← België

Belgomilk contra VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.7 Rolnummer: F.22.0049.N Zaak: Belgomilk contra VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2025-03-13 Raadplegingen: 508 - laatst gezien 2026-06-18 23:57 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.7 Fiches 1 - 2 Zowel het hogere eenheidstarief bij onvergunde lozing als de regel dat, bij gebrek aan spontane melding en tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst, de onvergunde lozing geacht wordt minstens 30 dagen voor de vaststelling van de milieu-inspectie te hebben plaatsgevonden, hebben een vergoedende en deels ook stimulerende functie, maar strekken er niet toe de heffingsplichtige te bestraffen; derhalve is de heffing bij onvergunde lozing geen strafsanctie in zin van artikel 6.1 EVRM

(1).
(1)Zie concl. OM. Het Hof oordeelde op 24 januari 2025 in dezelfde zin in de zaak F.22.0050.N. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Heffing voor waterverontreiniging Vlaams Gewest - Strafrechtelijke aard - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging - 26-03-1971 - Art. 35ter - 30 ELI link Pub nr 1971A32613 Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Heffing voor waterverontreiniging - Strafrechtelijke aard - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging - 26-03-1971 - Art. 35ter - 30 ELI link Pub nr 1971A32613 Tekst van de conclusie F.22.0049.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
  1. Situering. De betwisting betreft de op forfaitaire wijze berekende heffing op waterverontreiniging die in hoofde van eiseres werd gevestigd voor het heffingsjaar 2011 ten bedrage van 661.884,54 euro (603.174,47 euro + 58.710,07 euro verhoging). Na bezwaar van eiseres werd het bedrag van de heffing - bij toepassing van inmiddels tussengekomen wetswijzigingen met betrekking tot de berekening van de heffing - herberekend en verminderd tot 120.271,19 euro meer een heffingsverhoging van 10.419,74 euro. De gerechtelijke betwisting van de aldus herberekende heffing leidde tot een arrest van het hof van beroep te Gent dd. 9 november 2021 waarbij de vorderingen van eiseres, onder meer strekkende tot het teniet horen doen van de heffing voor wat betreft de heffingsberekening en de weerhouden ‘vergunde’ en ‘onvergunde lozing’ alsook wat betreft de weerhouden heffingsverhoging, ongegrond werden verklaard. Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  2. Bespreking van het enig middel. 2.
  3. Eiseres voert aan dat de appelrechter, door te oordelen dat de heffing geen strafrechtelijk karakter heeft zodat artikel 6.1 EVRM niet van toepassing is, artikel 6.1 EVRM heeft geschonden evenals de artikelen 35ter, § 2 (zoals van toepassing voor de wijziging bij Decreet van 20 april 2012) en § 10 (zoals vervangen bij Decreet van 23 december 2016 en vóór de wijziging bij Decreet van 25 april 2014) van de Oppervlaktewaterenwet. De litigieuze heffing die in toepassing van de bepalingen van de Oppervlaktewaterwet wordt opgelegd in geval van (i) onvergunde lozing, (ii) de lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaarde vermeld in de lozings- of milieuvergunning om een contract, vermeld in artikel 32septies, § 4, af te sluiten, of (iii) de lozing van afvalwater via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 35bis, § 9, heeft volgens eiseres een preventief en overheersend repressief karakter en vormt aldus een administratieve sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6.1 van het EVRM. Dit preventief en overheersend repressief karakter zou inzonderheid voortvloeien uit (i) het hogere bedrag van het eenheidstarief dat bijna 33% hoger ligt dan het reguliere eenheidstarief (respectievelijk 29,1 en 22,3 euro), en (ii) de forfaitaire berekening van de heffing en in het bijzonder de toepassing van een forfaitaire factor F die in beginsel 30 bedraagt. Elk van deze beide factoren afzonderlijk genomen, en a fortiori de combinatie van beide factoren, leidt ertoe dat de heffing preventief en overheersend repressief van aard is; aldus eiseres. 2.
