← België

A. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 februari 2025

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Hof van assisen - Preliminaire zitting - Tijdig opwerpen van nietigheden en gronden van verval of niet-ontvankelijkheid van de strafvordering - Zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn als grond van verval - Geen vaststelling van de zeer zwaarwichtige miskenning - Gevolg voor de strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Hof van assisen - Tijdig opwerpen van nietigheden en gronden van verval of niet-ontvankelijkheid van de strafvordering - Zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn als grond van verval - Geen vaststelling van de zeer zwaarwichtige miskenning - Gevolg voor de strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 4 - 7 Indien het arrest van veroordeling van het hof van assisen met betrekking tot de straftoemeting oordeelt dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, geeft het hof van assisen daarmee hoe dan ook te kennen dat er geen reden is tot het uitspreken van het verval van de strafvordering wegens een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn; het middel over het verval van de strafvordering wegens een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn dat alleen is gericht tegen het arrest van de voorzitter van het hof van assisen geveld na de preliminaire zitting derhalve niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Vrije woorden: Vaststelling in het arrest van veroordeling dat de redelijke termijn niet is overschreden - Draagwijdte - Verweer over de redelijke termijn gevoerd tijdens de preliminaire zitting - Middel in cassatie over de redelijke termijn alleen gericht tegen het arrest over de preliminaire zitting dat de strafvordering niet vervallen verklaart - Belang van de eiser in cassatie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Hof van assisen - Eindarrest - Vaststelling in het arrest van veroordeling dat de redelijke termijn niet is overschreden - Draagwijdte - Verweer over de redelijke termijn gevoerd tijdens de preliminaire zitting - Middel in cassatie over de redelijke termijn alleen gericht tegen het arrest over de preliminaire zitting dat de strafvordering niet vervallen verklaart - Belang van de eiser in cassatie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Hof van assisen - Eindarrest - Vaststelling in het arrest van veroordeling dat de redelijke termijn niet is overschreden - Draagwijdte - Verweer over de redelijke termijn gevoerd tijdens de preliminaire zitting - Belang van de eiser in cassatie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Vrije woorden: Hof van assisen - Eindarrest - Vaststelling in het arrest van veroordeling dat de redelijke termijn niet is overschreden - Draagwijdte - Verweer over de redelijke termijn gevoerd tijdens de preliminaire zitting - Middel in cassatie over de redelijke termijn alleen gericht tegen het arrest over de preliminaire zitting dat de strafvordering niet vervallen verklaart - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de conclusie P.24.1506.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De beoordeling van de zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn in strafzaken naar aanleiding van een verweer van de beschuldigde, gevoerd tijdens de preliminaire zitting (artt. 27 VT Sv. en 278bis Sv.)”.

  1. Bestreden arresten.
  2. Eiseres wordt vervolgd wegens mededaderschap aan moord op V.H., gepleegd te Neerpelt op 21 november
  3. Tijdens de preliminaire zitting voerde zij verweer over de zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, als grond tot verval van de strafvordering (art. 27 VT Sv.), en over de miskenning van het vermoeden van onschuld (art. 6.2 EVRM) door onderzoeksrechter J. en politieambtenaar P.
  4. De voorzitter van het hof van assisen te Limburg heeft op 10 september 2024 geoordeeld dat er geen sprake is van enige schending van de rechten van verdediging of van enige onregelmatigheid, verzuim, nietigheid of grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, zoals bedoeld in art. 278bis Sv. (bestreden arrest I).
  5. Bij arrest II van 16 oktober 2024 van het hof van assisen te Limburg werd eiseres als mededader schuldig bevonden aan de telastlegging van moord. De rechtsprekende jury was van oordeel dat eiseres het initiatief nam tot de moord, zij een schietklaar pistool overhandigde aan medebeschuldigde C. en zij erin geslaagd is om C. zover te krijgen om V.H. dood te schieten.
