id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.4 Rolnummer: P.24.1708.N Zaak: P. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-02-10 Raadplegingen: 532 - laatst gezien 2026-06-19 01:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.4 Fiches 1 - 3 Volgens artikel 14, § 3, tweede zin, Probatiewet verjaart de vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden een vol jaar na de dag waarop zij bij het bevoegde gerecht is aangebracht; de vordering tot herroeping van het probatie-uitstel heeft betrekking op de uitvoering van de straf en is dan ook een vordering die behoort tot de strafvordering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Vrije woorden: Vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Verjaringstermijn van één jaar - Verband met de strafvordering Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 3, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Vonnisgerechten - Veroordeling met probatieuitstel of uitstel van de veroordeling met probatieopschorting - Vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Verjaringstermijn van één jaar - Verband met de strafvordering Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 3, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Vonnisgerechten - Veroordeling met probatieuitstel of uitstel van de veroordeling met probatieopschorting - Vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Verjaringstermijn van één jaar - Verband met de strafvordering Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 3, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 4 - 6 De wet van 9 april 2024 Strafprocesrecht I, die op 28 april 2024 in werking is getreden, heeft de regeling van de verjaring van de strafvordering gewijzigd; de nieuwe regeling is van toepassing op alle vorderingen die volgens de oude wet nog niet waren verjaard op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe wet; de eenjarige verjaringstermijn van artikel 14, § 3, tweede zin, Probatiewet kon volgens artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing tot de opheffing ervan door artikel 60 van de wet van 9 april 2024 Strafprocesrecht I op 28 april 2024, worden gestuit; door de opheffing van die bepaling kan die verjaringstermijn niet langer worden gestuit
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, in de versie van na de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEOPSCHORTING Vrije woorden: Vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Verjaringstermijn van één jaar - Vordering ingesteld vóór 28 april 2024 - Opheffing van de stuiting van de verjaring door de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 - Onmiddellijke toepassing van de nieuwe regel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 22 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 3, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Veroordeling met probatieuitstel of uitstel van de veroordeling met probatieopschorting - Vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Verjaringstermijn van één jaar - Vordering ingesteld vóór 28 april 2024 - Opheffing van de stuiting van de verjaring door de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 - Onmiddellijke toepassing van de nieuwe regel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 22 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 3, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Stuiting Vrije woorden: Veroordeling met probatieuitstel of uitstel van de veroordeling met probatieopschorting - Vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Verjaringstermijn van één jaar - Vordering ingesteld vóór 28 april 2024 - Opheffing van de stuiting van de verjaring door de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 - Onmiddellijke toepassing van de nieuwe regel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 22 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 3, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 7 - 9 Uit de met de wet van 9 april 2024 Strafprocesrecht I ingevoerde regeling en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de wetgever het onderscheid heeft willen behouden tussen de in artikel 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalde nieuwe gemeenrechtelijke regeling van de verjaring van de strafvordering, die stelt dat de verjaringstermijn van de strafvordering niet meer loopt vanaf de dag van de aanhangigmaking van de strafvordering voor de politierechtbank, de correctionele rechtbank, het hof van assisen of het hof van beroep zetelend in eerste en laatste aanleg, en de bijzondere verjaringsregeling van artikel 14, § 3, tweede zin, Probatiewet betreffende de herroepingsvordering; het is uitgesloten dat de wetgever zou hebben gewild dat het feit van aanhangigmaking van de vordering zowel de verjaring van de herroepingsvordering zou doen ingaan als het verloop van die verjaring zou schorsen
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artt. 23 en 25 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, in de versie van na de Wet Strafprocesrecht I van 9 april
- Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEOPSCHORTING Vrije woorden: Vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Verjaringstermijn van één jaar - Vordering ingesteld vóór 28 april 2024 - Nieuwe regel dat de verjaring niet meer loopt vanaf de aanhangigmaking van de zaak bij het vonnisgerecht - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 3, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Veroordeling met probatieuitstel of uitstel van de veroordeling met probatieopschorting - Vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Verjaringstermijn van één jaar - Vordering ingesteld vóór 28 april 2024 - Nieuwe regel dat de verjaring niet meer loopt vanaf de aanhangigmaking van de zaak bij het vonnisgerecht - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 3, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Veroordeling met probatieuitstel of uitstel van de veroordeling met probatieopschorting - Vordering tot herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Verjaringstermijn van één jaar - Vordering ingesteld vóór 28 april 2024 - Nieuwe regel dat de verjaring niet meer loopt vanaf de aanhangigmaking van de zaak bij het vonnisgerecht - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 14, § 3, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de conclusie P.24.1708.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De toepassing van de nieuwe regels over de verjaring van de strafvordering (Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024) op de vordering tot herroeping van de probatie-opschorting of het probatie-uitstel (art. 14, § 3 Probatiewet 29 juni 1964)”.