  4. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. Het EHRM hanteert sinds het zgn. Engel-arrest van 8 juni 1976
(1)drie criteria om na te gaan of een sanctie die in een nationale rechtsorde wordt voorzien, moet worden beschouwd als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM. Het eerste criterium is de juridische kwalificatie van de overtreding in het interne recht. Wanneer het interne recht een overtreding zelf als ‘strafrechtelijk’ kwalificeert, dan moet de sanctie die op die overtreding wordt gesteld, als een strafsanctie worden aanzien in de zin van artikel 6 EVRM. Wordt een sanctie in het interne recht niet als strafrechtelijk omschreven, dan is verder onderzoek van de nationale sanctie op basis van het tweede en het derde criterium noodzakelijk
(2). Het tweede criterium is de aard van de overtreden norm. Dit criterium valt nog uiteen in twee deelaspecten. Vereist is dat de norm in kwestie ten eerste een algemene draagwijdte heeft en zich tot alle rechtsonderhorigen richt. Ten tweede moet de sanctie, om in navolging van het tweede criterium strafrechtelijk te zijn, in hoofdzaak een preventieve en repressieve werking hebben. Het derde criterium is de aard en de zwaarte van de sanctie
(3). Een zware sanctie wijst op een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM. Rekening moet daarbij worden gehouden met de maximale straf die kan worden opgelopen en niet met de straf die effectief werd opgelegd
(4). Door het EHRM werd herhaaldelijk bevestigd dat het tweede en derde criterium een alternatief karakter hebben: een sanctie moet worden beschouwd als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM wanneer ofwel de aard van de overtreden norm ofwel de aard en de zwaarte van de sanctie in die richting wijzen. Het is niet vereist dat aan de beide voorwaarden tegelijk is voldaan. Een relatief lichte sanctie kan dus als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM in aanmerking komen wanneer de aard van de overtreden norm daarop wijst
(5). Wanneer het tweede en derde criterium elk op zichzelf beschouwd geen duidelijk antwoord bieden, kunnen beide criteria wel samen in overweging worden genomen
(6). Zuiver fiscale geschillen vallen in principe niet onder artikel 6 EVRM, tenzij de rechtspleging in fiscale zaken leidt of kan leiden tot een sanctie die voortvloeit uit een strafvervolging in de zin van die bepaling
(7). In het Bendenoun-arrest van 24 februari 1994 formuleerde het EHRM de volgende criteria die moeten toelaten om na te gaan of een fiscale sanctie of een belasting(verhoging) als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd
(8): * de wet die de fiscale sanctie of belasting(verhoging) voorschrijft, richt zich tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige; * de fiscale sanctie of belastingverhoging is niet bedoeld als schadevergoeding, maar is in hoofdzaak een bestraffing die herhaling wil vermijden; * de fiscale sanctie of belastingverhoging stoelt op een norm met een algemeen karakter waarvan het oogmerk terzelfder tijd preventief en repressief is; én * de fiscale sanctie of belastingverhoging is substantieel. Geen enkele van deze criteria is op zich doorslaggevend. Zij moeten samen in overweging genomen om, op basis van een globale beoordeling, na te gaan of een fiscale sanctie of belastingverhoging als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd. In latere arresten paste het EHRM niet deze criteria toe, maar wel de Engel-criteria om na te gaan of een fiscale sanctie of belastingverhoging al dan niet als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd
(9). In het Jussila-arrest van 23 november 2006 preciseerde de Grote Kamer van het EHRM dat de Engel-criteria en de Bendenoun-criteria geenszins met elkaar conflicteren, maar dat de Bendenoun-criteria moeten worden beschouwd als een concretisering van de Engel-criteria in een fiscale context. De Bendenoun-criteria moeten vooral het tweede Engel-criterium (de aard van de inbreuk) nader invullen. Het Hof verduidelijkte dat het Bendenoun-criterium volgens hetwelk de vraag moet worden gesteld of de fiscale sanctie of belastingverhoging substantieel is, een element is bij de beoordeling van de aard van de inbreuk, maar dat zulks het derde Engel-criterium (de aard en de zwaarte van de sanctie) onverlet laat. Het Hof verduidelijkte vervolgens dat een fiscale sanctie als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd, ook al is de sanctie licht, wanneer de aard van de inbreuk daarop wijst
