het is alsof de handtekening van de gerechtsdeskundige pas geldig is als daaraan de eed is verbonden en omgekeerd. Het lijkt mij dan ook moeilijk artikel 407 Sv. zo te interpreteren dat het mechanisme van het toedekken van nietigheden alleen geldt voor de eedverplichting die is vervat in artikel 555/15 Ger.W. en niet voor de handtekening die er volgens dezelfde bepaling op volgt
(9). De verplichte bewijsuitsluiting (art. 32 V.T. Sv.) is m.i. enkel aan de orde, als bewijsregel in strafzaken, als de nietigheid van de eed of de handtekening tijdig is opgeworpen door een partij of de rechter, vóór elke beslissing op tegenspraak over een geschilpunt.
  1. Voorts valt uit artikel 6 EVRM niet af te leiden dat een deskundigenverslag zonder verplichte eed of handtekening onbruikbaar is als bewijs à charge. Wat telt voor de waarborg van een eerlijk proces, is dat het verslag van de deskundige(n) vatbaar is voor tegenspraak en steunt op betrouwbare gegevens. Voor zover eiseres aanvoert dat het ontbreken van de handtekening en schriftelijke eed van één van de gerechtsdeskundigen steeds leidt tot bewijsuitsluiting, zonder dat de nietigheid uitdooft door een vonnis op tegenspraak over een geschilpunt, meen ik dat het eerste onderdeel (dat de schending aanvoert van de artikelen 6.1 EVRM, 32 V.T. Sv., 407 Sv. en 555/6 en 555/15 Ger. W.) faalt naar recht.
  2. Het bestreden arrest stelt (blz. 24) dat de verzuimen van de handtekening en de eed van deskundige V.R. in het verslag van het college van deskundigen zijn gedekt door het beroepen vonnis van 3 oktober
  3. Over het aspect van de handtekening oordeelt het hof van beroep dat de ondertekening van het eindverslag in strafzaken en in burgerlijke zaken volgens dezelfde regels van het Gerechtelijk Wetboek moet geschieden, er in de procedure in eerste aanleg daarover geen middelen zijn geformuleerd en de eerste rechter daarover evenmin een opmerking heeft gemaakt. Met die redenen lijkt mij het bestreden arrest naar recht verantwoord, zodat het eerste onderdeel niet kan worden aangenomen. Door het beroepen vonnis van de correctionele rechtbank is het incident over de handtekening en de eed gesloten. Het opwerpen van de nietigheid voor het hof van beroep kan daaraan niets meer veranderen. 2.
  4. De samenwerking van gerechtsdeskundigen in een college.
  5. Volgens eiseres heeft Dr. V.R. alleen advies uitgebracht over de medische beeldvorming van de hersenletsels van A. zonder standpunt in te nemen over de aard en ernst van de letsels en werd dit advies gewoon overgenomen door de twee andere gerechtsdeskundigen, zonder enig overleg of onderlinge samenwerking, hoewel dit verplicht is. Het is niet uit te maken of Dr. V.R. na het indienen van zijn deelrapport nog deelnam aan de besluitvorming van het college, of het eindverslag met zijn goedkeuring tot stand kwam. Voorts heeft het hof van beroep uit zijn feitelijke vaststellingen over het verloop van het gezamenlijk deskundigenonderzoek gevolgen afgeleid die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. De bestreden beslissing is daardoor in strijd met de artikelen 6.1 EVRM, 32 V.T. Sv., 2, 555/6, 555/15, 978 en 982 Ger.W. (eerste middel, tweede onderdeel).
  6. Artikel 982 Ger.W. bepaalt: “De rechter stelt slechts één deskundige aan, tenzij het nodig acht om meerdere deskundigen aan te stellen. De deskundigen maken één enkel verslag op, zij geven één enkel advies bij meerderheid van stemmen. Bij verschil van mening vermelden zij de onderscheiden meningen met de gronden ervan. Het verslag wordt door alle deskundigen ondertekend. Voor verscheidene deskundigen in een zelfde zaak wordt een gedetailleerde gezamenlijke staat van de kosten en het ereloon opgemaakt, met een duidelijke opgave van ieders aandeel”
(10). Deze bepaling sluit aan op de verplichting van de gerechtsdeskundige om na zijn werkzaamheden met inspraak van de partijen zijn verslag te ondertekenen, op straffe van nietigheid (art. 978, § 1 Ger. W.) en het eindverslag samen met een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige neer te leggen ter griffie (art. 978, § 2 Ger. W.). 14. Anders dan eiseres aangeeft, zijn de bepalingen over de expertise in burgerlijke zaken (art. 962-991undecies Ger. W.) niet van toepassing op een deskundigenonderzoek verricht in de voorbereidende fase van het strafproces, bevolen door de onderzoeksrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling, ook al kan de onderzoeksrechter die bepalingen toepassen om tegenspraak in de expertise in te bouwen
(11). Artikel 555/15 Ger.W. over de aanstelling van de gerechtsdeskundige die de eenmalige eed nog niet heeft afgelegd heeft een ruimere draagwijdte, en geldt ook voor het deskundigenonderzoek dat is bevolen door de onderzoeksrechter. 15. Het gerechtelijk onderzoek verloopt behoudens de wettelijke uitzonderingen geheim (art. 57, § 1 Sv.) en bijgevolg niet-tegensprekelijk
(12), wat een afwijking toelaat op de toepassing van regels over de burgerlijke rechtspleging in het strafproces (art. 2 Ger. W.). Het feit dat de onderzoeksrechter de civiele regels over tegenspraak tijdens het deskundigenonderzoek niet toepast (art. 972bis, 976 en 978, § 1 Ger.W.) houdt op zich geen miskenning in van het recht van verdediging. Het volstaat voor een eerlijk proces dat de partijen het deskundigenverslag vrij kunnen betwisten in de fase ten gronde. Het is aan de vonnisrechter om na te gaan of het gebrek aan tegenspraak in de voorbereidende fase afdoende is gecompenseerd door de tegenspraak tijdens het onderzoek ter terechtzitting
(13). 16. Het geheim en niet-tegensprekelijk karakter van het gerechtelijk onderzoek is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Niets belet de onderzoeksrechter om in het belang van de waarheidsvinding te beslissen dat de gerechtsdeskundige de partijen bij zijn technisch onderzoek moet betrekken, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en de aard van het deskundigenonderzoek
(14). De tegenspraak kan erin bestaan dat partijen of hun technische raadslieden aanwezig zijn bij bepaalde verrichtingen van de deskundige (art. 972bis en 973 Ger. W.) of zijn voorlopige resultaten kunnen betwisten, waarna de deskundige deze opmerkingen verwerkt in zijn eindverslag (art. 976 Ger. W.). De onderzoeksrechter kan voor een goed verloop van de expertise op tegenspraak de naleving van die wetsbepalingen vermelden in zijn beschikking tot aanstelling van de gerechtsdeskundige(n)
(15). Het verrichten van een deskundigenonderzoek op tegenspraak, gesteund op sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, is doorgaans pas aan de orde als de voornaamste bewijzen al zijn verzameld, er geen gevaar meer bestaat dat tegenspraak het onderzoek kan hinderen.
