← België

GRANDRICH INTERNATIONAL TRADING c. BS FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.2 Rolnummer: F.22.0172.N Zaak: GRANDRICH INTERNATIONAL TRADING c. BS FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-03-13 Raadplegingen: 617 - laatst gezien 2026-06-18 19:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.2 Fiche 1 Uit de tekst en de opzet van artikel 351, tweede lid, WIB92 blijkt dat de wetgever vooral gewild heeft dat de belastingplichtige middels de kennisgeving bedoeld in dat artikel in staat zou worden gesteld opmerkingen te maken of, met kennis van zaken, met de voorgenomen aanslag in te stemmen; aldus volstaat het dat komt vast te staan dat de belastingplichtige de kennisgeving werkelijk heeft ontvangen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag van ambtswege en forfaitaire aanslag Vrije woorden: Kennisgeving van aanslag van ambtswege - Vereisten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 351 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Artikel 351, tweede lid, WIB92 verzet er zich niet tegen dat de administratie tijdens de procedure bijkomende gegevens en argumenten aanvoert ter ondersteuning van wat in de kennisgeving van de aanslag van ambtswege wordt aangevoerd; uit het feit alleen dat de administratie achteraf bijkomende gegevens en argumenten in aanmerking neemt en dat de rechter die bijkomende gegevens en argumenten aanneemt als rechtvaardiging van de aanslag van ambtswege, kan niet worden afgeleid dat de kennisgeving niet regelmatig gemotiveerd was
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag van ambtswege en forfaitaire aanslag Vrije woorden: Kennisgeving van aanslag van ambtswege - Bijkomende gegevens en argumenten achteraf - Motivering - Regelmatigheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 351 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2025, nr. 1876, p. 7-
  1. - BUYSSE, Christian; Noot''Substance over form': ook bij 'kennisgeving aanslag van ambtswege'' Fiscologue-Fiscologue - 2025, n° 1876, p. 7-
  2. - BUYSSE, Christian; Note''Substance over form': aussi pour la notification d'imposition d'office' Tekst van de conclusie F.22.0172.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  3. Situering. De betwisting betreft aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2011, 2012, 2013 en 2014 die in hoofde van eiseres, zijnde een vennootschap opgericht in Hong Kong, werden gevestigd. Deze aanslagen werden mede gebaseerd op gegevens die werden verkregen naar aanleiding van de inzage door de administratie van een strafdossier lastens de heer V., accountant-belastingconsulent gespecialiseerd in internationale fiscaliteit. Eiseres zou volgens de administratie een Belgische fiscaal domicilie hebben in plaats van een domicilie in Hong Kong. De bezwaarschriften van eiseres werden afgewezen als ongegrond. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, verklaarde de vordering van eiseres, onder meer strekkende tot de vernietiging van de aanslagen, bij vonnis van 30 september 2020 ontvankelijk maar ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter werd bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Gent dd. 29 maart
  4. Eiseres komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie.
  5. Bespreking van het eerste middel. (…) TWEEDE ONDERDEEL. 2.
  6. Volgens eiseres was de administratie verplicht haar bij aangetekend schrijven in kennis te stellen van de redenen van de aanslag van ambtswege en van de belastbare grondslag op haar officieel adres, en kan dus geen kennisgeving op een andere adres worden toegestaan. Door enerzijds te stellen voor recht dat artikel 351 WIB92 wordt geschonden wanneer de administratie de kennisgeving van aanslag van ambtswege verstuurt naar een ander adres dan het officieel adres, maar anderzijds te stellen dat het de administratie is toegestaan de voormelde kennisgeving op een ander adres ter kennis te geven aan de belastingplichtige, schendt de appelrechter volgens eiseres de wil van de wetgever en de draagwijdte van artikel 351 WIB
  7. 2.
  8. Krachtens artikel 351, tweede lid, WIB92 dient de administratie, wanneer zij de procedure van aanslag van ambtswege wenst te volgen, vooraleer zij de aanslag vestigt, bij ter post aangetekende brief aan de belastingplichtige kennis te geven van de redenen waarom zij van die procedure gebruik maakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steunen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld. Artikel 351, tweede lid, WIB92 vereist een kennisgeving bij wijze van ‘ter post aangetekende brief aan de belastingplichtige’, maar stelt niet uitdrukkelijk dat die aangetekende brief aan het officieel adres van de belastingplichtige moet worden gericht. 2.
