← België

CEDEF cvoa contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250221.1N.4 Rolnummer: F.22.0164.N-F.22.0165.N Zaak: CEDEF cvoa contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-04-09 Raadplegingen: 342 - laatst gezien 2026-06-16 06:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250221.1N.4 Fiche Noch artikel 45, § 1, Btw-wetboek, noch enige andere wetsbepaling laten toe de aftrek van de belasting te weigeren om reden dat de kostprijs van de geleverde goederen of de verleende diensten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreft

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Kosten die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen - Aftrek voorbelasting - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 45, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.22.0164.N-F.22.0165.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN: (…)
  1. Inzake F.22.0164.N. EERSTE MIDDEL. Eerste onderdeel. 2.
  2. Het eerste middel heeft betrekking op de aftrekbaarheid van de btw die door eiseres werd betaald op de huur van een bergruimte. Eiseres huurde deze bergruimte van haar eigen zaakvoerder aan de prijs van 67.760,00 euro (= 56.000,00 euro huur + 11.760,00 euro btw) voor een periode van 7 jaar. Dit komt overeen met een prijs van 666,67 euro per maand exclusief btw, en 804,67 euro per maand inclusief btw. Eiseres verwijt de appelrechter de door haar in aftrek gebrachte btw te verminderen naar analogie met de niet-aftrekbaarheid van de beroepskosten op grond van artikel 53, 10°, WIB92
(1), terwijl de btw-wetgeving geen zulke analoge regel kent. De btw-administratie (en de rechter) kan de redelijkheid van de gemaakte kosten niet beoordelen. Voor btw-doeleinden zijn kosten – aldus eiseres – ofwel beroepsmatig en dan is de btw aftrekbaar, ofwel niet en dan is de btw niet aftrekbaar. De administratie (en de rechter) kan de aftrek dus slechts weigeren of aanvaarden, maar niet reduceren. Door toch te reduceren zou de appelrechter artikel 45, § 1, Btw-wetboek schenden. 2.2. Het onderdeel komt mij gegrond voor. Krachtens artikel 45, § 1, Btw-wetboek mag elke belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. De btw-belastingplichtige mag dus de btw die hij betaalt voor goederen en diensten in principe slechts aftrekken in verhouding tot de mate waarin hij deze gebruikt voor zijn beroepsuitoefening (die belast is). De btw-aftrek kan weliswaar gedeeltelijk worden geweigerd indien de goederen of diensten slechts gedeeltelijk voor de beroepsuitoefening werden bestemd
(2), maar dergelijke beperking van de aftrek is niet vergelijkbaar met een reductie van de aftrek als beroepskost bij toepassing van artikel 53, 10°, WIB
  1. Artikel 45, § 1, Btw-wetboek laat m.i. niet toe de aftrekbaarheid van de betaalde btw te reduceren op grond van een beoordeling van de redelijkheid van deze kosten ten aanzien van de beroepsbehoefte. Indien een goed of dienst integraal wordt aangewend voor het stellen van belaste handelingen (‘beroepsuitoefening’), dan mag de btw integraal worden afgetrokken, ook al zou die kost de beroepsbehoefte (op onredelijke wijze) overtreffen. Het komt tegenstrijdig voor om, enerzijds, de aftrekbaarheid van de beroepskost te reduceren op grond van artikel 53, 10°, WIB92 en, anderzijds, de btw-aftrek gedeeltelijk te weigeren in de mate dat de dienst niet zou zijn aangewend voor het uitoefenen van een belaste activiteit. De toepassing van artikel 53, 10°, WIB92 houdt immers in dat de kost integraal een beroepsmatig karakter wordt toegewezen, maar dat de aftrekbaarheid ervan desalniettemin wordt gereduceerd omdat de kost op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreft. Indien de kost geen beroepsmatig karakter had, zou de aftrekbaarheid van deze kost zelf zijn geweigerd op grond van artikel 49 WIB92, niet op grond van artikel 53, 10°, WIB
  2. Met andere woorden: het waren volgens de appelrechter wel degelijk beroepskosten, maar ze waren overdreven en om die reden slechts gedeeltelijk aftrekbaar. Naar mijn mening mocht de appelrechter de btw-aftrek vervolgens niet naar analogie reduceren. Door de reductie van de aftrekbaarheid van de btw te koppelen aan deze van de beroepskost zelf, zonder na te gaan in welke mate de dienst werd aangewend voor het stellen van belaste handelingen, heeft de appelrechter m.i. zijn beslissing niet naar recht verantwoord. (…) Besluit: vernietiging. _________________________________________________
(1)Krachtens dit wetsartikel worden alle kosten in zover deze op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen niet als beroepskost aangemerkt.
(2)Zie ook art. 1, § 2, lid 2, KB nr. 3 van 10 december 1969 m.b.t. de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde: “Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde”. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250221.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250221.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.