  1. De vraag rijst of de artikelen 978 en 982 Ger. W. van toepassing zijn in deze zaak. Over de wijze waarop het college van gerechtsdeskundigen moest handelen, stelt de beschikking van de onderzoeksrechter (aangehaald in de memorie en de memorie van antwoord) dat “artikel 962 e.v. van het gerechtelijk onderzoek nopens de tegensprekelijkheid van de expertise” moet worden nageleefd, meer bepaald het overmaken van een voorverslag aan de partijen voor opmerkingen en het beantwoorden van die opmerkingen in “een eindverslag”. Daarbij geeft de onderzoeksrechter als opdracht aan de deskundigen om een kostenstaat toe te voegen en het eindverslag te ondertekenen, met vermelding van de wettelijke eed een kostenstaat moet bevatten. De beschikking geeft niet aan dat deze formaliteiten op straffe van nietigheid van het eindverslag moeten worden nageleefd.
  2. Ik ben van mening dat de onderzoeksrechter een college van deskundigen heeft aangesteld zonder expliciet te verwijzen naar de artikelen 978 en 982 Gerechtelijk Wetboek, waardoor een tekortkoming niet automatisch leidt tot uitsluiting van het eindverslag van dat college als belastend bewijs. In zoverre eiseres uitgaat van het tegendeel, faalt haar eerste middel, tweede onderdeel m.i. naar recht. Het is dan aan de vonnisrechter om uit te maken of tekortkomingen aan de opdracht bevolen door de onderzoeksrechter (en dus niet de miskenning van de artt. 978 en 982 Ger. W.), zoals het indienen van een gezamenlijk eindverslag met ondertekening, in de concrete omstandigheden van de zaak aanleiding geven tot het uitsluiten van bewijs. Daarbij is er dan reden tot bewijsuitsluiting als het niet-navelen van instructies van de onderzoeksrechter afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van het bewijs of aan het recht op een eerlijk proces.
  3. Ondergeschikt, indien uw Hof van oordeel is dat de onderzoeksrechter te kennen gaf dat de door hem aangestelde gerechtsdeskundigen de artikelen 978 en 982 Gerechtelijk Wetboek wel in acht moeten nemen, heeft eiser belang bij het aanvoeren van deze wetsbepalingen in cassatie. De artikelen 978, § 2 en 982 Ger. W. zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, zodat een tekortkoming niet noodzakelijk aanleiding geeft tot bewijsuitsluiting. Een tekortkoming lijkt mij de rechter alleen te verplichten tot uitsluiting van het deskundigenverslag als daardoor de betrouwbaarheid van het bewijs wordt aangetast of het gebruik van dat verslag als bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
  4. Wat betreft het ingeroepen artikel 32 V.T.Sv., moet de rechter deze regel over bewijsuitsluiting alleen toepassen als hij oordeelt dat het bewijs onregelmatig is verkregen
(16). Het bestreden arrest geeft te kennen dat wat betreft het opstellen van het gezamenlijk eindverslag de resultaten van het deskundigenonderzoek als bewijs regelmatig zijn verkregen, waardoor het deze resultaten aldus niet moet toetsen aan de criteria voor bewijsuitsluiting vermeld in deze wetsbepaling (blz. 24-25). In zoverre faalt het onderdeel over de artikelen 978, § 2 en 982 Ger. W. en art. 32 V.T.Sv. m.i. naar recht.
