← België

ETHIAS c. NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 31 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250131.1N.7 Rolnummer: C.21.0180.N Zaak: ETHIAS c. NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-02-28 Raadplegingen: 555 - laatst gezien 2026-06-15 03:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250131.1N.7 Fiches 1 - 2 De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de indeplaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING Vrije woorden: Subrogatie in de rechten van de benadeelde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 88, § 2 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 150, eerste lid - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Gecoördineerde wet 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - 14-07-1994 - Art. 136, § 2, vierde lid - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: Subrogatie in de rechten van de benadeelde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 88, § 2 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 150, eerste lid - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Gecoördineerde wet 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - 14-07-1994 - Art. 136, § 2, vierde lid - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Fiches 3 - 5 De rechter, die oordeelt dat de ziekteverzekeraar minstens gedeeltelijk vóór de dagvaarding door zijn verzekerde in diens rechten was gesubrogeerd en die de verjaringstermijn aan de zijde van de ziekteverzekeraar laat aanvangen op de dag van die dagvaarding op grond dat dit het ogenblik is waarop de ziekteverzekeraar kennis heeft gekregen van zijn rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van de aansprakelijke, zonder vast te stellen op welke datum de verzekerde van de ziekteverzekeraar kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar van de aansprakelijke, laat het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Motiveringsplicht - Indeplaatsstelling - Subrogatie in de rechten van de benadeelde - Verjaringstermijn rechtstreekse vordering - Noodzakelijke vaststellingen - Wettigheidstoezicht Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Vonnissen en arresten - Burgerlijke zaken - Motiveringsplicht - Subrogatie in de rechten van de benadeelde - Verjaringstermijn rechtstreekse vordering - Wettigheidstoezicht Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Motiveringsplicht - Subrogatie in de rechten van de benadeelde - Verjaringstermijn rechtstreekse vordering - Noodzakelijke vaststellingen - Wettigheidstoezicht Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie C.21.0180.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic VROMAN: Eiseres komt op tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Tongeren, gewezen op 24 augustus 2020, zoals verbeterd bij vonnis van 3 september 2020. Door de eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd, betreft de aanvang van de verjaring van de subrogatoire vordering van de ziekteverzekeraar (verweerster) tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar. II. Eerste onderdeel. In dit onderdeel verwijt eiseres de appelrechter artikel 149 Grondwet, minstens de artikelen 88, § 2 en 150 van de Wet Verzekeringen, artikel 34, § 2 en 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals van kracht voor de opheffing ervan bij Wet van 4 april 2014, en artikel 136, § 2, vierde lid, ZIV-wet te hebben geschonden omdat uit het vonnis niet blijkt op welke datum de verzekerde van verweerster kennis heeft gekregen van zijn recht tegen eiseres, zodat uit het vonnis niet blijkt dat de vordering van verweerder tegen eiseres werd ingesteld binnen de termijn van vijf jaar vanaf deze datum en het Hof daardoor in de onmogelijkheid verkeert de wettigheid na te gaan van de beslissing volgens welk de vordering tijdig werd ingesteld (schending van artikel 149 Grondwet), minstens is de beslissing niet naar recht verantwoord. Volgens artikel 150, eerste lid, Wet Verzekeringen geeft de verzekering de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar. Volgens artikel 88, § 2, Wet Verzekeringen verjaart, onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, de vordering die voortvloeit uit het recht dat de benadeelde heeft krachtens artikel 150 door verloop vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Volgens