id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 februari 2025
Art. 544- 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB nr.
55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur - 55 - 10-11-1967 - Art. 1 - 33 ELI link Pub nr 1967111010 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Leasing - Leasinggever - Ontbinding wegens wanprestatie van de leasingnemer - Eigendomsrecht - Functie Wettelijke bepalingen: oud
Art. 544- 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB nr.
55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur - 55 - 10-11-1967 - Art. 1 - 33 ELI link Pub nr 1967111010 Fiches 3 - 4 De leasinggever blijft eigenaar van het geleasede goed, ook wanneer de leasingnemer zijn betalingsverbintenis correct uitvoert; bij het einde van de leasingovereenkomst is de leasingnemer in principe gehouden tot teruggave van het geleasede goed aan de leasinggever, zonder dat de leasinggever daarbij gehouden is tot betaling van de waarde van het goed aan de leasingnemer; de leasingnemer kan echter bij het einde van de leasingovereenkomst ervoor kiezen om de in de leasingovereenkomst bedongen aankoopoptie uit te oefenen; oefent hij deze optie uit, dan wordt hij eigenaar van het goed en heeft hij recht op de waarde ervan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Leasing - Einde leasingovereenkomst - Eigendom geleasede goed - Waarde van het geleasede goed - Verplichtingen en rechten leasinggever en leasingnemer Wettelijke bepalingen: oud
Art. 544- 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB nr.
55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur - 55 - 10-11-1967 - Art. 1 - 33 ELI link Pub nr 1967111010 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Leasing - Einde leasingovereenkomst - Eigendom geleasede goed - Waarde van het geleasede goed - Verplichtingen en rechten leasinggever en leasingnemer Wettelijke bepalingen: oud
Art. 544- 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB nr.
55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur - 55 - 10-11-1967 - Art. 1 - 33 ELI link Pub nr 1967111010 Fiches 5 - 6 Wanneer de leasinggever bij ontbinding wegens wanprestatie van de leasingnemer het geleasede goed terugvordert vóór het einde van de leasingovereenkomst en de waarde van het goed het bedrag van de schuldvordering van de leasinggever overtreft, is de leasinggever als eigenaar van het geleasede goed niet gehouden tot afdracht van het saldo aan de leasingnemer
(1).
(1)Zie concl. OM. Contra: Cass. 8 november 2002, AR C.00.0374.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021108.6, AC 2002, nr. 594. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Leasing - Ontbinding van de leasingovereenkomst wegens wanprestatie leasingnemer - Waarde van het geleasede goed dat het bedrag van de schuldvordering van de leasinggever overtreft - Bestemming Wettelijke bepalingen: oud
Art. 544- 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB nr.
55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur - 55 - 10-11-1967 - Art. 1 - 33 ELI link Pub nr 1967111010 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Leasing - Ontbinding van de leasingovereenkomst wegens wanprestatie leasingnemer - Waarde van het geleasede goed dat het bedrag van de schuldvordering van de leasinggever overtreft - Bestemming Wettelijke bepalingen: oud
Art. 544- 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB nr.
55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur - 55 - 10-11-1967 - Art. 1 - 33 ELI link Pub nr 1967111010 Tekst van de conclusie C.23.0381.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 20 oktober
- Door de eiseres worden er één middel aangevoerd. I. Situering. Het geschil heeft betrekking op een overeenkomst van 15 september 2008 houdende een onroerende leasing voor een periode van 15 jaar met een optie tot de aankoop op het einde van de overeenkomst voor zover de leasingnemer alle verplichtingen uit de overeenkomst was nagekomen en mits de betaling van een som van 30.000 euro. De leasingnemer dien de trimestriële aflossingen voor een bedrag van 25.433 euro te verrichten. De aflossingen werden niet meer verricht vanaf 15 december