  1. Het bestreden arrest oordeelt over de totstandkoming van het eindverslag (art. 982 Ger.W., weliswaar niet genoemd in het arrest) dat Dr. V.R. zijn standpunt over het radiologisch onderzoek heeft bevestigd aan zijn mededeskundigen (door brief van 5 juli 2021 over zijn “herbeoordeling van dit onderzoek”) en hij op dat moment kennis had van de beschikbare klinische gegevens (blz. 24). Verder blijkt uit een toelichting van deskundige Dr. V.P. aan het openbaar ministerie op 27 april 2024 dat het eindverslag “integraal in college is genomen” en er binnen het college een “betrouwbare besluitvorming” tot stand kwam (blz. 24-25). Het hof van beroep stelt verder dat de argumentatie van eiseres over de kostenstaat niet relevant is, omdat daarbij niet is gelet op de herbeoordeling door Dr. V.R., en eiseres geen opmerkingen heeft geformuleerd op het voorverslag van het college van deskundigen (blz. 25). Tenslotte geeft het arrest aan dat het recht op een eerlijk proces ten volle is gerespecteerd, daar het voorverslag van het college werd meegedeeld aan de partijen en eiseres geen opmerkingen formuleerde over de al dan niet regelmatigheid van het besluit of verkoop van het deskundigenonderzoek (blz. 25). Met die redenen lijkt mij het oordeel over de vereiste collegiale besluitvorming van de gerechtsdeskundigen naar recht verantwoord, en kan het onderdeel gesteund op de artikelen 978, § 2 en 982 Ger.W. niet worden aangenomen. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten (over de manier waarop de deskundigen tot hun gezamenlijk standpunt kwamen) en het op dit punt niet-ontvankelijk.
  2. In de ondergeschikte visie houdt het ontbreken van een handtekening van een deskundige, hoewel voorgeschreven op straffe van nietigheid (art. 978, § 1 Ger. W.), naar mijn mening geen verplichting in voor de rechter om in alle gevallen en in elke procesfase het deskundigenverslag te weren als bewijs. Bepalend hiervoor is de vraag of de nietigheid in de voorafgaande fase van de strafprocedure reeds is toegedekt. Ik meen dat artikel 978, § 1 Ger. W. wat betreft de handtekening van de gerechtsdeskundige overeenstemt met dezelfde verplichting, eveneens voorgeschreven op straffe van nietigheid, die artikel 555/15 Ger. W. oplegt aan deskundigen die nog niet zijn opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen. Voor de gerechtsdeskundige die wel in dat register is opgenomen, en de eenmalige eed van artikel 555/14 Ger. W. heeft afgelegd, lijkt mij de ondertekening geen op straffe van nietigheid voorgeschreven norm te zijn. Artikel 555/11, § 3 Ger. W. bepaalt immers alleen dat die erkende gerechtsdeskundige eerst zijn identificatienummer vermeldt, gevolgd door zijn handtekening, naam en titel, en dat die naam en handtekening wegvallen als de deskundige beschikt over een anoniem identificatienummer.
  3. Gezien de nauwe band tussen de artikelen 978, § 1 en 555/15 Ger. W., wat betreft de verplichte handtekening van de deskundige, komt mij voor dat er wegens het ontbreken van de handtekening slechts reden is tot verplichte uitsluiting van het deskundigenverslag als die nietigheid niet is toegedekt door een vonnis op tegenspraak over een geschilpunt. De aangehaalde redenen over het arrest van uw Hof van 12 april 2018 (AR C.17.0300.N) en de toepassing van artikel 407 Sv. lijken mij dan ook te gelden voor de vereiste van de handtekening die voortvloeit uit art. 978, § 1 Ger. W., op straffe van nietigheid. Het beroepen vonnis van de correctionele rechtbank heeft deze nietigheid toegedekt, zodat het tweede onderdeel (over artt. 978, § 1 Ger. W. en 32 V.T.Sv.) dat eveneens aanneemt dat de nietigheid voor het eerst kan worden aangevoerd tijdens de procedure in hoger beroep, faalt naar recht.
  4. Het oordeel over een gezamenlijk standpunt onder leiding van deskundige Dr. V.P., met waarbij Dr. V.R. specifiek was aangesteld voor medische beeldvorming (als ‘subspecialistisch deskundige met betrekking tot die beeldvorming’) en met overname van zijn bevindingen, lijkt mij geen uitlegging te zijn in strijd met het eindverslag van het college van gerechtsdeskundigen (st. 22, dat in punt 4 van de gestelde onderzoeksdaden stelt: “overleg in college met betrekking tot de beeldvorming met prof. dr. R. V.R., Amsterdam UMC”) en met de e-mail (van 27 april 2024, gericht aan de OM, st. 22) van Dr. V.P. over het verslag van Dr. V.R. over de medische beeldvorming dat “door de overige twee leden van het college die verantwoordelijk zijn voor het geheel van het deskundig verslag werd overgenomen”. Het oordeel houdt m.i. enkel een feitelijke of juridische gevolgtrekking in die is afgeleid uit die akten
(17). Het derde en vierde onderdeel die miskenning van de bewijskracht van deze akten aanvoeren (artt. 8.17 en 8.18 BW) missen aldus feitelijke grondslag. Het vijfde onderdeel verduidelijkt niet waarom de motivering over het gezamenlijk eindverslag tegenstrijdig zou zijn, en is niet-ontvankelijk.
  1. De Salduz-waarborgen.
  2. In haar tweede middel voert eiseres aan dat het bestreden arrest haar verklaringen afgelegd aan de politie op 30 december 2015 en 25 april 2016 niet als bewijs tegen haar mocht aanwenden, omdat zij geen bijstand had van een advocaat en er geen dwingende of uitzonderlijke redenen waren om haar die bijstand te ontzeggen.