  9. De huidige tekst van artikel 351, tweede lid, WIB92 gaat terug op de Wet van 3 november 1976 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. De memorie van toelichting bij die Wet stelt evenmin dat de aangetekende brief waarbij de administratie de belastingplichtige kennis geeft van haar voornemen om een aanslag van ambtswege te vestigen, aan het officieel adres van de belastingplichtige moet worden verstuurd. De memorie van toelichting stelt enkel dat het artikel tot doel heeft “de administratieve werkwijze te bekrachtigen die erin bestaat aan de belastingplichtige – bij ter post aangetekende brief, vóór de vestiging en alleen ter inlichtingen – een bericht van aanslag van ambtswege sturen (bericht dat de belastingplichtige moet in staat stellen zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat de aanslag van ambtswege wordt ingekohierd, of later de wettelijkheid van die aanslag te betwisten), (…)”
(1). In lijn met voormelde overweging uit de Memorie van toelichting oordeelt het Hof in vaste rechtspraak dat de kennisgeving van ambtswege aanslag, die krachtens artikel 351, tweede lid, WIB92 moet worden verstuurd, de belastingplichtige in staat moet stellen zijn opmerkingen te maken of, met kennis van zaken, met de voorgenomen aanslag in te stemmen (en dat bijgevolg in dat geval aan artikel 351, tweede lid, WIB92 is voldaan), en dat de feitenrechter op onaantastbare wijze oordeelt of zulks het geval is
(2). Die rechtspraak betreft enkel de inhoudelijke vereisten waaraan de kennisgeving van aanslag van ambtswege dient te voldoen (met name de vereisten dat de kennisgeving de redenen moet bevatten waarom de administratie van die procedure gebruik maakt, evenals het bedrag van de inkomsten en de andere gegevens waarop de aanslag zal steunen). Het Hof heeft vooralsnog niet geoordeeld of de vereiste dat de kennisgeving van ambtswege aanslag de belastingplichtige in staat moet stellen zijn opmerkingen te maken of met kennis van zaken met de voorgenomen aanslag in te stemmen, al dan niet inhoudt dat die kennisgeving (in alle omstandigheden) aan het officieel adres van de belastingplichtige moet worden gestuurd. Evenwel lijkt het mij dat in lijn met die rechtspraak kan worden geoordeeld dat de kennisgeving van ambtswege aanslag aan de vereiste van artikel 351, tweede lid, WIB92 voldoet van zodra komt vast te staan dat de belastingplichtige van de kennisgeving kennis heeft kunnen nemen, op zodanige wijze dat hij zijn opmerkingen kon maken of met kennis van zaken met de aanslag kon instemmen, en dat zulks niet noodzakelijkerwijs veronderstelt dat de kennisgeving aan het officieel adres van de belastingplichtige wordt gericht. Argument daartoe is de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 346 WIB92, die de procedure van wijziging van aangifte betreft. 2.7. Met betrekking tot de draagwijdte van de vereisten van artikel 346 WIB92 oordeelt het Hof in vaste rechtspraak dat de bodemrechter in feite beoordeelt of het bericht van wijziging van de aangifte de belastingplichtige op een met redenen omklede wijze voldoende inlicht over de inkomsten en andere gegevens die de administratie in de plaats wil stellen van die welke aangegeven of aangenomen zijn, zodat hij de geplande wijziging kan onderzoeken en ze vervolgens verwerpen of aannemen, en dat het Hof enkel nagaat of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(3). Aldus is m.i. sprake van een duidelijke link tussen de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de inhoudelijke vereisten waaraan de kennisgeving van artikel 346, tweede lid, WIB92 moet voldoen en de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de inhoudelijke vereisten waaraan de kennisgeving van artikel 351, tweede lid, WIB92 moet voldoen. 2.
  1. Het Hof heeft zich in zijn rechtspraak met betrekking tot de draagwijdte van artikel 346, eerste lid, WIB92 evenwel niet enkel uitgesproken over de inhoudelijke vereisten waaraan de kennisgeving in de zin van dat artikel moet voldoen, maar werd ook reeds verschillende keren de vraag voorgelegd naar de formele vereisten waaraan de kennisgeving in de zin van dat artikel moet voldoen: 2.8.
  2. In een arrest van 18 november 1993 oordeelde het Hof in voltallige rechtszitting dat wanneer een belastingplichtige deel uitmaakt van een feitelijke vereniging en de administratie meent de gegevens van zijn belastingplichtige te moeten verbeteren, geldig is het hem door haar hiervan gegeven bericht, als dat bericht bij aangetekend schrijven gericht wordt aan de zetel van de vereniging en de belastingplichtige hiervan op de hoogte is
(4). 2.8.2. In een arrest van 3 januari 1997 heeft het Hof geoordeeld dat, in geval van gezamenlijke aanslag van de echtgenoten die op naam van het gezinshoofd wordt vastgesteld, het bericht van wijziging van de aangifte niet tevens moet worden gestuurd aan de echtgenoot-niet gezinshoofd die met het gezinshoofd samenwoont, en dat in geval van gezamenlijke aanslag van de echtgenoten, het bericht van wijziging van de aangifte aan iedere echtgenoot ter kennis moet worden gebracht, maar dat, wanneer het bericht van wijziging slechts aan één echtgenoot werd verstuurd, de procedure evenwel niet onregelmatig is als voldoende vaststaat dat de andere echtgenoot tijdig kennis kreeg van het bericht en van zijn inhoud (en dat de vraag of onder dit stelsel de echtgenoot in kennis is gesteld, door de feitenrechter moet worden beoordeeld)
(5). 2.8.3. In een arrest van 15 maart 2007 heeft het Hof geoordeeld dat uit de tekst en de opzet van artikel 346, vijfde lid, WIB92 volgt dat de wetgever vooral gewild heeft dat de belastingplichtige op de hoogte zou worden gebracht van de redenen waarom de administratie de door hem in zijn antwoord op het wijzigingsbericht voorgedragen opmerkingen geheel of gedeeltelijk verwerpt, en dat het middel dat betoogt dat de aangetekende brief zelf een substantiële formaliteit is faalt naar recht
(6). Hieruit kan worden afgeleid dat enkel de inhoudelijke vereisten die artikel 346, vijfde lid, WIB92 aan de kennisgeving van wijziging van aanslag stelt, als een substantiële formaliteit gelden, maar niet de formele vereisten die aan die kennisgeving worden gesteld. 2.
