← België

VLAAMS GEWEST contra SWEETEST TABOO

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.8 Rolnummer: F.22.0125.N Zaak: VLAAMS GEWEST contra SWEETEST TABOO Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-03-13 Raadplegingen: 683 - laatst gezien 2026-06-17 21:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.8 Fiches 1 - 2 Een overeenkomst tot verlenging van vruchtgebruik wijzigt enkel de duurtijd van het oorspronkelijke vruchtgebruik en heeft aldus geen bijkomende overdracht van een zakelijk recht tot gevolg, zodat deze overeenkomst niet aan het verkooprecht wordt onderworpen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) Vrije woorden: Gesplitste aankoop - Verlenging vruchtgebruik - Verkooprecht - Toepassing Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.9.1.0.1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Thesaurus CAS: VRUCHTGEBRUIK. GEBRUIK EN BEWONING Vrije woorden: Vruchtgebruik - Verlenging - Gevolg Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.9.1.0.1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2025, nr. 7, p. 1-
  1. - SPRUYT, Eric; Noot'Geen verkooprecht bij verlenging duurtijd vruchtgebruik, zegt Cassatie' Fiscologue-Fiscologue - 2025, n° 1871, p. 4-
  2. - CARDOEN, Bruno; Note'Prolongation d'un usufruit: pas de droit de vente' Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2025, nr. 1871, p. 4-
  3. - CARDOEN, Bruno; Noot'Verlenging vruchtgebruik: geen verkooprecht' BJS-Bulletin juridique social - 2025, n° 732, p.
  4. - PICAVET, Jonathan; Note'La prolongation d'un droit d'usufruit entraîne-t-elle l'exigibilité du droit de vente?' Tekst van de conclusie F.22.0125.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
  5. Situering. Verweerster en de heer V. waren in een notariële akte van 17 februari 2003 de gezamenlijke kopers van een onroerend goed gelegen in Knokke-Heist. De heer V. kocht het onroerend goed “voor de volle eigendom, met uitzondering van het vruchtgebruik”, en verweerster kocht het vruchtgebruik voor een periode van 15 jaar te rekenen vanaf de aankoopakte. Bij notariële akte van 7 februari 2018 werd tussen verweerster en de heer V. een verlenging van het vruchtgebruik bedongen tot de maximale (wettelijke) looptijd van 30 jaar, waardoor verweerster het vruchtgebruik bekwam tot 17 februari
  6. Voor de verlenging was verweerster een vergoeding verschuldigd van 266.500 euro aan de heer V.. Op 22 februari 2018 heeft eiser op naam van verweerster een aanslag in de registratiebelasting gevestigd voor het aanslag-jaar 2018 voor een bedrag van 26.650 EUR (verkooprecht van 10% berekend op de prijs voor de verlenging van het vruchtgebruik). Op 28 mei 2018 diende verweerster een bezwaarschrift in tegen deze aanslag nu zij van oordeel was dat de verlenging van het vruchtgebruik lopende het oorspronkelijk gevestigde vruchtgebruik niet kon worden beschouwd als een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van het vruchtgebruik van onroerend goed in de zin van artikel 2.9.1.0.1 VCF en bijgevolg niet belastbaar was. Dit bezwaar werd op 17 september 2018 door eiser afgewezen, waarop verweerster het geschil aanhangig maakte bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Bij vonnis van 29 juni 2020 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de vordering van verweerster ongegrond. Bij arrest van 30 november 2021 verklaarde het hof van beroep te Gent het hoger beroep van verweerster gegrond en vernietigde de bestreden aanslag
(1). Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  1. Bespreking van het enig middel. Eerste en tweede onderdeel. 2.
  2. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat het voor de toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF volstaat dat de overdrager op het ogenblik van de verlenging eigenaar is en, vóór het verstrijken van de initieel overeengekomen termijn, in zijn hoedanigheid van eigenaar beschikt over het (toekomstig) vruchtgebruik van de gesplitste aankoop. De appelrechters die hebben geoordeeld dat er geen sprake is van een overdracht van vruchtgebruik in de zin van artikel 2.9.1.0.1 VCF omdat dit veronderstelt dat het vruchtgebruik op het ogenblik van de overdracht aan de overdrager toebehoort, wat hier niet het geval was, schenden volgens eiser dan ook de vermelde wetsbepaling. Volgens het tweede onderdeel miskennen de appelrechters daarmee bovendien ook het beschikkingsrecht van de eigenaar, aangezien enkel een eigenaar over het toekomstig vruchtgebruik van zijn goed kan beschikken en afstand kan doen van zijn recht op aanwas door een verlenging van het vruchtgebruik toe te staan. Een dergelijke verlenging geeft volgens eiser dus wél aanleiding tot een overdracht of vestiging van een vruchtgebruik in de zin van artikel 2.9.1.0.1 VCF (schending van de art. 544, 578 en 579 oud BW en van art. 2.9.1.0.1 VCF). 2.