- Op 17 oktober 2019 werd het faillissement van de leasingnemer uitgesproken. In de leasingsovereenkomst werd ook een schadebeding opgenomen waarbij is bepaald dat, in geval van er beroep kan worden gedaan op het uitdrukkelijk ontbindend beding, er naast de betaling van het bedrag dat overeenstemt met de vervallen en onbetaalde huren, de andere bedragen die voortvloeien uit niet nageleefde verbintenissen, van een som gelijk aan de nog lopende huurgelden, geactualiseerd aan een rentevoet gelijk aan de laagste van ofwel het gewogen gemiddelde van de IRS van 1 tot 15 jaar op het ogenblik van de invoegetreding van het huurcontract, verminderd met 2%, ofwel het gewogen gemiddelde van de IRS op het ogenblik van het verbreking voor de resterende duurtijd tot het einde van het huurcontract, verminderd met 2%; deze som te vermeerderen met de contractueel vastgestelde aankoopoptie en alle taksen en belastingen verschuldigd ten gevolge van de verbreking. Er is tevens voorzien dat de bedragen die voortspruiten uit de verkoop van de goederen of uit een wederverhuring van die goederen, onder aftrek van de gedane kosten, komen in aftrek komen van de verbrekingsvergoeding ten hoogste tot een bedrag gelijk aan deze vergoeding. Op basis van het laatste uitgebrachte bod aan de curator is de verkoopprijs van het onroerend goed 2.350.000 euro. De eiseres begroot haar vordering op 671.056,72 euro. Er is dus een overwaarde van 1.648.943,28 euro. Het geschil dat voorligt betreft dus de vraag aan wie deze overwaarde toekomt nl. aan de leasinggever of aan de leasingnemer. II. Eerste onderdeel. (…) III. Tweede onderdeel. In het tweede onderdeel verwijt eiseres de appelrechters de artikelen 544, 546, 1126 en 1231 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals van toepassing voor de opheffing van deze bepalingen), het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand zich ten koste van een ander zonder oorzaak mag verrijken en voor zoveel als nodig de artikelen 3.50 en 3.54 Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden door te oordelen dat het schadebeding moet worden gematigd in zover het voorziet dat een eventueel surplus na realisatie van het geleasede goed aan de leasinggever zou toekomen omdat de revindicatie geen van verrijking mag uitmaken, en de leasinggever zich niet in een betere positie mag bevinden na uitoefening van het revindicatierecht dan wanneer de leasingnemer zijn contractuele verplichtingen correct is nagekomen en het surplus aan de leasingnemer toekomt terwijl het recht op eigendom van de leasinggever hem ook het recht heeft op de meerwaarde het goed en het verrijkingsverbod niet geldt inzake onroerende leasing omdat het eigendomsrecht van de leasinggever geen zekerheidseigendom is en er in ieder geval geen ongerechtvaardigde verrijking is wanneer de leasinggever na de ontbinding van de leasingsovereenkomst een nieuwe leasingsovereenkomst sluit. Zekerheidsrechten worden gekenmerkt door het verbod van ongerechtvaardigde verrijking
(1). Het gaat om de preventieve functie van ongerechtvaardigde verrijking: de uitoefening van een zekerheidsrecht mag de schuldeiser nooit in een voordeligere positie brengen dan de positie waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schuldenaar de gewaarborgde schuldvordering correct zou hebben nagekomen
(2). Bij het eigendomsvoorbehoud houdt dit in dat de revindicatie door de verkoper onder eigendomsvoorbehoud nooit méér mag opleveren dan het uitstaande bedrag van zijn gewaarborgde schuldvordering
(3). Ook bij onroerende leasing strekt het eigendomsrecht van de leasinggever tot zekerheid
(4). Bij leasing kan dit verrijkingsverbod aanleiding kan geven tot matiging van de opzeggingsvergoeding
(5). F. BRUYNS en S. CLAEYS daarentegen menen dat het eigendomsrecht van de leasinggever niet kan worden afgekalfd omwille van de zekerheidsfunctie die dit eigendomsrecht ontegensprekelijk heeft en dat compensatie van de realisatiewaarde van het geleasede goed met de verbrekingsvergoeding enkel kan gebaseerd zijn op de theorie van de matiging van het schadebeding en dus in geen geval ook betrekking kan hebben op verschuldigde huurgelden
(6). Ook O. DE CLIPPELE en M.C. VALSCHAERTS zijn van mening dat er geen ongerechtvaardigde verrijking is wanneer de leasinggever na de ontbinden van het leasingcontract ten nadele van de leasingnemer, een nieuw leasingcontract afsluit
(7). Het Hof van Cassatie heeft evenwel expliciet bevestigd, weliswaar in het kader van een roerende leasing, dat het niet strijdig is met de aard van de leasingovereenkomst dat de rechter die de overeenkomst ontbonden verklaart, de opbrengst van de geleasede zaak toerekent op de contractueel bedongen vergoedingen die aan de leasinggever toekomen en op de door de leasing nemer verschuldigde achterstallen; Dat dergelijke toerekening de zekerheidsfunctie van leasing geen nadeel toebrengt
