← België

BS FINANCES contra PANALPINA WORLD TRANSPORT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.33 Rolnummer: F.23.0035.N Zaak: BS FINANCES contra PANALPINA WORLD TRANSPORT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Unierecht Invoerdatum: 2025-03-14 Raadplegingen: 519 - laatst gezien 2026-06-18 21:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.33 Fiche 1 De lidstaten kunnen het recht om op hun grondgebied douaneaangiften te doen volgens de methode van de directe of de indirecte vertegenwoordiging zodanig voorbehouden dat de vertegenwoordiger een douanecommissionair moet zijn die daar zijn beroep uitoefent

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douaneaangiften - Douanevertegenwoordiging - Douanecommissionair Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 5.2 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Fiche 2 Een douane-expediteur, die dat wenste, had de wettelijke mogelijkheid om douaneaangiften te doen in de hoedanigheid van directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever; het voorbehouden van de indirecte vertegenwoordiging aan ingeschreven douane-expediteurs hield geen verbod in om als directe vertegenwoordiger aangifte te doen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douane-expediteur - Directe en indirecte douanevertegenwoordiging - Keuzemogelijkheid - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 5.4 - 32 Link Justel databank 19921012-32 EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 201.3 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 70-3, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 127 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Fiches 3 - 4 Het beginsel van de loyale samenwerking vereist dat de lidstaten de uitoefening van aan het Unierecht ontleende rechten in de praktijk mogelijk maken; daaruit volgt dat het niet volstaat dat de wet de theoretische mogelijkheid bevat voor de douane-expediteur om als directe vertegenwoordiger op te treden of deze mogelijkheid althans niet uitsluit, maar dat de vrije keuze om als directe vertegenwoordiger op te treden in de praktijk ook daadwerkelijk mogelijk moet zijn; dit laatste geldt slechts wanneer vaststaat dat de douane-expediteur effectief voor een directe vertegenwoordiging zou hebben gekozen of daartoe minstens een kans bestaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Loyale samenwerking - Unirecht daadwerkelijk praktisch mogelijk maken - Directe douanevertegenwoordiging - Daadwerkelijke vrije keuzemogelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 4.3 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douane-expediteur - Directe douanevertegenwoordiging - Daadwerkelijke vrije keuzemogelijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 4.3 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Tekst van de conclusie F.23.0035.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Aan het Hof ligt (niet voor het eerst) de situatie voor waarin een douane-expediteur wordt aangesproken als rechtstreekse en hoofdelijke schuldenaar van de nagevorderde invoerrechten (wegens onterecht toepassing van een preferentieel stelsel) in het kader van een indirecte douanevertegenwoordiging voor aangiften in de periode van 2001 tot 2004 in naam en voor rekening van een klant. De zaak betreft opnieuw de (voorgehouden) onmogelijkheid om destijds (vóór 2014) in het Belgisch rechtstelsel te kiezen voor de directe vertegenwoordiging, waardoor de expediteur geen schuldenaar is van de douanerechten. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat uit de (ook) hier toepasselijke communautaire en internrechtelijke bepalingen volgt dat een douane-expediteur, die zulks wenste, wel degelijk de mogelijkheid had om douane-aangiften te doen in de hoedanigheid van directe vertegenwoordiger van zijn opdrachtgever. Het voorbehouden van de indirecte vertegenwoordiging aan ingeschreven douane-expediteurs hield geen verbod in om als directe vertegenwoordiger aangifte te doen
(1). Deze rechtspraak werd door bepaalde rechtsleer zeer kritisch onthaald
(2). Meerdere hoven en rechtbanken oordeelden dat de praktische onmogelijkheid tot registratie als directe vertegenwoordiger een fout van de Belgische Staat uitmaakt
(3). Daar waar de verweerster zich steunde op een foutaansprakelijkheid kon ze een vordering tot schadevergoeding instellen op basis van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Het beginsel dat een lidstaat aansprakelijk is voor schade die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het Unierecht die hem kunnen worden toegerekend, is inherent aan het systeem van het Verdrag, ongeacht of de geleden schade aan de wetgevende, de rechterlijke of de uitvoerende macht is toe te rekenen
(4). De appelrechters oordelen echter dat de fout van de Belgische Staat ertoe leidt dat de regels inzake de schuldenaar van de douanerechten zoals voorzien in de artikelen 201.3 en 213 CDW niet toepasselijk zijn. Die overwegingen lijken mij niet naar recht verantwoordt. De fout van de Belgische Staat laat niet toe de voornoemde regels van de Communautair Douanewetboek buiten toepassing te laten. De appelrechter lijken aan de vastgestelde feiten de verkeerde juridische gevolgen af te leiden, waarmee nog niets gezegd is over de gegrondheid van een dergelijke vordering. Voor de appelrechters werd niet betwist dat de verweerster geen verzoek heeft gedaan tot het optreden als direct vertegenwoordiger en dat een dergelijk optreden bij het doen van de aangiftes ook niet aan verweerster werd geweigerd. Ze stellen vast dat de verweerster op basis van eigen aangiften is opgetreden als indirecte vertegenwoordiger. Uit de artikelen 201.3 en 213 CDW volgt dat in geval van indirecte vertegenwoordiging de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar is. Door in die omstandigheden te oordelen dat de verweerster geen schuldenaar is van de invoerrechten, miskennen de appelrechters de artikelen 201.3 en 213 CDW en komt het eerste middel gegrond voor. De overige middelen kunnen mijns inziens niet tot een ruimere cassatie leiden. Besluit: cassatie. _______________________________________________
(1)Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1410.N, AC 2024, nr. 60, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.5; Cass. 12 april 2019, AR F.17.0098.N, AC 2019, nr. 231, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.2, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.2; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.0722.N, AC 2019, nr. 21, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2; Cass. 20 maart 2018, AR P.17.1017.N, AC 2018, nr. 193, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3.