  3. Uit het EHRM-arrest Beuze van 9 november 2018 en rechtspraak van uw Hof over dit arrest volgt dat de rechter de schuldigverklaring niet in belangrijke mate mag steunen op verklaringen van de niet-aangehouden verdachte zonder verwittiging van het zwijgrecht en zonder bijstand van een advocaat, behoudens vrijwillige afstand van die laatste waarborg of uitzonderlijke omstandigheden
(18). 27. Ik meen dat het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM) niet vereist dat de rechter als bewijs elke verklaring weert die een niet-aangehouden verdachte heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat (verdachte Salduz-categorie III), toen die bijstand nog niet wettelijk was geregeld (art. 47bis Sv., in de versie vóór de wet van 21 november 2016, BS 24 november 2016). Het Hof nam reeds aan dat de rechter in de concrete omstandigheden van de zaak en volgens bepaalde criteria moet nagaan of het aanwenden van die verklaringen als bewijs à charge een eerlijk proces in zijn geheel verhindert. Deze criteria zijn onder meer de kwetsbaarheid van de verdachte, de kwaliteit en het belang van het overige bewijs, de tijd tussen de verklaring en een intrekking of verbetering ervan en de waarde van de verklaringen als bewijs
(19). 28. Voor die laatste factor rijst de vraag: Heeft de rechter de verklaringen van de niet-aangehouden verdachte zonder bijstand van een advocaat aangewend als doorslaggevend bewijs, of eerder als steunbewijs, als bevestiging van ander bewijsmateriaal dat vatbaar is voor tegenspraak? Daarbij kan men een verklaring als doorslaggevend bewijs aanmerken als ze richting geeft aan het onderzoek en een belangrijke impact heeft of kan hebben op de schuldbeoordeling
(20). Het thans geldende artikel 47bis, § 6, 9) Sv. verbiedt een veroordeling die ‘gegrond is’ op verklaringen die de beklaagde heeft afgelegd in strijd met de regels over het zwijgrecht en de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor. 29. Uit de eigen motieven en de motieven overgenomen van de eerste rechter blijkt m.i. duidelijk dat de appelrechters de schuld steunen op het verslag van de gerechtsdeskundigen, die de hypothese van een ongeval uitsluiten en menen dat A. ernstig verwond raakte door het opzettelijk door elkaar schudden op moment dat hij bij de onthaalmoeder was (op 2 november 2015, tussen 7.45 en 14.40)
(21). Verder stelt het arrest dat eiseres tijdens haar eerste verhoor op 4 november 2015 (dit is vóór de twee verklaringen vermeld in het middel) na telefonisch contact met haar advocaat afstand deed van haar recht op bijstand en op juni 2017 is verhoord met bijstand van een advocaat, waarbij zij geen opmerkingen maakte over haar (betwist) derde verhoor van 25 april 2016 (afgenomen zonder bijstand van een advocaat) (blz. 27-28). Tijdens haar verhoor van 25 april 2016 gaf eiseres een vooraf opgestelde verklaring af, waarvan zij meedeelde dat zij deze samen met haar advocaat had geschreven (blz. 28). Over het (betwist) tweede verhoor van 30 december 2015 stelde zij in haar later verhoor in 2017 dat zij baby A. niet ‘bruut’ heeft verlegd, maar wel ‘vlugger’ dan gewoonlijk in zijn park heeft gelegd, zonder ondersteuning van het hoofdje, omdat de andere kindjes nog moesten eten, zonder de impact van die snelle beweging in te schatten (blz. 28, 36 en 37).
  1. Tenslotte wijst het arrest op het belang van voldoende ander belastend bewijsmateriaal dat losstaat van vermelde verklaringen zonder bijstand van een advocaat, namelijk het medisch verslag van de dag na de feiten, de medische beeldvorming, het sms-verkeer over de futloze toestand van eiseres en het gebrek aan ondersteuning van haar moeder in de kinderopvang en de bevindingen van de kinderartsen. Op basis van al deze elementen, en vooral de bevindingen van het college van deskundigen, sluit het hof van beroep uit dat de hersenletsels van A. zouden ontstaan zijn door onopzettelijk geweld, zoals het snel en zonder ondersteuning in een park leggen in een stressvolle situatie (blz. 28 en 37).
  2. Uit het arrest valt niet af te leiden dat het arrest meer belang hecht aan de navolgende verhoren van eiseres in 2015 en 2016 dan aan haar eerste verklaringen (afgelegd na afstand van het recht op bijstand) of aan haar laatste verhoor met bijstand van een advocaat. Ook blijkt niet uit de motivering dat haar verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat richting gaven aan het onderzoek of belastende gegevens bevatten die geen (enkele) steun vinden in ander bewijsmateriaal. Uit die verklaringen wordt alleen afgeleid dat eiseres “wel degelijk besef had van een incident dat in verband staat met de plotse abnormale toestand van A.”. Voor de vraag of dit ‘incident’ opzettelijk of onopzettelijk was, werd naar mijn mening uitsluitend gelet op andere bewijsgegevens. Bovendien had eiseres de gelegenheid om tijdens een later verhoor met bijstand van een advocaat de eerder afgelegde verklaringen, betwist in het middel, te nuanceren, aan te vullen, te verbeteren of in te trekken.
  3. De beslissing om de betwiste verhoren afgenomen zonder de fysieke bijstand van een advocaat niet te weren als bewijs lijkt mij dan ook verenigbaar met de ingeroepen artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM, zodat het tweede middel niet kan worden aangenomen. Voor het overige geeft het middel niet aan hoe en waarom vermelde motivering over de toelaatbaarheid van twee verhoren een schending inhoudt van artikel 149 Grondwet over de motiveringsplicht, en is het op dit punt niet-ontvankelijk, bij gebrek aan nauwkeurigheid.