(8). Het eigendomsrecht van de leasinggever, ook bij onroerende leasing volgens mij, strekt dus tot zekerheid waardoor bij de beëindiging van de overeenkomst de leasinggever die het goed revindiceert de waarde van dat goed in rekening moet brengen op de totaliteit van zijn schuldvordering op de leasingnemer om wille van het verrijkingsverbod
(9). Wanneer er na deze verrekening nog een overwaarde (batig saldo) overblijft, dan komt deze toe aan de leasingnemer en niet aan de leasinggever
(10). Wanneer dat een schadebeding, zoals in onderhavige zaak, bepaalt dat de eventuele restwaarde van het gerevindiceerde goed, na toerekening van de opbrengst ervan op de contractueel bedongen vergoedingen en de door de leasingnemer verschuldigde achterstallen, aan de leasinggever toekomst, is dit strijdig met het verrijkingsverbod. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de beslissing van de appelrechters dat het schadebeding moet worden gematigd op basis van de artikelen 1226 en 1231 Oud Burgerlijk Wetboek, is het gericht tegen een overtollige reden en niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang nu de beslissing van de appelrechters om het schadebeding te matigen voor zover het bepaalt dat een eventueel surplus na realisatie van het geleasede goed aan de leasinggever zou toekomen, steunt op de tevergeefs bekritiseerde reden dat het schadebeding daardoor het verrijkingsverbod schendt. Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag waar het er van uitgaat dat de appelrechters zouden oordelen dat de eiseres als leasinggever na de ontbinding van de leasingovereenkomst een nieuwe leasingovereenkomst heeft afgesloten aangezien zij enkel vaststellen dat het gerevindiceerde geleasede goed door de eisers niet werd verkocht en thans wordt verhuurd. Conclusie: Verwerping. __________________________________________
(1)R. JANSEN, V. SAGAERT, “Overzicht van rechtspraak. Zakelijke zekerheden (2004-2010)”, TPR 2012/3, 1248; E. DIRIX, “Overzicht van rechtspraak. Zekerheden”, TPR 2004, 1181; E. DIRIX en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Mechelen, Kluwer 2006, 26-27, nr. 27; E. DIRIX, “Grenzen van de wilsautonomie inzake zakelijke zekerheidsrechten” in XXXIVste PUC Willy Delva, Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2008,
(141)165; H. LIBERT en J. BEKAERT, “Leasing van roerende goederen” in Commentaar bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2007, voor voetnoot 91; V. SAGAERT, “Het eigendomsrecht als volwaardig zekerheidsinstrument?” in Insolventierecht 2004-2005, Mechelen, Kluwer 2006,
(189)206; V. SAGAERT en J. DEL CORRAL, Eigendomsvoorbehoud, Mechelen, Kluwer 2015, 81; A. VAN OEVELEN, “Schadebedingen in leasingovereenkomsten en de zekerheidsfunctie van het eigendomsrecht van de leasinggever” (noot onder Cass. 8 november 2002), RW 2003-04,
(1459)1461.
(2)R. JANSEN, V. SAGAERT, “Overzicht van rechtspraak. Zakelijke zekerheden (2004-2010)”, TPR 2012/3, 1248.
(3)R. JANSEN, V. SAGAERT, “Overzicht van rechtspraak. Zakelijke zekerheden (2004-2010)”, TPR 2012/3, 1248; J. DEL CORRAL, “Eigendom tot zekerheid”, FARE 2022, (7.G.7) 20 (voetnoot 3) en E. DIRIX, “Grenzen van de wilsautonomie inzake zakelijke zekerheidsrechten” in XXXIVste PUC Willy Delva, Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2008,
(141)166 en 181; Zie ten andere bijvoorbeeld ook artikel 72 Pandwet dat uitdrukkelijk een verrijkingsverbod instelt bij het eigendomsvoorbehoud in deze wettelijk regeling. Dit artikel bepaalt: “De verkoper verrekent de waarde van het teruggevorderde goed met zijn schuldvordering. Overtreft deze waarde het bedrag van de schuldvordering dan is de verkoper tot afdracht aan de koper verplicht van het saldo”.
(4)E. DIRIX, “Overzicht van rechtspraak. Zekerheden”, TPR 2004, 1270; V. SAGAERT, “Het eigendomsrecht als volwaardig zekerheidsinstrument?” in Insolventierecht, Mechelen, Kluwer 2006, 193-94, nrs. 4 en 6; A. VAN OEVELEN, “De zekerheidsfunctie van het eigendomsrecht bij leasing” in Eigendom, Brugge, die Keure 1996, 22, A. VAN OEVELEN, “Schadebedingen in leasingovereenkomsten en de zekerheidsfunctie van het eigendomsrecht van de leasinggever” (noot onder Cass. 8 november 2002), RW 2003-04,
(1459)1460; S. BAEYENS, “De zekerheidsfunctie van het eigendomsrecht van de leasinggever als grondslag voor het verrijkingsverbod bij leasing” (noot onder Cass. 19 december 2019), RW 2020-21,
(56)59; J. BEKAERT, “Insolventierechtelijke aspecten van leasing en tegenwerpelijkheid van leasing” in Handboek leasing, Brugge, die Keure 2007, 593; H. DHONDT en Y. VAN COUTER, “Straf- en exoneratiebedingen in leasingovereenkomsten” in Handboek leasing, Brugge, die Keure 2007,
(154)166.