(10)In navolgende rechtspraak paste het EHRM in fiscale zaken gewoon de Engel-criteria toe, zonder nog naar de Jussila-criteria te verwijzen
(11). 2.3. Het Hof zoekt in zijn rechtspraak met betrekking tot de vraag of een fiscale sanctie/belasting(verhoging) al dan niet als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd, aansluiting bij de Bendenoun-criteria. Er is sprake van een strafsanctie indien cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaarden
(12): * de overtreden bepaling is gericht tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige; * de opgelegde sanctie of bijzondere belasting heeft niet alleen een vergoedende functie, maar in wezen een preventief en bestraffend doel. Vereist is dat de opgelegde sanctie of bijzondere belasting in wezen zowel een preventieve als een repressieve functie heeft. Een louter preventieve functie volstaat niet om een sanctie of bijzondere belasting als strafsanctie te kwalificeren
(13). Een sanctie is preventief indien zij zowel voor de dader als voor anderen een afschrikwekkend effect teweegbrengt. Als de sanctie daarenboven erop gericht is een zeker leed aan de overtreder toe te brengen en niet louter ertoe strekt de aan de staat toegekende schade te herstellen, dan is zij repressief
(14). Wanneer een opgelegde sanctie of bijzondere belasting zowel een vergoedende als een preventieve en bestraffende functie heeft, moet de rechter nagaan welk van beide functies (ofwel de vergoedende functie ofwel de preventieve en repressieve functie) hoofdzakelijk aanwezig is
(15); * de zwaarte van de sanctie of belasting is aanzienlijk (waarbij rekening moet worden gehouden met de maximum sanctie die een rechtsonderhorige kan worden opgelegd en niet met de eigenlijke sanctie die in een concrete individuele zaak werd opgelegd). Het behoort aan de rechter te oordelen of een fiscale sanctie of bijzondere belasting in zijn geheel beschouwd aan deze criteria beantwoordt, in welk geval die sanctie of bijzondere belasting een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM uitmaakt. In een arrest van 21 september 2018 verduidelijkte het Hof evenwel dat de omstandigheid dat de fiscale sanctie licht is, niet tot gevolg heeft dat deze aan de toepassing van artikel 6.1. EVRM is onttrokken
(16). Aldus zoekt het Hof aansluiting bij het Jussila-arrest van het EHRM. 2.
  1. Het eerste element dat eiseres aanhaalt om te besluiten tot het preventief en overheersend repressief karakter van de heffing is het hogere bedrag van het eenheidstarief dat bijna 33% hoger ligt dan het reguliere eenheidstarief. Artikel 35ter, § 2, vierde lid, Oppervlaktewaterenwet, in de versie zoals van toepassing op het geschil, legt de factor T, dit is het eenheidstarief van de heffing, in de gevallen bedoeld in artikel 35ter, § 10, vast op 29,10 euro, daar waar het eenheidstarief voor lozingen van afvalwater normaal op 22,30 euro is vastgesteld. De tekst van artikel 35ter, § 10, Oppervlaktewaterenwet, in de versie zoals van toepassing op het geschil, werd ingevoegd bij Decreet van 23 april 2016 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
  2. In de memorie van toelichting bij het Decreet van 23 april 2016, waarbij artikel 35ter, § 10, werd vervangen, wordt bij de (nieuwe) formule onder meer de volgende toelichting gegeven: “De opgedane ervaring leert ook dat er een verfijning nodig is van het aan te rekenen tarief. In de nieuwe formule wordt in het tarief de duur niet meer meegenomen en evenmin rekening gehouden met het al dan niet melden. De duur van de overtreding, die bepaald wordt in dx, wordt nog meegenomen in de bepaling van het debiet Qx. De aanrekening van de extra 30 dagen, met mogelijkheid tot het mee in rekening brengen van bijkomende elementen (zie verder), blijft behouden in de Qx bij niet melding van de onvergunde lozing. De heffingsplichtige wordt voortaan de mogelijkheid geboden om de werkelijke startdatum te bewijzen onder de noodzakelijke voorwaarde dat de door de heffingsplichtige aangeleverde bewijzen kunnen bevestigd of gestaafd worden door