  6. Bij arrest III van 17 oktober 2024 van het hof van assisen te Limburg werd eiseres veroordeeld tot 26 jaar opsluiting en een levenslange ontzetting uit haar burgerlijke en politieke rechten. Het hof van assisen nam twee verzachtende omstandigheden aan en oordeelde dat de vereiste van de redelijke termijn niet is miskend, omdat er geen periodes zijn van onredelijk lange stilstand tijdens het gerechtelijk onderzoek en na afsluiting van dit onderzoek.
  7. Toepassing van art. 27 VT. Sv.
  8. De eerste stap in de rechtspleging voor het hof van assisen is de preliminaire zitting voor de voorzitter van het Hof van Assisen. Volgens art. 278bis Sv. moeten de partijen bij conclusie alle onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering opwerpen tijdens deze voorafgaande rechtspleging, op straffe van verval

(1). Over die excepties of gronden doet de voorzitter dan uitspraak in een afzonderlijk arrest, vatbaar voor cassatieberoep (art. 278 bis Sv., ingevoegd door art. 46 Wet van 5 mei 2019, BS 24 mei 2019). 6. Volgens art. 6.1 EVRM heeft eenieder recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Art. 14, derde lid, c IVBPR 1966 heeft dezelfde draagwijdte. Of de redelijke termijn is overschreden moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak en volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor die betrokkene
(2). Aan de overschrijding van de redelijke termijn is volgens de artikelen 6.1 EVRM en 14, derde lid, c IVBPR geen vaste sanctie verbonden. Het is aan de nationale rechter om in de concrete omstandigheden van de zaak uit te maken welk rechtsherstel gepast is. 7. Artikel 27, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (V.T. Sv.), bepaalt dat: “Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken”. Volgens art. 27, tweede lid, V.T. Sv. beoordeelt de rechter welke van die gevolgen hij moet uitspreken, “in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn”. Deze voorschriften, ingevoegd door art. 34 Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, BS 18 april 2024, zijn vanaf 28 april 2024 van toepassing op alle hangende en nieuwe gedingen (art. 3 Ger.W.)
(3). 8. Art. 27 VT Sv. is bedoeld als compensatie voor de verlenging van de verjaringstermijnen (art. 21 V.T. Sv.) en de nieuwe regel dat vanaf de inleidende akte voor het vonnisgerecht de verjaring niet meer kan intreden (art. 23 V.T. Sv.)
(4). De term ‘zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn’ is niet nader toegelicht in art. 27 V.T. Sv. Er is allicht een verschil met een onverantwoorde vertraging in het onderzoek of proces die dermate ernstig is, dat daardoor de bewijsvoering en rechten van verdediging ernstig en onherstelbaar zijn aangetast (vb. omdat er geen bewijs à décharge meer kan geleverd worden). In dit geval moet de rechter volgens vaste rechtspraak de strafvordering niet-ontvankelijk verklaren, als passend rechtsherstel voor de inverdenkinggestelde, beklaagde of beschuldigde
(5). Beide remedies zijn dus complementair. 9. Tijdens de parlementaire bespreking van de wet van 9 april 2024 gaf professor Raf VERSTRAETEN aan: “Bij zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn zou de strafvordering kunnen vervallen. Die benadering gaat verder dan de huidige stand van zaken en is niet te vereenzelvigen met het criterium van het Hof van Cassatie. Het voorstel biedt een extra mogelijkheid aan de rechter. Wanneer de overschrijding dermate flagrant is dat straffen niet langer verantwoord is, zal de redelijke termijn een veel belangrijkere plaats krijgen dan vandaag het geval is. … Tegenover langere verjaringstermijnen staat een meer volwaardige en realistischere gelding van de redelijke termijn”
(6). Verder stelde prof. VERSTRAETEN “dat het denkbaar is dat onderzoeken langer duren doordat de verjaringstermijnen in bepaalde gevallen worden verlengd. De redelijke termijnvereiste wordt in samenhang met het verjaringsregime bekeken. In ernstige gevallen van overschrijding zal de rechter het verval van de strafvordering kunnen uitspreken. Het betreft een grond van uitdoven. Het verval kan intreden in de onderzoeksfase of in de fase van het vonnisrecht. Kan een zaak in de loop van het onderzoek reeds worden beschouwd als een zaak die aanleiding geeft tot een zware miskenning van de redelijke termijn, dan kan de raadkamer vaststellen dat de strafvordering is vervallen. De raadkamer zal de zaak in voorkomend geval dus niet naar de rechtbank doorverwijzen”