- Het hof van beroep te Gent verleende bij arrest van 11 mei 2022 aan verweerder de gunst van de probatie-opschorting, voor een termijn van drie jaar, wegens feiten van belaging.
- De correctionele rechtbank te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, heeft bij vonnis van 16 juni 2023 de vordering tot herroeping van de probatie-opschorting, ingesteld op 10 januari 2023, gegrond verklaard en heeft de internering van verweerder bevolen. Die vordering is gesteund op het verslag van de probatiecommissie te Brugge van 6 december 2022, waarin de zaak tot herroeping werd overgemaakt, na vaststelling dat probatievoorwaarden niet werden nageleefd.
- Op 14 juli 2023 hebben zowel verweerder als het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Uit de stukken blijkt dat verweerder op 8 december 2023 werd gedagvaard om deel te nemen aan de terechtzitting van 10 januari
- De zaak werd vervolgens uitgesteld naar de rechtszittingen van 14 mei 2024 en 8 oktober
- Het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent van 13 november 2024 verklaart de vordering tot herroeping van de probatie-opschorting verjaard, op basis van een ambtshalve grief (art. 210 Sv.), omdat deze vordering verjaart na één jaar en het gaat om een vervaltermijn, niet (meer) vatbaar voor stuiting en schorsing.
- Artikel 14, § 3 Probatiewet verplicht het openbaar ministerie om de vordering tot herroeping wegens miskenning van opgelegde probatievoorwaarden in te stellen binnen het jaar na het einde van de proeftijd en het vonnisgerecht om uitspraak te doen binnen het jaar nadat de vordering voor het bevoegde gerecht is aangebracht
(1). Het gaat voor de termijn van berechting om een verjaringstermijn die deel uitmaakt van de strafvordering en onderworpen is aan de regels van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (V.T.Sv.)
(2), zoals gewijzigd door de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 (BS 18 april 2024). 5. Voorafgaand aan deze wet, van toepassing vanaf 28 april 2024, kon de termijn van één jaar voor de beoordeling van de vordering tot herroeping van probatievoorwaarden worden verlengd door schorsing of stuiting overeenkomstig de vroegere bepalingen van art. 21-24 V.T.Sv.
(3). Er kon aldus een nieuwe termijn van één jaar lopen vanaf de dagstelling van de zaak in hoger beroep. 6. Het nieuwe systeem van verjaring van de strafvordering is op vier punten aangepast
(4): 1°de termijnen van verjaring zijn verlengd (zoals voor de berechting van wanbedrijven van vijf naar tien jaar), zodat er voldoende tijd is voor het voeren en afronden van strafrechtelijke onderzoeken (nieuw art. 21 V.T.Sv.); 2°er is geen verlenging meer van de verjaringstermijnen door stuiting, ingevolge daden van onderzoek en vervolging gesteld binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn (opheffing art. 22 V.T.Sv.); 3°de verjaring van de strafvordering loopt niet meer vanaf de dag van de (tijdige) aanhangigmaking van de strafvordering voor het vonnisgerecht (nieuw art. 23 V.T.Sv.); 4°de verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat voor de instelling van de strafvordering (nieuw art. 24 V.T.Sv., dat enkele schorsingsgronden heeft opgeheven). Als compensatie voor de beklaagde is nu in de wet verankerd dat de rechter bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn in strafzaken het verval van de strafvordering kan uitspreken (art. 27 V.T.Sv.)