  4. Recht op het (doen) ondervragen van getuigen à décharge.
  5. In een derde middel werpt eiseres op dat het bestreden arrest ten onrechte heeft geweigerd in te gaan op haar vraag in conclusie over het horen van de artsen VL en VA als getuigen à décharge. Deze artsen hadden nochtans nuttige informatie kunnen uitbrengen, aan de hand van het reeds uitgevoerde genetisch onderzoek en de actuele medische kennis over het EHMT1-gen, of de taalachterstand van slachtoffer A. eerder verband houdt met de aangeboren aandoening van het ‘Kleefstra-syndroom’ dan met een hersenletsel ontstaan door de ten laste gelegde feiten van 2 november
  6. Uit de ingeroepen artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM volgt geen absoluut recht om getuigen à décharge op de rechtszitting te horen. Het is vaste rechtspraak dat de vonnisrechter een verzoek tot het horen van een getuige à décharge kan afwijzen op basis van drie criteria, namelijk: 1°een voldoende onderbouwd verzoek voor een getuigenis die relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging, 2°de afdoende redenen om aan te nemen dat de getuigenis niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging en dus voor de beslissing de getuige niet te horen ter terechtzitting en 3°het feit dat het niet-horen van de getuige geen beletsel vormt voor een eerlijke behandeling van de zaak, in zijn geheel beschouwd
(22). Daarbij geeft de rechter aan op welke concrete omstandigheden hij zijn beoordeling steunt
(23)en moet de beklaagde kunnen achterhalen waarom de rechter de getuigenis niet relevant acht
(24). 35. Het bestreden arrest oordeelt onaantastbaar (blz. 41-43) dat A. pas een ernstige ontwikkelingsachterstand opliep na de feiten van geweld van 2 november 2015 en de zeer beperkte taalontwikkeling van A. te wijten is aan de impact van die feiten op de hersenen, wat blijkt uit diverse medische attesten
(25). Verder geeft het genetisch onderzoek verricht in het UZ Gent (waaraan Dr. VA) is verbonden, blz. 33-34) aan dat A. drager is van een variant van het EHMT1-gen, maar dat de diagnose van het Kleefstra-syndroom niet is vastgesteld. Het arrest voegt eraan toe dat noch de EHMT1-gen variant noch het Kleefstra-syndroom hersenbloedingen veroorzaken (blz. 40).
  1. Uit die redenen valt af te leiden dat het hof van beroep op basis van concrete omstandigheden van de zaak het horen van de twee artsen niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging en die afwijzing geen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces in zijn geheel. Het bestreden arrest lijkt mij naar recht verantwoord, zodat het eerste onderdeel (over de artt. 6.1 en 6.3.d EVRM) niet kan worden aangenomen.
  2. Voor het overige houdt de motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet (in dit middel toegespitst op de vraag tot bijkomend onderzoek) niet in dat de rechter tot in het detail moet ingaan op elk argument dat een partij in conclusies aanvoert
(26), zeker als het gaat om technisch-medische standpunten. Voor dat laatste lijkt het mij te volstaan dat de rechter verwijst naar medische verslagen die het tegendeel aantonen en die hij betrouwbaar acht, na het debat ten gronde. Het bestreden arrest verwijst voor haar onaantastbaar oordeel over de bewezen verklaarde verzwarende omstandigheid van artikel 400 Sw., in de versie ten tijde van de feiten
(27)(hetzij ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij een volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking) naar gelijkluidende verslagen van de artsen V.W., V.D.L. en H., de medische beeldvorming en de medische ingrepen na de feiten, zoals het draineren van vocht en bloed in de hersenen (blz. 42). Daarmee lijkt mij de beslissing tot het afwijzen van een getuigenverhoor à décharge of de aanstelling van een nieuw college van deskundigen toereikend gemotiveerd, zodat het derde onderdeel (over artikel 149 Grondwet) niet kan worden aangenomen. 38. Tenslotte leidt het bestreden arrest uit het verslag van Dr. VA af dat A. ‘geen Kleefstra-syndroom kent” en die piste “is uitgesloten” (blz. 42), hoewel dat verslag alleen vaststelt dat er “geen diagnose van dat syndroom kan worden weerhouden”. Ik meen dat het hof van beroep aan het verslag enkel een mogelijke uitlegging geeft, die niet onverenigbaar is met de bewoordingen van die akte
(28), zodat het tweede onderdeel (over de artt. 8.17 en 8.18 BW) feitelijke grondslag mist. De enkele omstandigheid dat de rechter uit een stuk dat hij vermeldt niet hetzelfde gevolg afleidt als een partij, houdt immers nog geen miskenning van de bewijskracht van dat stuk in
(29). Voor het overige lijkt mij het onderdeel op te komen tegen een onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van medische verslagen, en is het onderdeel op dit punt niet-ontvankelijk.
  1. Redelijke termijn van het strafproces.
  2. Beklaagden hebben recht op een strafproces dat binnen een redelijke termijn is afgerond (art. 6.1 EVRM en art. 14.3.c IVBPR). Artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering houdt in dat als de strafrechter een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, waarbij er geen zwaarwichtige miskenning is van die termijn, hij de eenvoudige schuldigverklaring of een lagere straf kan uitspreken
(30). Voor deze laatste remedie moet het gaan om een reële en meetbare strafvermindering
(31). 40. Niet is vereist dat de rechter uitdrukkelijk de straf vermeldt die hij zou hebben opgelegd bij een normaal procesverloop, zonder enige onverantwoorde vertraging
(32). Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter aangeeft dat de straf die hij uitspreekt gelet op de overschrijding van de redelijke termijn lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd zonder overschrijding van die termijn
(33). Voor de rechter in hoger beroep is het niet verboden dat hij voor die strafvermindering verwijst naar redenen opgegeven door de eerste rechter, en zich die redenen zo eigen maakt
(34).