  3. De rechtsvraag die voorligt, is of een overeenkomst tot verlenging van een gevestigd vruchtgebruik een overeenkomst houdende overdracht van vruchtgebruik is in de zin van artikel 2.9.1.0.1 VCF en dus aanleiding geeft tot de heffing van het verkooprecht. Artikel 2.9.1.0.1 VCF luidt als volgt: “Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt het verkooprecht gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die als titel gelden van een overeenkomst houdende overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik van onroerende goederen, met uitsluiting van de inbrengen, vermeld in artikel 115bis van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten”. 2.
  4. Om de voorliggende rechtsvraag te kunnen beantwoorden, is het aangewezen om in te gaan op de goederenrechtelijke analyse van een verlenging van vruchtgebruik. Onder het oude goederenrecht was het onduidelijk of de partijen een gevestigd vruchtgebruik van bepaalde duur konden verlengen voor een bijkomende duurtijd. De wet bepaalde daarover immers niets. Een meerderheid van de rechtsleer nam evenwel aan dat een dergelijke verlenging mogelijk moest zijn, zolang de maximumduur van het vruchtgebruik (voor rechtspersonen toen 30 jaar) niet overschreden werd
(2). Ook moet de verlenging zijn overeengekomen vooraleer het oorspronkelijke vruchtgebruikrecht een einde heeft genomen
(3). Bepaalde auteurs stelden daarenboven dat de personen die de verlenging overeenkomen, ook dezelfde moeten zijn als degenen die het vruchtgebruikrecht hebben gevestigd, wat bij een gesplitste aankoop problemen kan opleveren
(4). Door anderen werd die laatste zienswijze echter – m.i. terecht - betwist: zelfs bij een gesplitste aankoop is het immers in essentie niet de verkoper, maar wel de kopers onderling die besluiten tot de vestiging van een vruchtgebruikrecht. Minstens kan de blote eigenaar als een rechtsopvolger van de oorspronkelijke verkoper gezien worden
(5). 2.4. In boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, dat in werking is sinds 1 september 2021, wordt de mogelijkheid van een verlenging van het vruchtgebruik nu uitdrukkelijk bevestigd in artikel 3.141, vijfde lid. Deze nieuwe wetsbepaling sluit aan bij het klassieke onderscheid in het goederenrecht tussen enerzijds overeenkomsten die ertoe strekken de duurtijd van een zakelijk recht te verlengen en anderzijds overeenkomsten die een hernieuwing van het zakelijk recht inhouden. In het eerste geval blijft het initieel gevestigde zakelijk recht bestaan en passen de partijen louter een van de modaliteiten van de oorspronkelijke overeenkomst tot vestiging van het zakelijk recht aan
(6). Ook al is er dus wel een nieuwe wilsovereenstemming tussen de partijen, in essentie gaat het om de verderzetting van de eerdere overeenkomst
(7). Om die reden mag de verlenging er niet toe leiden dat de maximumtermijn voor het zakelijk recht overschreden wordt
(8). In het geval van een hernieuwing gaat het daarentegen om een volledig nieuwe overeenkomst
(9), zodat na afloop van de initiële duurtijd van het zakelijk recht, de goederenrechtelijke principes uitwerking krijgen
(10). In het geval van vruchtgebruik wordt een blote eigenaar op dat ogenblik volle eigenaar, waarna hij opnieuw een (ander) vruchtgebruik kan vestigen. Hier gaat het om twee opeenvolgende, maar verschillende zakelijke rechten, zodat de maximumtermijn in acht moet worden genomen voor iedere overeenkomst tot vestiging van het zakelijk recht afzonderlijk en beide overeenkomsten niet als één geheel gelden
(11). 2.
  1. De vraag rijst hoe een verlenging van een gevestigd vruchtgebruik op fiscaal vlak benaderd dient te worden. Daarbij zijn er verschillende opvattingen. 2.5.