(5). 7. Het is vaste rechtspraak dat nieuwe verjaringswetten onder de noemer vallen van “wetten op de rechtspleging”, die volgens artikel 3 Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk van toepassing zijn op lopende rechtszaken die nog niet verjaard zijn op moment van inwerkingtreding van de nieuwe wet
(6). Tijdens de bespreking van het wetsontwerp Strafprocesrecht I
(2024)was de minister van Justitie gekant tegen overgangsmaatregelen, “om onnodige complexiteit te voorkomen”, en benadrukte hij dat het nieuwe verjaringsstelsel als procedureregeling onmiddellijk van kracht wordt
(7). In elk strafdossier waarin de verjaring van de strafvordering niet is bereikt op 28 april 2024, door toepassing van de oude regels over verjaring, moet de verjaring dus opnieuw worden gecontroleerd, aan de hand van de nieuwe regels. 8. Professor Raf VERSTRAETEN merkte hierbij op dat de nieuwe regeling in sommige gevallen strenger en in andere gevallen milder is
(8). Door de afschaffing van stuiting blijven er alleen ‘vaste verjaringstermijnen’ over, wat voor de beklaagde of veroordeelde voordelig is in zaken met korte verjaringstermijnen. Het bestreden arrest oordeelt m.i. correct dat “zolang de verjaring niet is verworven, ze onderworpen is aan alle achtereenvolgende wetten die de termijn ervan wijzigen, zodat de rechter op het ogenblik dat hij uitspraak doet zowel de wet dient toe te passen die de duur van die termijn verlengt als die welke duur ervan verkort”. 9. De toepassing van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 op hangende zaken over de herroeping van het probatie-uitstel of de probatie-opschorting gaf reeds aanleiding tot uiteenlopende rechtspraak
(9). In de rechtsleer werd erop gewezen dat de toepassing van de stuiting en de schorsing op de verjaringstermijn van één jaar van deze bijzondere procedure aan herziening toe is
(10).
- Eiser voert in zijn middel aan dat in zaken van probatieherroeping de actuele regel geldt dat de verjaring niet meer loopt vanaf de aanhangigmaking voor de correctionele rechtbank, en het bestreden arrest in strijd is met de artikelen 23 en 25 V.T.Sv., zoals thans van toepassing na 28 april
- Het bestreden arrest oordeelt dat de termijn van één jaar voor de herroeping van de probatie-opschorting geldt als een specifieke verjaringstermijn, niet vatbaar voor stuiting, en dat de verjaring niet wordt gestopt door de inleidende akte voor de eerste rechter. De stopzetting van de verjaring ingevolge een tijdige dagvaarding, ingevolge artikel 23 V.T.Sv., is als algemene regeling niet verenigbaar met de bijzondere regeling van artikel 14, § 3 Probatiewet, die niet werd gewijzigd of opgeheven door de Wet Strafprocesrecht I van 9 april
- De stopzetting houdt ook geen schorsing in van de verjaring. Verder stelt het arrest dat de verjaring niet door dezelfde gebeurtenis, namelijk de aanhangigmaking, kan beginnen te lopen als stoppen en dat de verjaringstermijn van één jaar voor de herroeping (art. 14, § 3 Probatiewet) geen enkele bestaansreden meer heeft, mocht de verjaring niet meer intreden vanaf de vordering tot herroeping. Daarbij komt dat daden van stuiting niet meer mogelijk zijn (art. 60 Wet Strafprocesrecht I). Het feit dat tijdens de parlementaire besprekingen over de Wet Strafprocesrecht I werd aangegeven dat de nieuwe verjaringsregels de verjaring in sommige gevallen zal doen intreden, is een bewuste keuze van de wetgever, en dus geen vergetelheid (blz. 8).