(7). 10. Professor Joachim MEESE is van mening dat de rechter die vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, eerst moet onderzoeken of die overschrijding leidde tot een onherstelbare aantasting van de bewijsvoering en de rechten van verdediging. Is dat het geval, dan moet hij de strafvordering onontvankelijk verklaren. In het andere geval moet de rechter nagaan “op welke wijze de overschrijding moet worden gesanctioneerd. Stelt hij vast dat er sprake is van een zeer zwaarwichtige overschrijding, dan moet hij het verval van de strafvordering uitspreken”
(8). 11. Is er geen zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn, maar wel een andere overschrijding wegens een onverantwoorde vertraging in het onderzoek of proces, dan kent de rechter als compensatie voor de beklaagde een (reële en meetbare) strafvermindering toe of spreekt hij de eenvoudige schuldigverklaring uit (art. 27 V.S. Sv.). Deze lichte vormen van rechtsherstel voor onverantwoorde vertragingen in het onderzoek of het strafproces kunnen evenwel niet worden toegepast door de voorzitter van het hof van assisen, bij afronding van de preliminaire zitting. De straftoemeting komt immers toe aan het hof van assisen, na berechting van de zaak (art. 343 Sv.). In die procedure ten gronde kan de rechter ook beslissen tot vrijspraak van de beschuldigde, als in de concrete omstandigheden van de zaak blijkt dat door de overdreven lange duur van het onderzoek of de rechtspleging de betrouwbaarheid is aangetast van het belastend bewijsmateriaal, of dat bewijsmateriaal teloor ging
(9).
  1. Het bestreden arrest I oordeelt dat: - er na de verontrusting van eiseres in de loop van het onderzoek geen van periodes van lange en onverantwoorde stilstand ontstonden tussen de feiten en de berechting, in die zin dat er sprake zou zijn van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn overeenkomstig art. 27, lid 1, V.T. Sv.; - het dossier in dit stadium alle elementen bevat die in het kader van een eerlijke procesvoering nodig zijn om tot de waarheidsvinding tijdens de zitting ten gronde te komen; - er geen stilstand is die de bewijsvoering en het recht van verdediging aantasten; en - er geen zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn is aangetoond, die tot een verval van de strafvordering zou kunnen leiden. Het arrest voegt eraan toe dat voor zover de zitting ten gronde tot een schuldigverklaring van eiseres zou leiden, de eventuele overschrijding van de redelijke termijn desgevallend een element kan zijn van het debat over de straftoemeting.
  2. In zijn eerste middel, eerste onderdeel, voert eiseres aan dat de overweging dat er geen aantasting is van de bewijsvoering en het recht van verdediging niet kan worden betrokken in het oordeel of er dan niet een zeer zwaarwichtige miskenning is van de redelijke termijn, aangezien het verval van de strafvordering zich onderscheidt van het gevolg van de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens de schending van het recht op een eerlijk proces. Het bestreden arrest I is daarom in strijd met de artikelen 6.1 EVRM en 27 V.T. Sv.
  3. (Beoordeling) Hoewel dit niet is vermeld in art. 27 V.T. Sv., kan de rechter ook na 28 april 2024 de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering uitspreken, wanneer hij vaststelt dat een overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging ernstig en onherstelbaar heeft aangetast
(10). Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 15. De term ‘zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn’ laat ruimte voor interpretatie. Het hof nam reeds aan dat de rechter ook onder de gelding van artikel 27 V.T. Sv. kan oordelen dat het verval van de strafvordering geen passende sanctie is, als de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn niet tot gevolg had dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beklaagde ernstig en onherstelbaar werden aangetast
(11). Evenmin moet de rechter alle wettelijk bepaalde rechtsgevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn, noch de daartoe vereiste omstandigheden, in zijn beoordeling betreffende de sanctionering van die overschrijding betrekken. Hij moet enkel vermelden welk gevolg hij aan die overschrijding verbindt en waarom hij dat gevolg in de voorliggende zaak gepast acht
(12).
