id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250204.2N.16 Rolnummer: P.25.0062.N Zaak: P. contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2025-02-25 Raadplegingen: 446 - laatst gezien 2026-06-18 22:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.16 Fiches 1 - 3 Uit de artikelen 16, eerste en tweede lid, en 17, tweede lid, van de wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder volgt dat, wat betreft de uitvoering van vrijheidsstraffen uitgesproken na 1 september 2023 met een uitvoerbaar gedeelte van twee jaar of minder, maar zes maanden of meer, dat: 1° de regeling in beginsel enkel van toepassing is op veroordeelden die uitsluitend een veroordelende beslissing ondergaan die hen heeft veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van de Operationaliseringswet Strafuitvoering, voor zover die veroordelende beslissing kracht van gewijsde heeft verkregen; dit betreft de vereiste van een “nieuwe” veroordeling; 2° voor zij die een dergelijke nieuwe veroordeling ondergaan, de regeling evenwel ook van toepassing is indien er daarnaast een straf in uitvoering komt die werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van de Operationaliseringswet Strafuitvoering en dus een ”oude” veroordeling betreft
(1).
(1)Zie vordering OM op basis van art. 442 Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechter - Effectieve gevangenisstraffen tot twee jaar - Uitvoering van een veroordeling tot een vrijheidsstraf uitgesproken na 1 september 2023 - Bijkomende gevangenisstraf met uitstel uitgesproken vóór 1 september 2023 en die pas na die datum wordt ten uitvoer gelegd wegens herroeping van het uitstel - Verzoek tot het bekomen van strafuitvoeringsmodaliteiten - Beslissing van onbevoegdheid - Toelaatbaarheid - Toepassing van de regels van inwerkingtreding van de Wet Operationalisering Strafuitvoering Wettelijke bepalingen: Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 16, eerste en tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 17, tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechter - Effectieve gevangenisstraffen tot twee jaar - Uitvoering van een veroordeling tot een vrijheidsstraf uitgesproken na 1 september 2023 - Bijkomende gevangenisstraf met uitstel uitgesproken vóór 1 september 2023 en die pas na die datum wordt ten uitvoer gelegd wegens herroeping van het uitstel - Verzoek tot het bekomen van strafuitvoeringsmodaliteiten - Beslissing van onbevoegdheid - Toelaatbaarheid - Toepassing van de regels van inwerkingtreding van de Wet Operationalisering Strafuitvoering Wettelijke bepalingen: Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 16, eerste en tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 17, tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Thesaurus CAS: CASSATIE - VORDERINGEN TOT VERNIETIGING. CASSATIEBEROEP IN HET BELANG VAN DE WET Vrije woorden: Niet-ontvankelijk cassatieberoep van eiser wegens laattijdige indiening van stukken van betrekening - Vordering van de procureur-generaal bij het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 16, eerste en tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Wet 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder - 29-06-2021 - Art. 17, tweede lid - 22 Link Justel databank 20210629-22 Tekst van de conclusie P.25.0062.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET en vordering van het openbaar ministerie tot cassatie in het belang van de wet: “De bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter om te oordelen over een modaliteit van strafuitvoering die steunt op een veroordeling tot een gevangenisstraf met uitstel tot twee jaar die is uitgesproken voor 1 september 2023 en wegens herroeping van het uitstel pas uitvoerbaar is na die datum (art. 16 en 17 Wet van 29 juni 2021)”. Uit de stukken blijkt dat verweerder zich in strafuitvoering bevindt als gevolg van twee definitieve veroordelingen tot een effectieve gevangenisstraf beneden de twee jaar. De correctionele rechtbank te Antwerpen, afd. Turnhout, heeft hem op 22 april 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan één jaar met uitstel. Eerder had hetzelfde rechtscollege verweerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden met uitstel, op 9 januari 2017. Ten gevolge van de veroordeling op 22 april 2024 werd het uitstel ingetrokken, gelet op art. 