- Het Hof, tweede kamer F, nam op 18 december 2024 standpunt in, in dezelfde zin als het bestreden arrest, op gelijkluidende conclusie van advocaat-generaal Damien VANDERMEERSCH
(11). Het Hof verwierp het cassatieberoep ingesteld door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Bergen, gericht tegen een arrest van 5 september 2024 dat de vordering tot herroeping van het probatie-uitstel (ingesteld in eerste aanleg op 14 juni 2023) vervallen verklaart wegens verjaring, om volgende redenen: - Volgens artikel 25 VT. Sv. gelden de (nieuwe) wetsbepalingen over de verjaring van de strafvordering (art. 21, 23 en 24 V.T.Sv.) ook in het bijzonder strafrecht, tenzij anders is bepaald; - De regel dat de vordering tot herroeping van het probatie-uitstel
(12)verjaart na één jaar vanaf de aanhangigmaking (art. 14, § 3 Probatiewet) is niet aangepast door de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 en houdt verband met de strafvordering; - De termijn van uitspraak van één jaar van artikel 14, § 3 Probatiewet kan niet (meer) worden verlengd door stuiting, omdat oud artikel 22 V.T.Sv. over de stuiting is opgeheven, en die maatregel meteen van toepassing is op alle lopende procedures die nog niet zijn verjaard op 28 april 2024, volgens de regels die van toepassing waren vóór die datum; - De wetgever koos ervoor de termijn van één jaar voor de herroeping van probatiemaatregelen niet te verlengen en het onderscheid te behouden tussen de gewone regels van de verjaring van de strafvordering en het bijzonder regime dat geldt voor die herroeping; - Het instellen van de vordering tot herroeping van probatiemaatregelen kan niet terzelfdertijd het beginpunt zijn van verjaring en de verjaring doen schorsen; - Uit de formulering van artikel 14, § 3 Probatiewet blijkt dat deze bepaling afwijkt van de regel van artikel 23 V.T.Sv. dat vanaf een tijdig ingestelde dagvaarding de verjaring van de strafvordering niet meer intreedt; en - Een bijzondere regeling over de verjaring primeert op een algemene regeling over de verjaring.
- Ik ben van mening dat gelet op al deze beginselen, zoals bijkomend toegelicht in de conclusie van advocaat-generaal Damien VANDERMEERSCH, het bestreden arrest wettig heeft geoordeeld dat de specifieke verjaringstermijn van één jaar voor de berechting van de probatie-opschorting is overschreden, het middel faalt naar recht en er geen reden is voor het aanvoeren van een ambtshalve middel in cassatie.
- De dagvaarding in hoger beroep van 8 december 2023 is geen stuitingsdaad meer, die een nieuwe termijn van berechting van één jaar zou doen lopen, gezien die stuiting vanaf 28 april 2024² niet meer bestaat, ook voor de lopende gedingen. Voorts is de verjaring door de inleidende dagvaarding in eerste aanleg van 10 januari 2023 niet meer gestopt of geblokkeerd overeenkomstig artikel 23 V.T.Sv., omdat dit regime niet geldt voor de specifieke verjaringstermijn van één jaar van de herroeping van probatievoorwaarden, te rekenen vanaf de aanhangigmaking in eerste aanleg, zo niet zou deze bijzondere termijn elke betekenis verliezen
(13), zoals het arrest correct aangeeft. Er is ook geen grond tot schorsing van de verjaring voorhanden in de zin van artikel 24 V.T.Sv., namelijk een schorsingsgrond die de wet bepaalt of een wettelijk beletsel dat de instelling van de strafvordering verhindert
(14). Conclusie: verwerping. ______________________________________
(1)Over dit beginpunt, meer bepaald de dag waarop het bevoegde gerecht voor het eerst kennis neemt van de herroepingsvordering, zie Cass. 12 december 2023, AR P.23.1161.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 9 mei 2023, AR P.23.0229.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.10, AC 2023, nr. 341, T. Strafr. 2023, 239; Cass. 16 juni 2020, AR P.20.0329.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.8, AC 2020, nr. 402; Cass. 11 juni 2014, AR P.14.0774.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.1, AC 2014, nr. 419, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., RW 2015-16, 1545. Over art. 14, § 3 Probatiewet zie o.a. P. HOET, “De vordering tot herroeping van de probatie-opschorting of het probatie-uitstel wegens niet-nakoming van de probatie”, NC 2013, 254-257; P. HOET, “Knelpunten van de herroeping van het uitstel: opproefstelling is geen uitvoering van straf”, T. Strafr. 2019, 273-280 en T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Éléments de droit pénal, die Keure 2019, 387-388.
(2)Cass. 16 september 2020, AR P.20.0738.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200916.2F.15, AC 2020, nr. 544, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 9 mei 2007, AR P.07.0272.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070509.4, AC 2007, nr. 237; Cass. 6 januari 2004, AR P.03.0777.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040106.7, AC 2004, nr. 1.
(3)Cass. 9 februari 2021, AR P.20.1227.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.10, AC 2021, nr. 107; Cass. 11 juni 2014, AR P.14.0774.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.1, AC 2014, nr. 419; Cass. 9 mei 2007, AR P.07.0272.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070509.4, AC 2007, nr. 237.