  2. Bij gebrek aan een uitdrukkelijke wettelijke basis voor de verlenging van het vruchtgebruik onder het oude goederenrecht, neemt de Vlaamse belastingdienst (VLABEL) aan dat een verlenging van een gevestigd vruchtgebruik een hernieuwing van het vruchtgebruik impliceert en dus een overdragende overeenkomst vormt
(12). Initieel haalde VLABEL als bijkomend argument ook aan dat er geen loutere verlenging maar een overdracht plaatsvindt indien niet alle partijen dezelfde zijn als bij de vestiging van het oorspronkelijke vruchtgebruik
(13). Ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in het Waals Gewest wordt die redenering gevolgd bij de toepassing van de artikelen 44 e.v. van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten op een verlenging van vruchtgebruik.
(14)Later wijzigde VLABEL zijn standpunt hierover echter: ook als de partijen bij de verlenging dezelfde zijn, is er sprake van een overdragende overeenkomst
(15). Verschillende auteurs halen aan dat de stelling van VLABEL onder het nieuwe goederenrecht, waar wél een wettelijke basis voor de verlenging van het vruchtgebruik bestaat in artikel 3.141 B.W., alleszins niet meer kan opgaan
(16). 2.5.2. Volgens een andersluidende strekking in de rechtsleer, waarbij ik mij aansluit, moet de hogervermelde goederenrechtelijke analyse – zelfs onder gelding van het oude goederenrecht – ook op fiscaal vlak doorwerken. Zoals verweerster terecht aanhaalt in haar memorie moeten begrippen van het burgerlijk recht in dezelfde betekenis worden toegepast in het fiscaal recht voor zover dit laatste er niet anders over heeft beschikt. Door het fiscaal recht af te stemmen op de principes die heersen in het goederenrecht, komt men ook tot een coherent systeem. Dat houdt in dat, indien het een loutere verlenging van de duurtijd van het vruchtgebruik betreft, er geen nieuw vruchtgebruik wordt gevestigd. Een dergelijke overeenkomst stelt enkel het ogenblik waarop de natrekking optreedt, uit
(17). Van een overeenkomst houdende overdracht van vruchtgebruik in de zin van artikel 2.9.1.0.1 VCF is dan geen sprake, zodat deze verlenging niet aan het verkooprecht kan worden onderworpen
(18). Anders oordelen zou overigens een niet te verantwoorden ongelijkheid creëren, aangezien partijen die onmiddellijk een vruchtgebruik vestigen voor de maximumtermijn, niet onderworpen zijn aan een bijkomende heffing
(19). 2.
  1. De appelrechters aligneren zich in het bestreden arrest naar de opvatting vermeld in 2.5.2., weliswaar vanuit het motief dat om van een werkelijke overdracht van een vruchtgebruik te kunnen spreken, de overdrager, volgens de appelrechters, op het ogenblik van de overeenkomst titularis moet zijn van het vruchtgebruikrecht, wat hier niet het geval was: niet de heer V. maar wel verweerster beschikte op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst over het vruchtgebruikrecht. Een dergelijke voorwaarde zou evenwel ten onrechte impliceren dat er ook geen overdracht van vruchtgebruik plaatsvindt wanneer blote eigenaar A, op een ogenblik dat B over het vruchtgebruik van het goed van A beschikt, overeenkomt met persoon C dat zij na afloop van het vruchtgebruikrecht van persoon B een nieuw vruchtgebruik zal verkrijgen. Een (blote) eigenaar kan inderdaad reeds beschikken over het toekomstig vruchtgebruikrecht op zijn goed, zoals eiser terecht stelt. Mede in acht genomen de feitelijke vaststellingen van de appelrechters meen ik echter dat het Hof zou kunnen overwegen om voor de beslissing van de appelrechters dat er geen sprake is van een overdracht van vruchtgebruik in de zin van artikel 2.9.1.0.1 VCF het motief in de plaats te stellen dat er bij een verlenging van vruchtgebruik enkel sprake is van een wijziging van een modaliteit (de duurtijd) van een bestaand vruchtgebruik en dat in zo’n geval dus geen nieuw zakelijk recht wordt overgedragen. Met het in de plaats gestelde motief wordt de beslissing van de appelrechters m.i. naar recht verantwoord. Het eerste en het tweede onderdeel van het enig middel, ook al waren zij gegrond, kunnen aldus derhalve niet tot cassatie leiden en zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  2. Besluit: Verwerping. __________________________________________