de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving op basis van eigen vaststellingen. Het kan bijvoorbeeld gaan over de beoordeling door de toezichthouder van de zelfcontrolegegevens die het bedrijf aanlevert. Tevens wordt verduidelijkt welk eenheidstarief toegepast moet worden op de hier bedoelde lozing. In de ‘normale’ heffingsberekening wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds bedrijven die lozen op oppervlaktewater, of gelijkgesteld, én beschikken over een vergunning voor lozing op oppervlaktewater en aldus zelf moeten instaan voor de zuivering van het afvalwater en anderzijds de overige bedrijven. Het lagere eenheidstarief voor de eerste groep bedrijven is verantwoord omdat zij de kosten voor de zuivering van het afvalwater moeten dragen. Voor de lozingen bedoeld in dit artikel is dit niet het geval. Bijgevolg is het hogere tarief van toepassing. Op heden verkeert de heffingsplichtige niet in de mogelijkheid om bewijskrachtige informatie aan te leveren dat slechts een deel van de vastgestelde niet-vergunde lozing (of een niet-conforme lozing onder contract of lozing via noodaansluiting) niet conform gebeurd is en een ander deel van de lozing wel binnen de wettelijke bepalingen gebeurde. Daarom wordt de heffingsplichtige de mogelijkheid geboden om over het aandeel correcte en niet-correcte lozing bewijzen aan te leveren onder de noodzakelijke voorwaarde dat de door de heffingsplichtige aangeleverde bewijzen kunnen bevestigd of gestaafd worden door de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving”
(17). (eigen onderlijning) Uit deze toelichting blijkt m.i. duidelijk dat het hogere eenheidstarief bij onvergunde lozingen niet wil bestraffen, maar ertoe strekt de kosten van zuivering bij de heffingsplichtige te leggen en dus een vergoedend karakter heeft. 2.5. Het tweede element dat eiseres aanhaalt om te besluiten tot het preventief en overheersend repressief karakter van de heffing is de forfaitaire berekening van de heffing en in het bijzonder de toepassing van een forfaitaire factor F die in beginsel 30 bedraagt. Deze zienswijze kan m.i. evenmin worden bijgetreden. De heffing met toepassing van artikel 35ter, § 10, Oppervlaktewaterenwet is beperkt tot de periode waarin de onvergunde afvalwaterstromen zich voordeden. Deze periode wordt uitgedrukt in dagen. Zij wordt aangeduid met de letters "dx". De periode vangt aan op de datum van de lozing of de datum van vaststelling van de lozing en eindigt op de datum waarop door de bevoegde ambtenaren werd vastgesteld dat de lozing werd stopgezet. De periode "dx" wordt verhoogd met de factor F
(30)wanneer de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de onvergunde lozing niet voorafgaand aan de heffingsadministratie heeft meegedeeld. In dat geval is het meestal onmogelijk voor de heffingsadministratie om objectief vast te stellen op welk ogenblik de illegale lozing exact begonnen is. De decreetgever heeft daarom forfaitair aangenomen dat de lozing minstens 30 dagen voor de vaststelling is aangevangen. De factor F
(30)is echter niet van toepassing wanneer de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de onvergunde lozing bewijst. De factor F
(30)kan dan ook als een weerlegbaar vermoeden worden aangemerkt. Verweerder laat daarnaast met reden gelden in zijn memorie blz. 8 dat de factor F
(30)naargelang de concrete omstandigheden ook in het voordeel kan spelen van de heffingsplichtige. Gelet op de vermijdbaarheid van de heffing in gevolge de mogelijkheid tot bewijslevering van de werkelijke aanvangsdatum van de lozing en gezien de factor ook in het voordeel van de heffingsplichtige kan spelen, lijkt het mij dat hieruit geen repressief karakter kan worden afgeleid. De verwijzing in de parlementaire voorbereiding, die eiseres aanhaalt in haar voorziening blz. 8-9, naar het ontradend effect van de formule van artikel 35ter, § 10, betreft m.i. de cumulatieve verhoging van de heffing in functie van de duur van de lozing, maar betreft niet zozeer het aanhouden van de factor F
  1. Het louter ontradend karakter van een heffing volstaat overigens niet om te besluiten dat een heffing een strafrechtelijk karakter heeft. Een heffing heeft slechts een strafrechtelijk karakter wanneer zij zowel ontradend als bestraffend is. 2.