  1. Het bestreden arrest (blz. 44) neemt voor de straftoemeting de overwegingen in het beroepen vonnis van 3 oktober 2023 (blz.15-16) over, met inbegrip van de motivering over de overschrijding van de redelijke termijn, en meent dat de eerste rechter aan eiseres een “wetmatige en passende straf” heeft opgelegd ter beteugeling van feit A. De eerste rechter gaf aan dat de behandeling van de zaak ‘buitensporige vertraging heeft opgelopen’, niet te wijten aan de beklaagde (onder meer wegens de diverse deskundigenonderzoeken die 4,5 jaar in beslag namen) en hij met die ernstige vertraging rekening houdt. Het beroepen vonnis acht het nodig om als passend rechtsherstel een straf op te leggen die op een reële en meetbare wijze lager is dan deze die kon worden opgelegd bij een normaal procesverloop, zonder concreet de straf te vermelden die bij een normaal procesverloop gepast was (blz. 15). Samen met andere elementen, zoals de ernst van de feiten, de gevaarlijke ingesteldheid van eiseres, de miskenning van de integriteit van een baby die haar als onthaalmoeder werd toevertrouwd en het gunstig strafverleden van eiseres, sprak de correctionele rechtbank voor feit A een gevangenisstraf uit van 18 maanden met uitstel vijf jaar (die in het bestreden arrest van 26 juni 2024 wordt bevestigd).
  2. Dit geheel van redenen lijkt mij naar recht verantwoord en toereikend om het Hof toe te laten zijn wettigheidscontrole uit te oefenen op de vereiste van een reële en meetbare strafvermindering. Het vierde middel over de straftoemeting bij overschrijding van de redelijke termijn, volgens eiseres in strijd met de artikelen 6.1 EVRM, 14.3.c IVBPR, 27 V.T.Sv. (eerste onderdeel) en de artikelen 149 Grondwet, 195 en 211 Sv. (tweede onderdeel), kan m.i. niet worden aangenomen. Conclusie. Er lijkt mij geen reden te zijn voor het aanvoeren van ambtshalve middelen. Verwerping van het cassatieberoep. _______________________________
(1)In de periode 7 september tot 2 november 2015, feit B (artikelen 392, 398, 405bis en 405ter Sw.)
(2)M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 835-840 en 1421-1424. Zie alg. T. TOREMANS, De gerechtsdeskundige. Nationaal register, deontologie en tucht, Larcier 2024, 624p.
(3)Cass. 14 december 2021, AR P.21.1556.N, AC 2021, nr. 801, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.14.
(4)In een stuk van gerechtsdeskundige Dr. V.P. van 27 april 2024 (zie verder eerste middel, derde onderdeel) is vermeld dat Dr. V.R. zijn verslag over de medische beeldvorming digitaal heeft ondertekend.
(5)Zie o.a. Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0417.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.11, AC 2022, nr. 439; Cass. 2 juni 2020, AR P.20.0400.N, AC 2020, nr. 348, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.11, RW 2021-22, 417; Cass. 30 mei 2017, AR P.16.0783.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.6, AC 2017, nr. 358; Cass. 16 december 2009, AR P.09.1157.F, AC 2009, nr. 754, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091216.3, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 10 juni 2008, AR P.07.1773.N, AC 2008, nr. 360, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080610.3; Cass. 8 december 2004, AR P.04.1372.F, AC 2004, nr. 600, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041208.12, RW 2008, 1318 noot A. VANDEPLAS; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 299, 907, 914 en 916; F. VANNESTE, “Sancties en herstel van onregelmatigheden bij de eedaflegging van een deskundige in strafzaken”, RW 2005-06, 1260-1263; F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 64, 167 en 217; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2020, 256; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 845 en 1349; B. DE SMET, Eed in strafzaken, APR 2023, 287-316.
(6)De burgerlijke rechter verloor de mogelijkheid om ambtshalve een nietigheid op te werpen, op basis van oud art. 862 Ger.W., opgeheven door de wet van 19 oktober 2015, BS 22 oktober 2015, T. TOREMANS, “De nietigheid van het niet-ondertekende eindverslag van de gerechtsdeskundige voor en na Potpourriwet I", Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht, 2019, nr. 2, p. 56.
(7)Cass. 8 februari 2019, AR C.16.0447.N, AC 2019, nr. 82, met concl. van procureur-generaal MORTIER, toen advocaat-generaal, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.2; J. LAENENS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Intersentia 2020, 141-145; D. MOUGENOT, “Les mesures d’instruction”, in Droit judiciaire. Tome 2. Procédure civile, Larcier 2021, 782.
(8)Cass. 12 april 2018, AR C.17.0300.N, AC 2018, nr. 230, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180412.2, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL; T. TOREMANS, “De nietigheid van het niet-ondertekende eindverslag van de gerechtsdeskundige voor en na Potpourriwet I", Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht, 2019, nr. 2, p. 55-58; B. DE SMET, Eed in strafzaken, APR 2023, 182-183.
(9)In die zin zie m.i. ook R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2023, 249-250; ‘In dat geval ondertekent hij zijn verslag op straffe van nietigheid en laat hij zijn handtekening voorafgaan door de schriftelijke eed uit artikel 555/15 Ger.W. De eventuele nietigheid kan echter worden gedekt door een vonnis of arrest op tegenspraak, dat niet een eenvoudige maatregel van inwendige orde is, op voorwaarde dat de nietigheid niet voor de rechter was voorgedragen of door hem ambtshalve werd uitgesproken (art. 407 Sv.)”.
(10)Over de samenwerking van deskundigen in een college, in een burgerlijke zaak, zie Cass. 15 december 2022, AR C.21.0309.F, AC 2022, nr. 828, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221215.1F.4, met concl. van advocaat-generaal WERQUIN, op datum in Pas., en D. MOUGENOT, “Les mesures d’instruction”, in Droit judiciaire. Tome 2. Procédure civile, Larcier 2021, 768, die aangeeft dat de deskundigen onderling afspraken kunnen maken, waarbij één van hen verslag uitbrengt over een deelaspect van de technische opdracht.
(11)Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1170.N, AC 2021, nr. 189, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3; Cass. 12 juni 2018, AR P.17.1316.N, arrest niet gepubliceerd in AC, RW 2019-20, 1224.