(2)D. NOELS, “Because it’s the taxman – Kritische bedenkingen bij de motivering van het “couscous”-arrest dd. 20 maart 2018 inzake directe vertegenwoordiging (art. 5 CDW, thans art. 18 DWU)”, IHT 2018, 359; Zie ook D. NOELS, “(In)directe douanevertegenwoordiging en artikel 5 CDW / artikel 18 DWU: is er iemand die de ‘couscous’-uitspraak lust (en volgt er nu toch nog een Luxemburgs dessert)?”, noot onder Rb. Brussel 19 november 2018, IHT 2018/4, 539; M. CORNETTE en V. BEECKX, “Cassatie 20 maart 2018 inzake directe vertegenwoordiging: zeker geen eindpunt”, IHT 2018/3, 401; D. NOELS, “De effectieve vrije keuze van een douanevertegenwoordiger: louter ‘de iure’ of dan toch ‘de iure et de facto?’”, noot onder Cass. 15 januari 2019, IHT 2019/1, 78; D. NOELS, “(In)directe douanevertegenwoordiging: meer over al dan niet “mogen” en/of “kunnen” en de dreigende vestzak-broekzakoperatie”, noot onder Brussel 23 januari 2019, IHT 2019/1, 85; X, “(In)directe douanevertegenwoordiging: the saga continues … voor de correctionele rechtbank te Brussel”, IHT, 2021/3, 273.
(3)Zie voetnoot 18 bij D. NOELS, “Because it’s the taxman – Kritische bedenkingen bij de motivering van het “couscous”-arrest dd. 20 maart 2018 inzake directe vertegenwoordiging (art. 5 CDW, thans art. 18 DWU)”, IHT 2018, 365: 9 november 2015 (Rb. Brussel (Nl.) (33ste k.) 9 november 2015, 2014/120/A, onuitg.), in een vonnis van 9 mei 2016, Rb. Brussel (Nl.) (33ste k.) 9 mei 2016, 2014/5854/A, 2014/6030/A en 2015/2055/A, onuitg.) en in een vonnis van 6 januari 2017, Rb. Brussel (Nl.) (33ste k.) 6 januari 2017, 2014/6486/A, onuitg.; Rb. Brussel (Nl.) (33ste k.) 4 september 2017, 2015/3718/A & 2016/2260/A, onuitg.; Rb. Brussel (Nl.) (33ste k.) 26 januari 2018, 2012/12888/A, onuitg.; Rb. Brussel (Nl.) (35ste k.) 6 maart 2018, 2017/619/A, onuitg.; Rb. Brussel (Nl.) (35ste k.) 6 maart 2018, 2017/617/A, onuitg. en Rb. Brussel (Nl.) (33ste k.) 9 april 2018, 2014/5614/A, onuitg; Brussel (6de Nl k.) 25 januari 2017, nr. 2011/AR/1973, Fisc. 2017/1510, 12, IHT 2017/3, 359. com; Brussel (6de Nl. k.) 25 januari 2017, 2011/AR/1975, onuitg.; Brussel (6de Nl. k.) 25 januari 2017, 2011/AR/1976, onuitg. en Brussel (6de Nl. k.) 25 januari 2017, 2011/AR/2182, onuitg. (24 november 2017), TBH 2017/6, 614, noot J. LIBOUTON.
(4)HvJ 4 maart 2020, Telecom Italia, C-34/19, pt. 67, ECLI:EU:C:2020:148; HvJ 30 september 2003, Köbler, C-224/01, pt. 30 en 32, ECLI:EU:C:2003:513; HvJ 19 november 1991, Francovich e.a., C-6/90 en C-9/90, ECLI:EU:C:1991:428; HvJ 5 maart 1996, Brasserie du Pécheur en Factortame, C-46/93 en C-48/93; ECLI:EU:C:1996:79. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.33 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.33 citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.2 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.5 ECLI:EU:C:1991:428 ECLI:EU:C:1996:79 ECLI:EU:C:2003:513 ECLI:EU:C:2020:148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.