(1)Dit arrest heeft heel wat belangstelling opgewekt in de rechtsleer en is veelvuldig becommentarieerd. Zie o.a. H. CASIER en F. WILMOTS, “De impact van de duurtijd op de fiscale duurte van een beperkt zakelijk recht” (noot onder Gent 30 november 2021), TFR 2022, 834-836; A.-S. CEULEMANS en T. MELIS, “Geen heffing verkooprecht bij verlenging vruchtgebruik” (noot onder Gent 30 november 2021), Registratierechten 2022, afl. 3, 12-17; J. SANDRA en A. SANDRA, “Verkooprecht niet verschuldigd bij verlenging van vruchtgebruik – Noot bij het arrest van het hof van beroep van Gent van 30 november 2021, 2020/AR/1541”, VIP 2022, 25-26; S. VAN CROMBRUGGE, “Verlenging van vruchtgebruik in de registratierechten” (noot onder Gent 30 november 2021), Fiscoloog 2022, afl. 1752, 11; A. VAN DE VELDE en G. DE NEEF, “Het nieuwe goederenrecht: belangrijke fiscale aandachtspunten voor de praktijk”, TBO 2022,
(270)277, nr. 12; L. VANWINNENDAEL en W. VETTERS, “Verlenging van vruchtgebruik vereist geen verkooprecht (registratiebelasting)” (noot onder Gent 30 november 2021), RABG 2022, 1240-1245; W. WILLEMS, “Hof van beroep te Gent keurt ‘gratis’ verlenging van het recht van vruchtgebruik goed”, Fisc.Koer. 2022, 70-72.
(2)A.-S. CEULEMANS en T. MELIS, “Geen heffing verkooprecht bij verlenging vruchtgebruik” (noot onder Gent 30 november 2021), Registratierechten 2022, afl. 3,
(12)14; M. MUYLLE, De duur en de beëindiging van zakelijke rechten, Antwerpen, Intersentia 2012, 433, nr. 608; M. MUYLLE, “De contractuele grenzen van de duur van het recht van vruchtgebruik” in V. SAGAERT en A.-L. VERBEKE (eds.), Vruchtgebruik: mogelijkheden, beperkingen en innovaties, Antwerpen, Intersentia 2012,
(91)124, nr. 38; K. VERHEYDEN, “Verlenging van onroerende zakelijke rechten”, AFT 2012,
(24)36, nrs. 39-40.
(3)L. BELLINCK en A. BROHEZ, Vruchtgebruik, erfpacht en opstal onder het nieuwe goederenrecht. Toelichting van het nieuwe regime, praktische gevolgen en gebruik bij commerciële vastgoedtransacties, Mechelen, Kluwer 2021, 67, nr. 63; K. VERHEYDEN, “Verlenging van onroerende zakelijke rechten”, AFT 2012,
(24)42, nr. 54.
(4)A. LEMMERLING en A. VAN DOORSLAER DE TEN RYEN, “De gesplitste aankoop in vruchtgebruik en blote eigendom: contractuele mogelijkheden, opportuniteiten en valkuilen” in V. SAGAERT en A.-L. VERBEKE (eds.), Vruchtgebruik: mogelijkheden, beperkingen en innovaties, Antwerpen, Intersentia 2012,
(231)232, nr. 3.
(5)K. VERHEYDEN, “Verlenging van onroerende zakelijke rechten”, AFT 2012,
(24)37, nr. 41.
(6)A.-S. CEULEMANS en T. MELIS, “Geen heffing verkooprecht bij verlenging vruchtgebruik” (noot onder Gent 30 november 2021), Registratierechten 2022, afl. 3,
(12)14; T. DE CLERCK, “Verlenging vruchtgebruik onderworpen aan verkooprecht”, Registratierechten 2017, afl. 2,
(6)7.
(7)B. KOHL, “La prorogation et la reconduction du contrat” in P. WÉRY (ed.), La fin du contrat in CUP, Luik, 2001,
(261)280, nr. 19.
(8)L. BELLINCK en A. BROHEZ, Vruchtgebruik, erfpacht en opstal onder het nieuwe goederenrecht, Mechelen, Kluwer 2021, 67, nr. 63; M. MUYLLE, De duur en de beëindiging van zakelijke rechten, Antwerpen, Intersentia 2012, 433, nr. 608; M. MUYLLE, “De contractuele grenzen van de duur van het recht van vruchtgebruik” in V. SAGAERT en A.-L. VERBEKE (eds.), Vruchtgebruik: mogelijkheden, beperkingen en innovaties, Antwerpen, Intersentia 2012,
(91)124, nr. 38; K. VERHEYDEN, “Verlenging van onroerende zakelijke rechten”, AFT 2012,
(24)34-35, nr. 34.