(12)Over de reden van het geheim onderzoek, nodig voor een efficiënte opsporing en het vermoeden van onschuld GwH 25 januari 2017, arrest 6/2017, B.3, www.const-court.be.
(13)Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1017.N, AC 2022, nr. 1, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.2, NC 2022, 63; Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1170.N, AC 2021, nr. 189, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3; Cass. 13 oktober 2015, AR P.15.0769.N, AC 2015, nr. 600, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151013.4, RW 2017-18, 225, noot D. DE WOLF; Cass. 9 februari 2011, AR P.10.1784.F, AC 2011, nr. 116, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110209.7; Cass. 26 oktober 2010, AR P.10.1028.N, AC 2010, nr. 636, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.5; Cass. 19 februari 2003, AR P.02.1400.F, AC 2003, nr. 118, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030219.12; Cass. 10 februari 1999, AR P.98.0826.F, AC 1999, nr. 74, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990210.10.
(14)Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1170.N, AC 2021, nr. 189, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3; Cass. 12 juni 2018, AR P.17.1316.N, arrest niet gepubliceerd, RW 2019-20, 1224; Cass. 10 maart 2015, AR P.14.1339.N, AC 2015, nr. 179, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150310.4; Cass. 13 november 2012, AR P.12.1082.N, AC 2012, nr. 610, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121113.1, met concl. van procureur-generaal DUINSLAEGER, toen advocaat-generaal; Cass. 19 februari 2003, AR P.02.1400.F, AC 2003, nr. 118, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030219.12, JT 2003, 465, RDP 2004, 130 noot A. FETTWEIS; GwH 24 juni 1998, arrest 74/98, JT. 1998, 551 en GwH 13 januari 1999, arrest 1/99, RDPC 1999, 720. Zie F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol. 1, Larcier 2006, 598-599; Ph. TRAEST, “Enkele bedenkingen bij een wettelijke regeling van het deskundigenonderzoek in strafzaken”, in Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 811- 814; M. FRANCHIMONT, A. MASSET en A. JACOBS, Manuel de procédure pénale, Larcier 2012, 546 en 1207; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 536; T. DECAIGNY, Tegenspraak in het vooronderzoek, Intersentia 2013, 510-512; R. DECLERCQ, Beginselen van strafvordering, Kluwer 2014, 232 en 300; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 847 en 1425; F. LUGENTZ, L’expertise judiciaire en matière pénale, Anthémis 2024, 69-75.
(15)Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1170.N, AC 2021, nr. 189, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3; Cass. 12 juni 2018, AR P.17.1316.N, arrest niet gepubliceerd, RW 2019-20, 1224; F. LUGENTZ, L’expertise judiciaire en matière pénale, Anthémis 2024, 72.
(16)Cass. 16 april 2024, AR P.24.0171.N, AC 2024, nr. 308, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.12.
(17)Over dit aspect van gevolgtrekking zie o.a. Cass. 16 april 2024, AR P.24.0171.N, AC 2024, nr. 305, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.12; Cass. 12 december 2023, AR P.23.0813.N, AC 2023, nr. 829, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.5; F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ., 2023, 178-179; J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 100.
(18)EHRM (GK) 9 november 2018, Beuze t/België, nr. 71409/10, www.echr.coe.int Zie ook EHRM 22 februari 2022, Schurmans t/België, nr. 33075/09; EHRM 28 april 2022, Wang t/Frankrijk, nr. 83700/17, EHRM 27 augustus 2024, W.R. t/ Nederland, www.echr.coe.int; Cass. 12 december 2023, AR P.23.1295.N, AC 2023, nr. 833, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.1; Cass. 7 maart 2023, AR P.22.1522.N, AC 2023, nr. 180, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.4; Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1286.N, AC 2022, nr. 84, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12; Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1190.N-P.21.1222.N, AC 2022, nr. 82, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.8; M. COLETTE, “Bij politieverhoor asymmetrische verhouding tussen justitie en verdachte. EHRM bestendigt institutionele benadering van bijstandsrecht”, NC 2022, 275-281; P. TERSAGO, “De vertaalslag van de Beuze-rechtspraak in heropeningsprocedures voor het Hof van Cassatie”, NC 2022, 401-405; F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Vol.2, Larcier 2023, 2135-2146.
(19)Cass. 19 april 2022, AR P.21.1232.N, AC 2022, nr. 264, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11 met concl. OM; Cass. 16 maart 2022, AR P.21.1300.F, AC 2022, nr. 196, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220316.2F.16, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas., RDPC 2022, 1300; Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1190.N-P.21.1222.N, AC 2022, nr. 82, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.8.
(20)Cass. 12 december 2023, AR P.23.1295.N, AC 2023, nr. 833, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.1; Cass. 7 maart 2022, AR P.22.1522.N, AC 2022, nr. 180, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.4; Cass. 19 april 2022, AR P.21.1232.N, AC 2022, nr. 264, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11; Cass. 21 mei 2019, AR P.19.0045.N, AC 2019, nr. 304, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.3.
(21)Het arrest oordeelt, met verwijzing naar het verslag van de gerechtsdeskundigen (blz. 31-37), dat eiseres de baby A. hardhandig door elkaar geeft geschud, gezien de aard van de vastgestelde verwondingen (acute hersenbloeding, ernstige overdruk in de hersenen en bloedingen in het oog (fulminante retinale bloedingen)).