(4)Wetsontwerp Strafprocesrecht I van 20 juli 2023, Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, Doc 55-3514/001, p. 14 en 40-54. Zie alg. V. TRUILLET en A. VERHEYLESONNE, “La réforme du régime de la prescription de l’action publique”, Dr.pén.entr. 2024, 377-381; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 231-é en 260; Concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH op datum in Pas.in de zaak Cass. 18 december 2024, AR P.24.1371.F, AC 2024, nr. 872, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241218.2F.2 , p. 4.
(5)Cass. 5 november 2024, AR P.24.1013.N, AC 2024, nr. 736, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13. De vereiste van de redelijke termijn geldt evenwel niet voor procedures tot herroeping van probatie-voorwaarden (Cass. 6 oktober 2004, AR P.04.0919.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041006.8, AC 2004, nr. 461)
(6)Cass. 18 december 2024, AR P.24.1371.F, AC 2024, nr. 872, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241218.2F.2, op datum in Pas.; Cass. 11 oktober 2017, AR P.17.0215.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171011.2, AC 2017, nr. 544, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 18 februari 2004, AR P.03.1689.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040218.7, AC 2004, nr. 88; Cass. 5 februari 2003, AR P.02.1428.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030205.7, AC 2003, nr. 85, JLMB 2003, 1307, noot P. MONVILLE. Zie alg. E. VAN MUYLEM, “Conflict van strafwetten in de tijd”, AJT 1988-99, 517-529; P. POPELIER, De toepassing van de wet in de tijd, APR 1999, 88-92; J. MEESE, E, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Larcier 2006, 225-é; C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu 2017, 852.
(7)Wetsontwerp Strafprocesrecht I, Verslag van de discussies, Parl. St. Kamer 2023-24, doc. 55-3514/003, p. 18.
(8)Wetsontwerp Strafprocesrecht I, Verslag van de discussies, Parl. St. Kamer 2023-24, doc 55-3514/003, p. 32.
(9)De visie van het bestreden arrest dat de vordering tot herroeping van probatiemaatregelen verjaart na één jaar, zonder mogelijkheid tot stuiting, vindt steun in hof van beroep te Brussel, 28 juin 2024, JLMB 2024, p. 1629; hof van beroep te Bergen, 19 juin 2024, JLMB 2024, p. 1627 en hof van beroep te Gent, 4 oktober 2024, rolnr 2024/NT/457, onuitg. Contra: hof van beroep te Antwerpen, 12 september 2024, nr. 2024/CO/260, onuitgeg. en hof van beroep te Luik, 27 juni 2024, JLMB 2024, p. 1628. Zie concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH op datum in Pas. in de zaak Cass. 18 december 2024, AR P.24.1371.F, AC 2024, nr. 872, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241218.2F.2, p. 5; R. VASSEUR, “Nieuwe verjaringsregels strafvordering hebben grote impact op vorderingen tot herroeping probatieuitstel”, Juristenkrant 23 oktober 2024, nr. 496, p. 7.
(10)J. DE HERDt, J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, Boek I van het nieuwe Strafwetboek, die Keure 2024, 366.
(11)Cass. 18 december 2024, AR P.24.1371.F, AC 2024, nr. 872, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241218.2F.2, op datum in Pas..
(12)Art. 14, § 3 Probatiewet bevat geen afzonderlijke regels voor de herroeping van de probatie-opschorting.
(13)Op dit punt zie concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH op datum in Pas. in de zaak Cass. 18 december 2024, AR P.24.1371.F, AC 2024, nr. 872, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241218.2F.2, p. 6.
(14)Vb. De schorsing van de verjaring van de strafvordering die ontstaat in de buitengewone termijn van verzet, omdat na het verstrijken van de gewone termijn van verzet de strafuitvoering mogelijk is op basis van de verstekbeslissing (art. 187, § 2 Sv.) en vanaf dan de verjaring van de strafuitvoering loopt (art. 91-96 Sw.), zie J. MEESE, De verjaring van de strafvordering uitgeklaard, Intersentia 2017, 61-62; R. VASSEUR, “Nieuwe verjaringsregels strafvordering hebben grote impact op vorderingen tot herroeping probatieuitstel”, Juristenkrant 23 oktober 2024, nr. 496, p. 7. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030205.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040106.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040218.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041006.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070509.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171011.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200916.2F.15 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241218.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div