(9)B. KOHL, “La prorogation et la reconduction du contrat” in P. WÉRY (ed.), La fin du contrat in CUP, Luik, 2001,
(261)276, nr. 13.
(10)A.-S. CEULEMANS en T. MELIS, “Geen heffing verkooprecht bij verlenging vruchtgebruik” (noot onder Gent 30 november 2021), Registratierechten 2022, afl. 3,
(12)14 en 15; K. VERHEYDEN, “Verlenging van onroerende zakelijke rechten”, AFT 2012,
(24)34-35, nr. 34.
(11)K. VERHEYDEN, “Verlenging van onroerende zakelijke rechten”, AFT 2012,
(24)34-35, nr. 34.
(12)A.-S. CEULEMANS en T. MELIS, “Geen heffing verkooprecht bij verlenging vruchtgebruik” (noot onder Gent 30 november 2021), Registratierechten 2022, afl. 3,
(12)15; P. HINNEKENS en A. BOSTOEN, “Gesplitste aankoop onroerend goed tussen vennootschap en bedrijfsleider: een tikkende tijdbom? Een fiscale stand van zaken in het licht van het nieuw Burgerlijk Wetboek”, TEP 2022,
(159)161-162, nr. 6.
(13)VB 16045 van 5 september 2016, “Verlenging vruchtgebruik”, https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb-16045-verlenging-vruchtgebruik.
(14)Vr. en Antw. Kamer 2017-18, 14 maart 2018, nr. 54/150, 297 (Vr. nr. 2138 L. VAN BIESEN).
(15)VB 17005 van 20 maart 2017, “Verlenging vruchtgebruik vennootschap”, https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb-17005-verlenging-vruchtgebruik-vennootschap. Zie ook: H. CASIER en F. WILMOTS, “De impact van de duurtijd op de fiscale duurte van een beperkt zakelijk recht” (noot onder Gent 30 november 2021), TFR 2022,
(834)835; A.-S. CEULEMANS en T. MELIS, “Geen heffing verkooprecht bij verlenging vruchtgebruik” (noot onder Gent 30 november 2021), Registratierechten 2022, afl. 3,
(12)16; T. DE CLERCK, “Verlenging vruchtgebruik onderworpen aan verkooprecht”, Registratierechten 2017, afl. 2, 6-8.
(16)L. BELLINCK en A. BROHEZ, Vruchtgebruik, erfpacht en opstal onder het nieuwe goederenrecht, Mechelen, Kluwer 2021, 239, nr. 242; P. HINNEKENS en A. BOSTOEN, “Gesplitste aankoop onroerend goed tussen vennootschap en bedrijfsleider: een tikkende tijdbom? Een fiscale stand van zaken in het licht van het nieuw Burgerlijk Wetboek”, TEP 2022,
(159)162, nr. 6; J. SANDRA en A. SANDRA, “Verkooprecht niet verschuldigd bij verlenging van vruchtgebruik – Noot bij het arrest van het hof van beroep van Gent van 30 november 2021, 2020/AR/1541”, VIP 2022,
(25)26; A. VAN DE VELDE en G. DE NEEF, “Het nieuwe goederenrecht: belangrijke fiscale aandachtspunten voor de praktijk”, TBO 2022,
(270)277, nr. 12; L. VANWINNENDAEL en W. VETTERS, “Verlenging van vruchtgebruik vereist geen verkooprecht (registratiebelasting)” (noot onder Gent 30 november 2021), RABG 2022,
(1240)1243 en 1244; W. WILLEMS, “Hof van beroep te Gent keurt ‘gratis’ verlenging van het recht van vruchtgebruik goed”, Fisc.Koer. 2022,
(70)72.
(17)H. CASIER en F. WILMOTS, “De impact van de duurtijd op de fiscale duurte van een beperkt zakelijk recht” (noot onder Gent 30 november 2021), TFR 2022,
(834)836.
(18)T. DE CLERCK, “Verlenging vruchtgebruik onderworpen aan verkooprecht”, Registratierechten 2017, afl. 2,
(6)8.
(19)T. DE CLERCK, “Verlenging vruchtgebruik onderworpen aan verkooprecht”, Registratrierechten 2017, afl. 2,
(6)8. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250124.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250124.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.