  1. De vraag welke van de zwaarste sancties gepast is als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn, namelijk verval of niet-ontvankelijkheid van de stafvordering, komt naar mijn mening enkel aan bod als de rechter eerst vaststelt, in functie van de concrete omstandigheden, dat er een flagrante overschrijding is van de redelijke termijn. Wanneer de rechter meent dat de (lange) duur van de strafprocedure geen zeer zwaarwichtige miskenning inhoudt van de redelijke termijn, moet hij zich niet uitspreken over het mogelijk gevolg dat hij daaraan zou hechten, in de zin van verval of niet-ontvankelijkheid van de strafvordering. Het lijkt mij in die hypothese van het ontbreken van een zeer zwaarwichtige miskenning niet nodig dat de voorzitter van het hof van assisen tijdens de preliminaire zitting nagaat of het nog wel verantwoord is dat de beschuldigde zich voor het hof van assisen moet verantwoorden. In zoverre faalt het onderdeel m.i. naar recht.
  2. Met het oordeel dat een eerlijke procesvoering nog mogelijk is en het tijdsverloop tussen de feiten en de behandeling ten gronde de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beschuldigden niet heeft aangetast, geeft het arrest m.i. impliciet aan dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens miskenning van het recht van verdediging niet aan de orde is. Voor zover eiseres aanvoert dat het arrest de eerlijke procesvoering, de bewijsvoering en de eerbied voor het recht van verdediging van de beschuldigde aanwendt als criteria voor de beoordeling van de zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, en de eraan verbonden sanctie van het verval van de strafvordering, mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  3. Voor zover eiseres alleen opkomt tegen het oordeel dat het tijdsverloop tussen de feiten en de behandeling ten gronde de bewijsvoering en de rechten van verdediging niet aantast, en niet tegen het oordeel dat er “geen sprake is van periodes van lange inactiviteit dan wel lange onverantwoorde stilstand”, wat van belang is voor de sanctie van verval van de strafvordering, kan het onderdeel niet tot cassatie leiden, en is het bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk.
  4. Voor het overige verduidelijkt het onderdeel niet hoe en waarom het oordeel over het ontbreken van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn (als grond van verval) of van een vertraging die de bewijsvoering en het recht van verdediging onherstelbaar aantast (als grond van onontvankelijkheid) in strijd zou zijn met de motiveringsplicht van de rechter (art 149 Grondwet). Op dit punt is het eerste onderdeel niet-ontvankelijk.
  5. Individuele beoordeling van de redelijke termijn.
  6. In haar eerste onderdeel werpt eiseres ook op dat bij gelijktijdige berechting van beklaagden of beschuldigden de overschrijding van de redelijke termijn individueel moet worden beoordeeld, ten aanzien van elk van hen. Er kan immers een verschil ontstaan wat betreft o.a. de datum van de misdrijven, de ingebrachte telastleggingen, het beginpunt van de redelijke termijn, de ontwikkelingen van het onderzoek, de houding van de beklaagde of beschuldigde tijdens het onderzoek of de gestelde onderzoeksdaden. Aan deze voorwaarde is volgens haar niet voldaan, waardoor het arrest van de preliminaire zitting dat geen verval van de strafvordering vaststelt in strijd is met de artikelen 6.1 EVRM, 27 V.T. Sv. en 149 Grondwet.