  1. Aldus beoordeelt het Hof in de context van artikel 346 WIB92 de formele vereisten waaraan de in dat artikel gestelde kennisgeving moeten voldoen, in functie van de doelstellingen van dat artikel: aan de vereisten van artikel 346 WIB92 is voldaan wanneer vast staat dat de belastingplichtige van die kennisgevingen kennis heeft genomen/kon nemen, en zulks vereist niet noodzakelijk dat de kennisgevingen bij aangetekende brief worden verstuurd en/of aan de belastingplichtige zelf zijn gericht en/of aan zijn officieel adres zijn gericht. Het lijkt mij dat de artikelen 351, tweede lid, WIB92 en 346 WIB92 op eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, nu beide wetsartikelen een soortgelijke doelstelling nastreven. 2.
  2. Met de vaststellingen en overwegingen onder rubriek 4.1., p.6, voorlaatste alinea, tot en met p.7, tweede alinea, verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan naar mijn mening niet worden aangenomen. DERDE ONDERDEEL. 2.
  3. Eiseres voert aan dat de appelrechter artikel 351 WIB92 schendt door te aanvaarden dat de fiscale administratie ook na de aanslag van ambtswege deze nog kan motiveren door stukken bij te brengen ter ondersteuning ervan. 2.
  4. Verweerder verwijst met reden naar rechtspraak van het Hof waaruit blijkt dat het bericht van wijziging dat volgens artikel 346 WIB92 moet worden toegezonden, bedoeld is om de belastingplichtige de gelegenheid te geven zijn opmerkingen naar voor te brengen of met kennis van zaken zijn akkoord te betuigen met de voorgenomen aanslag. Die bepaling verzet zich er volgens het Hof niet tegen dat de administratie tijdens de procedure bijkomende gegevens en argumenten aanvoert ter ondersteuning van wat in het bericht van wijziging van aangifte wordt aangevoerd. Uit het feit alleen dat de administratie achteraf de wijziging anders motiveert dan in het bericht van wijziging en dat de rechter die nieuwe motivering aanneemt als rechtvaardiging van de wijziging kan niet worden afgeleid dat het bericht niet regelmatig gemotiveerd was
(7). 2.
  1. De artikelen 351, tweede lid, WIB92 en 346 WIB92 moeten m.i. op eenvormige wijze worden uitgelegd. Artikel 351, tweede lid, WIB92 verzet zich er vanuit die optiek niet tegen dat de administratie tijdens de procedure bijkomende gegevens en argumenten aanvoert ter ondersteuning van wat in de kennisgeving van ambtswege aanslag wordt aangevoerd. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt m.i. naar recht. (…)
  2. Besluit: Verwerping. _____________________________________________
(1)Memorie van toelichting bij het Wetsontwerp van 13 mei 1976 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, Parl.St. Kamer 1975-1976, 879/1, p. 28.
(2)Zie o.m. Cass. 14 maart 2014, AR F.13.0067.N, AC 2014, nr. 210, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140314.2; Cass. 17 februari 2022, AR F.21.0009.N, AC 2022, nr. 134 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220217.1N.6.
(3)Zie o.a. Cass. 28 januari 1994, AR F 1981 N, AC 1994, nr. 55, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940128.4; Cass. 26 februari 2010, AR F.08.0091.N, AC 2010, nr. 133, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100226.3; Cass. 14 januari 2011, AR F.09.0157.N, AC 2011, nr. 41, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.5.
(4)Cass. 18 november 1993, AR F.93.0026.F, AC 1993, nr. 470, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931118.16.
(5)Cass. 3 januari 1997, AR F.94.0029.N, AC 1997, nr. 7, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970103.7
(6)Cass. 15 maart 2007, AR F.06.0045.F, AC 2007, nr. 138, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070315.8.
(7)Zie o.a. Cass. 14 mei 2010, AR F.08.0051.F, AC 2010, nr. 337, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100514.3; Cass. 31 oktober 2019, AR F.16.0024.N, AC 2019, nr. 565, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191031.1. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931118.16 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940128.4 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970103.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070315.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100226.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100514.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140314.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191031.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220217.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.