  2. De appelrechter die op grond van de redenen vermeld op p. 13, 2de en 3de alinea, oordeelt dat de heffing geen strafrechtelijk karakter heeft, lijkt mij zijn beslissing naar recht te verantwoorden.
  3. Besluit: Verwerping. ___________________________________________
(1)EHRM 8 juni 1976, Engel e.a. v. Nederland, r.o. 81-82. Zie verder EHRM 21 februari 1984, Özturk v Duitsland, r.o. 49-50; EHRM 25 augustus 1987, Lutz v Duitsland, r.o. 54; EHRM 23 oktober 1995, Schmautzer v Oostenrijk, r.o. 27; EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 32; EHRM 23 november 2006, Jussila v Finland, r.o. 30.
(2)Concl. OM bij Cass. 16 november 2017, AR F.16.0075.N, AC 2017, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.3. Zie ook concl. van advocaat-generaal WERQUIN bij Cass. 6 mei 2002, AR S.01.0052.N, AC 2002, nr. 275, ECLI:BE:CASS:2002:CONC.20020506.9.
(3)EHRM 8 juni 1976, Engel e.a. v. Nederland, r.o. 82. Zie verder EHRM 21 februari 1984, Özturk v Duitsland, r.o. 50; EHRM 25 augustus 1987, Lutz v Duitsland, r.o. 54; EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 32; EHRM 23 november 2006, Jussila v Finland, r.o. 30.
(4)EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 34.
(5)EHRM 21 februari 1984, Özturk v Duitsland, r.o. 53-54; EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 33.
(6)EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 33.
(7)EHRM 23 november 2006, Jussila v Finland, r.o. 29.
(8)EHRM 24 februari 1994, Bendenoun v Frankrijk, r.o. 47.
(9)EHRM 22 juli 2002, Janosevic v Zweden, r.o. 68-69; EHRM 22 juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag v. Sweden.
(10)EHRM 23 november 2006, Jussila v Finland, r.o. 35.
(11)EHRM 16 juni 2009, Ruotsalainen v Finland, r.o. 43.
(12)Cass. 16 november 2017, AR F.16.0075.N, AC 2017, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.3, met gelijkluidende concl. OM, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.
  1. Zie ook Cass. 10 september 2010, AR F.09.0121.N, AC 2010, nr. 511, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.5, met gelijkluidende concl. van toenmalig advocaat-generaal THIJS; Cass. 25 mei 1999, AR P.99.0517.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.13, AC 1999, nr. 307, ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100910.
  2. Vergelijk Cass. 6 mei 2002, AR S.01.0052.N, AC 2002, nr. 275, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.9, met andersluidende concl. van advocaat-generaal WERQUIN, inzake administratieve geldboetes in sociale zaken, ECLI:BE:CASS:2002:CONC.20020506.9.
(13)Concl. OM bij Cass. 16 november 2017, AR F.16.0075.N, AC 2017, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.3.
(14)Concl. OM bij Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N, AC 2018, nr. 492, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6.
(15)Concl. OM bij Cass. 16 november 2017, AR F.16.0075.N, AC 2017, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.3.
(16)Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N, AC 2018, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6, met gelijkluidende concl. OM, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6.
(17)Memorie van toelichting bij het Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017, Parl.St. Vlaams Parlement 2016-2017, 944 (2016-2017) nr. 1, p. 8-9. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.13 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.9 ECLI:BE:CASS:2002:CONC.20020506.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.5 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100910.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.3 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.