artikel 136, § 2, vierde lid, ZIV-Wet treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving, het interne stelsel van een internationale of supranationale organisatie of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden. De rechtspraak van het Hof in verband met het aanvangspunt van de verjaring van de subrogatoire vordering leert het volgende: - De indeplaatsgestelde in de rechten van de benadeelde oefent de vordering van de benadeelde uit met al haar kenmerken en toebehoren; hieruit volgt dat wanneer, op de datum van de subrogatie, de verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar niet is ingegaan ten aanzien van de benadeelde, die termijn evenmin is ingegaan ten aanzien van de indeplaatsgestelde
(1). Het Hof vernietigt dan ook de beslissing van de appelrechter dat de verjaring ten aanzien van de gesubrogeerde schuldeiser is beginnen lopen vooraleer de verjaring liep ten aanzien van haar verzekerde en vooraleer dat eiseres gesubrogeerd werd in de rechten van haar verzekerde. - De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de indeplaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren; daaruit volgt tevens dat voor de indeplaatsgestelde de verjaringstermijn van de vordering tegen de aansprakelijke aanvangt op het ogenblik waarop zij voor de benadeelde begint te lopen; uit wat voorafgaat volgt dat de buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering die een indeplaatsgestelde verzekeringsinstelling tegen het Gewest instelt, verjaard is indien zij wordt ingesteld meer dan vijf jaar na de eerste januari van het jaar waarin de fout werd begaan, tenzij de rechthebbende slechts na het verstrijken van deze termijn kennis krijgt van de schade en de identiteit van de aansprakelijke; de omstandigheid dat de indeplaatsgestelde verzekeringsinstelling zelf pas kennis krijgt van de identiteit van de aansprakelijke na het verstrijken van deze termijn, doet niet ter zake
(2). - De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de indeplaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren zodat voor de indeplaatsgestelde de verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar aanvangt op het ogenblik waarop zij voor de benadeelde begint te lopen
(3). Het Hof oordeelt dat het onderdeel dat aanvoert dat de vordering die een in solidum veroordeelde aansprakelijke, bij subrogatie in de rechten van de benadeelde, tegen de verzekeraar van een medeaansprakelijke instelt, een vordering tot vrijwaring is in de zin van artikel 2257 Burgerlijk Wetboek zodat de verjaring niet kan beginnen lopen vooraleer de betrokken aansprakelijke door de benadeelde is aangesproken tot betaling, op een onjuiste rechtsopvatting berust en dat het onderdeel dus faalt naar recht. De rechtspraak van het Hof in verband met de stuiting en de schorsing van de verjaring leert het volgende: - De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de gesubrogeerde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren; daaruit volgt dat de schorsing van de verjaring ten aanzien van degene die zich in zijn rechten laat subrogeren, ook werkt in het voordeel van de gesubrogeerde als de schorsing een aanvang heeft genomen voor en niet na de subrogatie
(4). - De stuiting van de verjaring door degene die zich in zijn rechten laat subrogeren geschiedt enkel in het voordeel van de gesubrogeerde als ze dateert van voor en niet van na de subrogatie
(5). De rechtspraak in verband met de schorsing en de stuiting van de verjaring heeft zoals FOSSÉPREZ terecht stelt enkel zin wanneer de verjaring reeds liep op het ogenblik van de subrogatie
(6). Dit veronderstelt in het licht van artikel 88, § 2, tweede lid, Wet Verzekeringen dat de benadeelde (de subrogant) kennis had van de identiteit van de verzekeraar voor dat de betaling die aan de basis ligt van de subrogatie tussenkwam. De meest essentiële rechtsregel die uit voormelde rechtspraak voortvloeit is dat de subrogatie in de rechten van de benadeelde tot gevolg heeft dat de indeplaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren. Dit is dan ook de kern van wat subrogatie inhoudt. De vordering die oorspronkelijk tot het vermogen van de benadeelde behoorde, gaat door de subrogatie over naar het vermogen van de gesubrogeerde schuldeiser. De indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling gebeurt op het ogenblik van diens betaling en dit tot beloop van het bedrag ervan. In geval van onderscheiden betalingen, gebeurt de indeplaatsstelling van de verzekeringsinstelling met betrekking tot iedere betaling afzonderlijk