(22)EHRM 19 januari 2021, Keskin t/Nederland, §42-43; EHRM 18 december 2018, Murtazaliyeva t/Rusland, §136-161, www.echr.coe.int; Cass. 18 juni 2024, AR P.23.1146.N, AC 2024, nr. 460, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23; Cass. 21 november 2023, AR P.23.1001.N, AC 2023, nr. 755, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.4; Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0982.N, AC 2022, nr. 621, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12; Cass. 1 maart 2022, AR P.21.0658.N, AC 2022, nr. 155, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9; Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1104.N, AC 2021, nr. 166, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5, RW 2022-23, 375. Zie S. BERNEMAN, “De advocaat, de terrorist en de getuige à décharge: een explosief trio!”, T. Strafr. 2019, 286-290; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, GOMPEL & SVACINA 2019, 781-782; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1400-1403, F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Vol. 2, Larcier 2023, 2278-2291.
(23)Onder meer de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie tussen de getuige en de procespartijen, de betrouwbaarheid van de getuige in functie van zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten en de betrouwbaarheid van een schriftelijke verklaring van de getuige, zie Cass. 18 juni 2024, AR P.23.1146.N, AC 2024, nr. 460, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23; Cass. 21 november 2023, AR P.23.1001.N, AC 2023, nr. 755, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.4; Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0982.N, AC 2022, nr. 621, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N, AC 2019, nr. 117, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN.
(24)Cass. 18 juni 2024, AR P.23.1146.N, AC 2024, nr. 460, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23; Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0982.N, AC 2022, nr. 621, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12.
(25)Met verwijzing in het arrest naar de medische verslagen van Dr. VDW, Dr. VL en Dr. H., en verder de medische beeldvorming en de medische ingrepen om vocht en bloed in de hersenen te draineren.
(26)Cass. 5 september 2023, AR P.23.0556.N, AC 2023, nr. 532, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.4; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0053.N, AC 2022, nr. 415, RO 39, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.15; J. DU JARDIN, “Motivering van vonnissen en arresten in strafzaken”, in Comm.Straf, 2008, 57.
(27)Voorafgaand aan de actuele versie van art. 400 Sw over een arbeidsongeschiktheid van meer dan vier maanden in plaats van blijvende arbeidsongeschiktheid (art. 20 wet 5 februari 2016, BS 19 februari 2016).
(28)Cass. 16 april 2024, AR P.24.0171.N, AC 2024, nr. 305, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.12; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1411.N, AC 2023, nr. 857, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14; Cass. 5 december 2023, AR P.23.1131.N, AC 2023, nr. 807, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.8; Cass. 20 juni 2023, AR P.23.0635.N, AC 2023, nr. 467, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.10; Cass. 21 februari 2023, AR P.22.0810.N, AC 2023, nr. 129, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.11.
(29)Cass. 12 december 2023, AR P.23.0813.N, AC 2023, nr. 829, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.5; Cass. 2 maart 2021, AR P.20.1234.N, AC 2021, nr. 150, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11, NC 2021, 345; F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ., 2023, 179-180.
(30)Over art. 27 V.T.Sv., ingevoegd door art. 34 Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 (BS 24 april 2024), dat wat betreft de strafvermindering oud art. 21ter V.T.Sv. herneemt, zie Cass. 5 november 2024, AR P.24.1013.N, AC 2024, nr. 736, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13. Over de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn zie o.a. Cass. 19 september 2023, AR P.23.0382.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7, AC 2023, nr. 567, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.24; Cass. 5 september 2023, AR P.22.0708.N, AC 2023, nr. 526, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11, RW 2023-24, 1149; Cass. 10 mei 2017, AR P.17.0179.F, AC 2017, nr. 323, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.2; Cass. 7 september 2011, AR P.10.1319.F, AC 2011, nr. 455, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1; Cass. 15 september 2010, AR P.10.0572.F, AC 2010, nr. 524, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2; GwH 29 juli 2010, nr. 92/2010 en GwH 18 februari 2010, arrest 16/2010, www.const-court.be; F. DERUYCK, “De overschrijding van de redelijke termijn en de onderzoeksgerechten: let’s get serious”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 171-182; J. MEESE, “De redelijke termijn in strafzaken”, in Comm.Straf, Kluwer 2011, 24p.; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, die Keure 2021, 58-59; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL & SVACINA 2022, 755-757; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, II, 1633-1681.
(31)Cass. 5 november 2024, AR P.24.1013.N, AC 2024, nr. 736, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13; Cass. 18 juni 2024, AR P.24.0445.N, AC 2024, nr. 462, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.16; Cass. 29 mei 2024, AR P.23.1560.F, AC 2024, nr. 406, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240529.2F.3; Cass. 9 mei 2023, AR P.23.0229.N, AC 2023, nr. 341, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.10; Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1363.N, AC 2023, nr. 147, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1; Cass. 13 april 2021, AR P.20.1297.N, arrest niet gepubliceerd, T. Strafr. 2021, 238 noot P. HOET; Cass. 8 juni 2016, AR P.16.0236.F, AC 2016, nr. 384, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160608.1; Cass. 27 september 2011, AR P.10.2020.N, RO 6, AC 2011, nr. 500, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.2.
(32)Cass. 18 juni 2024, AR P.24.0445.N, AC 2024, nr. 462, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.16; Cass. 9 mei 2023, AR P.23.0219.N, AC 2023, nr. 340, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2, T. Strafr. 2023, 239; Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1363.N, AC 2023, nr. 147, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1
(33)Cass. 18 juni 2024, AR P.24.0445.N, AC 2024, nr. 462, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.16; Cass. 9 mei 2023, AR P.23.0219.N, AC 2023, nr. 340, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2, T. Strafr. 2023, 239; Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1363.N, AC 2023, nr. 147, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1.
(34)Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1363.N, AC 2023, nr. 147, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.17 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990210.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030219.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041208.12 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080610.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091216.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110209.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121113.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150310.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151013.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160608.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180412.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220316.2F.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221215.1F.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.24 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231205.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240529.2F.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.