14, § 1 Probatiewet, en werd het uit te voeren strafgedeelte opgetrokken van één jaar naar zestien maanden. Het eerder vonnis van de strafuitvoeringsrechter te Antwerpen van 28 oktober 2024 stelt vast dat de detentie op basis van de veroordeling van 22 april 2024 een aanvang nam op 10 september 2024 en bepaalt het strafeinde op 17 juni 2025. Het vonnis acht het verzoek tot het bekomen van een modaliteit (o.a. elektronisch toezicht) ontvankelijk maar ongegrond, wegens meerdere tegenaanwijzingen, onder meer het manifest risico voor de fysieke integriteit van derden (art. 28, § 1, 2° Wet Strafuitvoering). Het bestreden vonnis van de strafuitvoeringsrechter te Antwerpen van 8 januari 2025 wijst de verzoeken van verweerder om de modaliteiten te bekomen van beperkte detentie en elektronisch toezicht af als onontvankelijk, wegens materiële onbevoegdheid
(1). Eiser heeft op 9 januari 2025 cassatieberoep ingesteld, betekend aan de verweerder in de gevangenis bij akte van gerechtsdeurwaarder, ondertekend op 13 januari 2025. Zijn op 13 januari 2025 ondertekende memorie is door hetzelfde exploot ter kennis gebracht aan verweerder. Overeenkomstig art. 97, § 1, eerste en tweede lid, Wet Strafuitvoering moet het openbaar ministerie zijn cassatieberoep gericht tegen een vonnis van de strafuitvoeringsrechter instellen binnen een termijn van 24 uur, te rekenen vanaf de uitspraak en moet het zijn memorie met cassatiemiddelen doen toekomen op de griffie van het Hof ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep. Uit de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering volgt dat de stukken van betekening van het cassatieberoep van het openbaar ministerie en van de kennisgeving van zijn memorie moeten worden neergelegd ter griffie van het Hof binnen de termijn voor het indienen van de memorie
(2). Deze bepalingen gelden eveneens voor aangevochten beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank of de strafuitvoeringsrechter
(3). Aan deze vormvereisten is niet voldaan, aangezien uit de stukken blijkt dat de akte van betekening van het cassatieberoep en de kennisgeving van de memorie zijn toegekomen bij het parket bij het Hof op dinsdag 14 januari 2025 en buiten de termijn, op woensdag 15 januari 2025, ter griffie van het Hof zijn neergelegd, zonder dat er m.i. sprake is van overmacht. Het cassatieberoep en de memorie zijn bijgevolg niet-ontvankelijk. Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep dat door eiser is ingesteld. De ondergetekende procureur-generaal heeft de eer bij het Hof, in het belang van de wet en overeenkomstig artikel 442 van het Wetboek van Strafvordering, aangifte te doen van het vermelde vonnis van de strafuitvoeringsrechter te Antwerpen, voor het geval het Hof het cassatieberoep ingesteld door eiser verwerpt als niet-ontvankelijk. Het rechtsmiddel van art. 442 Sv. laat het parket bij het Hof toe cassatiemiddelen aan te voeren in zaken waarin het cassatieberoep tegen de beslissing gewezen in laatste aanleg laattijdig is ingesteld of om een andere reden niet-ontvankelijk is, zoals het laattijdig doen toekomen ter griffie van het Hof van de stukken van betekening van het cassatieberoep van het openbaar ministerie aan de beklaagde of veroordeelde. Indien het Hof ingaat op de vordering gesteund op art. 442 Sv., heeft de vernietiging een louter dogmatisch karakter, in die zin dat de partijen daaruit geen rechten kunnen putten, en gaat het om een vernietiging zonder verwijzing van de zaak
(4). Volgens art. 16, eerste lid, Wet van 29 juni 2021 tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, BS 14 juli 2021, beslist de strafuitvoeringsrechter over de modaliteiten van strafuitvoering, voor veroordeelden die “uitsluitend een vonnis of arrest uitvoeren voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van deze wet, voor zover deze in kracht van gewijsde zijn getreden”, tenzij de veroordeelde schriftelijk verzoekt om toepassing te maken van de bepalingen over die modaliteiten, opgenomen in Titel V van de Wet Strafuitvoering van 17 mei 2006. Voor een vrijheidsstraf waarvan het uitvoerbaar gedeelte twee jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt, is die datum van inwerkingtreding 1 september 2023 (art. 17, tweede lid, Wet van 29 juni 2021). Art. 16, tweede lid, Wet van 29 juni 2021 bepaalt: “Ingeval een veroordeelde overeenkomstig het eerste lid, het voorwerp uitmaakt van de toepassing van de voormelde bepalingen en er ten aanzien van hem nadien een straf in uitvoering komt die werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, voor zover deze veroordeling in kracht van gewijsde is getreden, blijven de voormelde bepalingen van toepassing” (over de modaliteiten van strafuitvoering beoordeeld door de strafuitvoeringsrechter)