(7). Advocaat-generaal met opdracht DECONYNCK stelde terecht het volgende: “Het scharniermoment is het ogenblik van de subrogatie: het is dan dat de schuldvordering overgaat met inbegrip van alle hieraan verbonden voordelen en nadelen en waardoor het uit het patrimonium van de subrogant verdwijnt. Hieruit volgt dan ook dat geen enkele handeling die betrekking heeft op de subrogant het vorderingsrecht van de gesubrogeerde nog kan aantasten alsook dat enkel de excepties die vóór de subrogatie zijn ontstaan, tegen de gesubrogeerde kunnen worden aangevoerd. Geen enkele proceshandeling van de gesubrogeerde kan dan weer een invloed hebben op de rechten van de rechthebbende jegens diens schuldenaar: de vordering bevindt zich immers niet meer in het patrimonium van de subrogant. Kort samengevat komt het erop neer dat niets dat de subrogant nog onderneemt na de subrogatie ook maar enige invloed heeft op de vordering van de gesubrogeerde en omgekeerd”
(8). Het recht dat de gesubrogeerde schuldeiser verkrijgt na betaling is voor hem een vast recht, zodat geen enkele handeling daarna van de subrogant de rechtspositie van de gesubrogeerde schuldeiser positief of negatief kan beïnvloeden
(9). De subrogatie verandert in principe evenmin iets aan de verjaringstermijn van de subrogatoire vordering en blijft dus die welke van toepassing was op de oorspronkelijke vordering
(10). Dit is in België zelfs het geval wanneer de verjaring niet loopt tegen de subrogant omwille van een persoonlijke hoedanigheid (vb. minderjarigheid)
(11). Het is in deze optiek dat de hoger vermelde arresten van het Hof waarin beslist werd dat voor de indeplaatsgestelde de verjaringstermijn van de vordering tegen de aansprakelijke aanvangt op het ogenblik waarop zij voor de benadeelde begint te lopen, volgens mij moeten worden begrepen. Als de verjaring van de vordering van de benadeelde nog niet loopt op het ogenblik waarop de gesubrogeerde overgaat tot betaling van de benadeelde, dan loopt de verjaring op het ogenblik van de subrogatie ten aanzien van de gesubrogeerde ook niet. Als daarentegen de verjaring van de vordering van de benadeelde reeds was ingetreden op het ogenblik van de subrogatie, dan zal de gesubrogeerde ook geconfronteerd worden met de verjaring van zijn subrogatoire vordering ten aanzien van de schuldenaar. Uit de rechtspraak van het Hof kan dus niet worden afgeleid volgens mij dat ongeacht het tijdstip waarop de benadeelde (subrogant) de vereiste kennis verkrijgt en de verhouding van dat tijdstip tot het tijdstip van de subrogatie, de verjaringstermijn ten aanzien van de gesubrogeerde steeds een aanvang neemt wanneer de benadeelde de vereiste kennis heeft verkregen en dat het tijdstip waarop de gesubrogeerde schuldeiser de vereiste kennis kan hebben niet relevant is
(12). Uit de rechtspraak van het Hof blijkt daarentegen dat het scharniermoment de datum van de subrogatie is. Vooral het arrest van 14 maart 2019 laat daar geen twijfel over bestaan
(13). De verkrijging van de vereiste kennis in hoofde van de subrogant na de subrogatie heeft geen invloed meer op de aanvang van de verjaring in hoofde van de gesubrogeerde. Na de subrogatie is het dus voor de aanvang van de verjaring van belang wanneer de gesubrogeerde kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar
(14). Met de vaststellingen op pagina 3 en 4 van het bestreden vonnis en het oordeel op pagina 5 en 6 van het bestreden vonnis stelt de appelrechter het Hof niet instaat om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en is de beslissing dat de vordering van verweerster niet verjaard is, niet regelmatig met redenen omkleed omdat in het vonnis niet wordt vastgesteld op welke datum de verzekerde van de verweerder kennis heeft gekregen van zijn recht tegen eiseres. In zoverre het onderdeel een schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, is het gegrond. Conclusie: Cassatie behalve in zoverre het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard. ____________________________________
(1)Cass. 14 maart 2019, AR C.18.0307.F, AC 2019, nr. 160, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190314.10.