(5)R. JANSEN, V. SAGAERT, “Overzicht van rechtspraak. Zakelijke zekerheden (2004-2010)”, TPR 2012/3, 1248 en 1363.
(6)F. BRUYNS en S. CLAEYS, “Het eigendomsrecht van de leasinggever”, DAOR 2016, 6.
(7)O. DE CLIPPELE en M.-C. VALSCHAERTS, “Onroerende leasing”, Rép.not., D. II Zakenrecht, Boek 6/3, Brussel, Larcier 2007, nr. 81; Y. MOREAU en A. COX, “Le leasing immobilier en droit civil”, in J. BRENSON, Onroerende leasing – leasing immoblier, Brussel, Larcier 2007, 259p.
(8)Cass. 8 november 2002, AR C.00.0374.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021108.6, AC 2002, nr. 594, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021108.6.
(9)E. DIRIX, “Het lot van de realisatiewaarde bij de beëindiging van de leasingovereenkomst” (noot onder Brussel 23 juni 1999), RW 1999-00, 368; E. DIRIX, “Overzicht van rechtspraak. Zekerheden”, TPR 2004, 1277; E. DIRIX en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Mechelen, Kluwer 2006, 433, nr. 618. Zie ook: S. BAEYENS, “De zekerheidsfunctie van het eigendomsrecht van de leasinggever als grondslag voor het verrijkingsverbod bij leasing” (noot onder Cass. 19 december 2019), RW 2020-21,
(56)59; F. DE LEO, “Faillissement, reorganisatie en lopende overeenkomsten”, FARE 2019, losbl. 57; H. DHONDT en Y. VAN COUTER, “Straf- en exoneratiebedingen in leasingovereenkomsten” in Handboek leasing, Brugge, die Keure 2007,
(154)166; V. SAGAERT, “Het eigendomsrecht als volwaardig zekerheidsinstrument?” in Insolventierecht 2004-2005, Mechelen, Kluwer 2006,
(189)206-207; V. SAGAERT en J. DEL CORRAL, Eigendomsvoorbehoud, Mechelen, Kluwer 2015, 81; B. VANDER MEULEN, “Terugvordering, retentierecht en eigendomsvoorbehoud” in Praktische gids voor faillissementscuratoren, Mechelen, Kluwer 2021, 136; E. VANHOVE, “Leasing, propriété et garantie: la revendication et l’interdiction d’enrichissement du donneur de leasing”, Revue des entreprises en difficulté 2023,
(61)71-72; A. VAN OEVELEN, “Schadebedingen in leasingovereenkomsten en de zekerheidsfunctie van het eigendomsrecht van de leasinggever” (noot onder Cass. 8 november 2002), RW 2003-04,
(1459)1461.
(10)F. DE LEO, “Faillissement, reorganisatie en lopende overeenkomsten”, FARE 2019, losbl. 57; H. DHONDT en Y. VAN COUTER, “Straf- en exoneratiebedingen in leasingovereenkomsten” in Handboek leasing, Brugge, die Keure 2007,
(154)166; E. DIRIX, “Het lot van de realisatiewaarde bij beëindiging van de leasingovereenkomst” (noot onder Brussel 23 juni 1999), RW 1999-00,
(368)370; E. DIRIX en R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Mechelen, Kluwer 2006, 433, nr. 618; R. JANSEN en V. SAGAERT, “Overzicht van rechtspraak. Zakelijke zekerheden”, TPR 2012, 1363; B. VANDER MEULEN, “Terugvordering, retentierecht en eigendomsvoorbehoud” in Praktische gids voor faillissementscuratoren, Mechelen, Kluwer 2021, 136 en 262; E. VANHOVE, “Leasing, propriété et garantie: la revendication et l’interdiction d’enrichissement du donneur de leasing”, Revue des entreprises en difficulté 2023,
(61)71. Zie over de verdeeldheid hierover in de rechtspraak en in de rechtsleer, zonder stelling in te nemen: F. BRUYNS, “Aspects actuels du leasing” in Actualité en droit du bail in UB3, Brussel, Bruylant 2010,
(139)- Onzeker vanuit het verbintenisrechtelijk perspectief: H. LIBERT en J. BEKAERT, “Leasing van roerende goederen” in Commentaar bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2007, tussen voetnoot 91 en
- Contra: de rechtspraak aangehaald in J. HERBOTS et al., “Leasing” in Overzicht van rechtspraak bijzondere overeenkomsten, TPR 2002,
(897)907-908; F. BRUYS, “A qui revient le produit de la réalisation du matériel donné en leasing à un locataire défaillant” (Bergen 30 december 1999), JT 2001, 70. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250221.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250221.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021108.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div