(5). Uit deze bepalingen volgt volgens rechter Roland CASSIERS dat: 1° De regeling van de Wet Strafuitvoering in principe alleen geldt voor veroordeelden die uitsluitend een vonnis of arrest ondergaan van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, uitgesproken na de inwerkingtreding van de wet van 29 juni 2021, voor zover dit vonnis of arrest in kracht van gewijsde is getreden (dus een ‘nieuwe’ veroordeling); en 2° Voor die veroordeelden blijft de regeling van de Strafuitvoeringswet ook gelden, als er ten aanzien van hen nadien een straf in uitvoering komt die werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de genoemde wet van 29 juni 2021 (een ‘oude’ veroordeling), mits ook deze veroordeling in kracht van gewijsde is getreden
(6). Het bestreden vonnis neemt aan dat de strafuitvoeringsrechter maar kan beslissen over een modaliteit van strafuitvoering wanneer “lastens de veroordeelde uitsluitend een vonnis of arrest ten uitvoer wordt gelegd voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder wanneer deze worden uitgesproken na de inwerkingtreding van de Wet, hetzij na 1 september 2022 dan wel 1 september 2023”. Aangezien thans onder meer een straf wordt uitgevoerd die het gevolg is van een correctionele veroordeling op 9 januari 2017, is de strafuitvoeringsrechter volgens het vonnis onbevoegd om te beslissen over de gevraagde modaliteiten van beperkte detentie en het elektronisch toezicht. Het bestreden vonnis voegt eraan toe dat 1°de eerdere afwijzing van een verzoek tot het bekomen van een modaliteit van strafuitvoering (op 28 oktober 2024) geen beletsel vormt voor de afwijzing van de huidige verzoeken wegens materiële onbevoegdheid, aangezien die bevoegdheid van openbare orde is, en 2°het louter indienen van een verzoek tot het bekomen van een modaliteit niet kan beschouwd worden als een schriftelijk verzoek van de veroordeelde om toch toepassing te maken van de voormelde bepalingen. Beoordeling. Uit het bestreden vonnis blijkt dat verweerder een effectieve gevangenisstraf van één jaar ondergaat (titel 1) en er inmiddels een tweede titel in uitvoering is van vier maanden gevangenisstraf, die aanvankelijk met uitstel was opgelegd. Het Hof nam aan, op 30 juli 2024, dat als de veroordeelde is gedetineerd op basis van uitsluitend een definitief vonnis of arrest dat een gevangenisstraf met (probatie)-uitstel herroept, de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter (dan wel de gevangenisdirectie) om een modaliteit toe te kennen afhangt van de datum van de veroordeling, niet van de datum van herroeping. Indien de gevangenisstraf van hoogstens twee jaar met uitstel was opgelegd vóór 1 september 2023 en de herroeping van dat uitstel dateert van na die datum, kan de strafuitvoeringsrechter zich niet over een modaliteit van strafuitvoering uitspreken
(7). Uit artikel 16, tweede lid, Wet van 29 juni 2021 kan men afleiden dat als de veroordeelde wordt opgevolgd door de strafuitvoeringsrechter ingevolge een veroordeling tot een gevangenisstraf van hoogstens twee jaar uitgesproken na 1 september 2023, de strafuitvoeringsrechter bevoegd blijft om over modaliteiten te beslissen, ook al wordt er bijkomend een veroordeling uitgevoerd die is uitgesproken vóór 1 september
- Van zodra de Wet Strafuitvoering van toepassing is, door tenuitvoerlegging van een titel van strafuitvoering van na 1 september 2023 (voor een vrijheidsstraf van twee jaar of minder), komt het bijgevolg de strafuitvoeringsrechter toe een verzoek tot het bekomen van een modaliteit in te willigen of af te wijzen, ook als er na die tenuitvoerlegging een titel van strafuitvoering wordt toegevoegd, gesteund op een oudere veroordeling. Het lijkt mij ook moeilijk te verantwoorden dat de strafuitvoeringsrechter zich reeds bevoegd verklaarde (op 28 oktober 2024) om te oordelen over een verzoek van eiser om een modaliteit te bekomen, op basis van de veroordeling van 22 april 2024, en zich thans onbevoegd acht, ook al zijn de verzoeken van verweerder van 12 november 2024 om een modaliteit te bekomen (beperkte detentie en elektronisch toezicht) ruim geformuleerd. De verzoeken zijn immers ook gericht op de strafuitvoering op grond van de veroordeling van 22 april 2024, als eerste titel. Het bestreden vonnis dat de verzoeken van verweerder afwijst met als reden materiële onbevoegdheid, is m.i. in strijd met art. 16, tweede lid, Wet van 29 juni