(2)Cass. 16 april 2018, AR C.13.0008.N, AC 2018, nr. 235, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180416.1.
(3)Cass. 4 juni 2012, AR C.10.0208.N, AC 2012, nr. 355, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120604.6, met concl. van advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120604.6.
(4)Cass. 18 januari 2024, AR C.23.0157.N, AC 2024, nr. 50, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1, met concl. van advocaat-generaal met opdracht DECONYNCK ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1; Cass. 27 januari 2022, AR C.21.0106.N, AC 2022, nr. 73, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1, met concl. van advocaat-generaal met opdracht DECONYNK, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220127.1N.1; Cass. 16 december 2004, AR C.02.0212.N-C.02.0251.N, AC 2004, nr. 614, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.20.
(5)Cass. 16 december 2004, AR C.02.0212.N-C.02.0251.N, AC 2004, nr. 614, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.20.
(6)FOSSÉPREZ B., “Observations : Aux confins de la subrogation, de l’action directe et de la prescription”, in COLSON P. (ed.), Les grands arrêts du droit des assurances, Larcier 2024, 266.
(7)WERY P., Droit des obligations. Volume 2. Les sources des obligations extracontractuelles. Le régime général des obligations, Larcier 2016, 646 ; Cass. 27 januari 2022, AR C.21.0106.N, AC 2022, nr. 73, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1, met concl. van advocaat-generaal met opdracht DECONYNCK.
(8)DECONYNCK M., concl. bij Cass. 27 januari 2022, AR C.21.0106.N, AC 2022, nr. 73 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220127.1N.1.
(9)JANSEN R., “Hoofstuk
  1. Overgang van verbintenissen – Afdeling
  2. Subrogatie” in DAMBRE M. en TILLEMAN B., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 14 dln, 27, nr. 34.
(10)JANSEN R., “Hoofstuk
  1. Overgang van verbintenissen – Afdeling
  2. Subrogatie” in DAMBRE M. en TILLEMAN B., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 14 dln, 30, nr. 38.
(11)Cass. 18 januari 2024, AR C.23.0157.N, AC 2024, nr. 50, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1, met concl. van advocaat-generaal met opdracht DECONYNCK, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 contra: zie JANSEN R., “Hoofstuk
  1. Overgang van verbintenissen – Afdeling
  2. Subrogatie” in DAMBRE M. en TILLEMAN B., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 14 dln., 30, nr.
  3. JANSEN verwijst hiervoor naar de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie.
(12)Nochtans in deze zin: JOCQUÉ G., “Actualia verzekeringsrecht” in VANSWEEVELT T. en WEYTS B. (eds.), Actuele ontwikkelingen in het aansprakelijkheidsrecht en verzekeringsrecht, Intersentia 2015,
(25)40, nr. 22; BOONE I., “Verjaring van subrogatoire en zelfstandige verhaalsvorderingen”, in CLAEYS I. (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, in Gandaius. Ontmoetingen met recht, 7 , Wolters Kluwer België 2005,
(243), 251-252, nr. 11.
(13)FOSSÉPREZ B., “Observations: Aux confins de la subrogation, de l’action directe et de la prescription”, in COLSON P. (ed.), Les grands arrêts du droit des assurances, Larcier 2024, 266.
(14)In deze zin FOSSÉPREZ B., “Observations: Aux confins de la subrogation, de l’action directe et de la prescription”, in COLSON P. (ed.), Les grands arrêts du droit des assurances, Larcier 2024, 262-263; VERHEYEN T., “De verjaring van de vordering van de gesubrorgeerde verzekeraar” in X, Chronique de droit à l’usage des juges de paix et de police 2024/Rechtskroniek voor Vrede- en Politierechters, Die Keure 2024,
(187), 208-209, nr. 39. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250131.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250131.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.20 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120604.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120604.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180416.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190314.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220127.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.