- Om deze redenen, vordert de ondergetekende procureur-generaal dat het aan het Hof moge behagen voormeld vonnis van 8 januari 2025 van de strafuitvoeringsrechter te Antwerpen te vernietigen, doch alleen in het belang van de wet, en te bevelen dat van het te wijzen arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. ___________________________________
(1)De procureur des Konings gaf in zijn advies van 30 december 2024 aan dat er twee titels van strafuitvoering gelden en stelde voor de verzoeken van verweerder af te wijzen wegens meerdere tegenaanwijzingen, o.a. het gevaar voor de fysieke integriteit van derden.
(2)Zie alg. F. VAN VOLSEM, “Twee middelen bedoeld om tegenspraak in de penale cassatieprocedure te waarborgen: de verplichtingen het cassatieberoep te betekenen en de memories ter kennis ter brengen”, NC 2017, 407-435 en “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 192-207; S. VAN OVERBEKE, “De cassatieprocedure in strafzaken: formele voorwaarden en verloop”, in De cassatieberoepen, Intersentia 2023, 332-376; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1792-1798; H. VAN BAVEL, “Ontvankelijkheid van het cassatieberoep in strafzaken”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 72-77.
(3)Cass. 5 april 2016, AR P.16.0368.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.4, AC 2016, nr. 234.
(4)Vb. Cass. 6 september 2023, AR P.23.0827.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230906.2F.8, AC 2023, nr. 540, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 15 mei 2001, AR P.01.0013.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010515.10, AC 2001, nr. 284, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; Cass. 16 juni 1993, AR P.93.0889.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930616.17, AC 1993, nr. 290; M. DE SWAEF, “Cassatie en het openbaar ministerie”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 129-131; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1701-1703; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1869-1870; A. WINANTS, “De rol van het Openbaar Ministerie bij het Hof van Cassatie in strafzaken”, in De cassatieberoepen, Intersentia 2023, 436. Het cassatieberoep in het belang van de wet is niet-ontvankelijk, als het Hof over de zaak kan oordelen op basis van een ontvankelijk cassatieberoep (Cass. 27 juni 2006, AR P.05.1491.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060627.14, AC 2006, nr. 359).
(5)Over deze aspecten van overgangsrecht zie advocaat-generaal B. INGHELS, conclusie in de zaak Cass. 30 juli 2024, AR P.24.1023.F, AC 2024, nr. 518, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240730.VAC.2, op datum in Pas.; R. CASSIERS, Strafuitvoeringsrechtbank, APR 2024, 85-88 ; M.A. BEERNAERT, “Le nouveau régime d’exécution des peines privatives de liberté ne dépassant pas trois ans: retour sur une réforme délicate”, in Droit pénal - Evolutions récentes, (ed. Fr. Dessy & N. Sanhaji), Anthémis 2024, p. 219-249 (244-247).
(6)R. CASSIERS, Strafuitvoeringsrechtbank, APR 2024, 86.
(7)Cass. 30 juli 2024, AR P.24.1023.F, AC 2024, nr. 518, met concl. van advocaat-generaal B. INGHELS, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240730.VAC.2, op datum in Pas.. In deze zaak sprak de strafuitvoeringsrechter zich uit over een veroordeling met probatie-uitstel van 26 april 2019, herroepen bij vonnis van 1 december 2023, als enige titel van strafuitvoering. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250204.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930616.17 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010515.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060627.14 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160405.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230906.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240730.VAC.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div