  7. (Beoordeling) Het bestreden arrest I neemt aan dat het gaat om een “tijdrovend onderzoek” omwille van de aard en omstandigheden van de feiten en een “zeer omvangrijk gerechtelijk onderzoek”. Daarbij verwijst het arrest I naar volgende factoren: meerdere verdachten, een groot aantal deskundigenonderzoeken, een aantal Europese onderzoeksbevelen, een doorgedreven telefonie-onderzoek, een complexe wedersamenstelling, de directe afluistering, een moeilijke zoektocht naar het wapen (dat nooit gevonden werd) en de steeds wisselende/evoluerende verklaringen van voornamelijk medebeschuldigde C., die “telkens opnieuw onderzoeksmatig afgetoetst dienden te worden” (blz. 4). Verder stelt arrest I dat eiseres geen familieleden of vrienden heeft opgegeven als mogelijke getuigen over haar moraliteit en geen van haar naaste familieleden inging om (soms meerdere) uitnodigingen van de politie voor verhoor (blz. 5).
  8. Ik meen dat uit het aannemen van de wisselende verklaringen van een medebeschuldigde als één van de oorzaken van vertraging in het onderzoek niet valt af te leiden dat er geen individuele beoordeling zou zijn van het verweer van eiseres over de zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn
(13). In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Voor het overige verduidelijkt het onderdeel niet hoe en waarom het oordeel in strijd zou zijn met de motiveringsplicht van de rechter, en is het op dit punt niet-ontvankelijk.
  1. Beoordeling van de vertragingen.
  2. Eiseres is van mening dat er sinds het moment dat zij kennis kreeg van de haar ten laste gelegde feiten er wel sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, gelet op onder meer de bijzonder lange duurtijden van bepaalde deskundigenonderzoeken, de periode van bijna vijf maanden tussen de beschikking tot mededeling van het dossier en de eindvordering en de periode van elf maanden tussen de verwijzing van de zaak naar het hof van assisen en de aanvang van de behandeling van de zaak ten gronde (eerste onderdeel).
  3. Vervolgens voert eiseres in een tweede onderdeel aan dat het arrest I geen antwoord bevat op haar verweer in conclusie over de periodes van stilstand van na de beschikking tot mededeling van het strafdossier aan de procureur des Konings (op 26 mei 2013) en van na het arrest van verwijzing van de zaak naar het hof van assisen (op 2 november 2023). Het arrest stelt immers alleen dat er in de loop van het onderzoek geen sprake is van periodes van lange inactiviteit dan wel lange onverantwoorde stilstand (blz. 5).
  4. (Beoordeling) De rechter oordeelt onaantastbaar of het onderzoek of het proces ernstige vertraging opliep, zonder toedoen van de beklaagde of beschuldigde, waardoor er een zeer zwaarwichtige miskenning is ontstaan van de redelijke termijn, die aanleiding geeft tot verval van de strafvordering. Daarbij gaat het Hof enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  5. Voor zover eiseres opkomt tegen het oordeel dat er geen periodes van lange inactiviteit dan wel lange onverantwoorde stilstand zijn, die zin dat er sprake zou zijn van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, is het eerste onderdeel niet-ontvankelijk, omdat het een onaantastbaar oordeel bekritiseert of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is.
  6. Met het oordeel dat - de redelijke termijn in de regel wordt beoordeeld naar de loop van het ganse strafproces (blz. 4) - er geen zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn is aangetoond en - een eventuele overschrijding van de redelijke termijn desgevallend een element kan zijn van het debat over de straftoemeting, lijkt mij het arrest een toereikend antwoord te bevatten op het verweer over lange periodes van stilstand in de periode na de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek. Het tweede onderdeel, dat schending aanvoert van art. 149 Grondwet, mist bijgevolg feitelijke grondslag.
  7. Het vermoeden van onschuld.
  8. In haar beroepsconclusie ingediend tijdens de preliminaire zitting wierp eiseres op dat onderzoeksrechter J. en de politieambtenaar P. vanaf het begin overtuigd waren van haar schuld, wat blijkt uit o.a. uitlatingen tijdens een overleg met de federale politie op 23 november 2017 en het proces-verbaal van verhoor van 25 juni
  9. In dat PV zijn onder meer volgende vragen opgenomen van speurder P. aan eiseres: “U wist dat V.H. (slachtoffer) zijn testament …weer kon aanpassen zodat u geen begunstigde meer was. V.H. had nu éénmaal een nieuwe liefde in zijn leven. U moest bijgevolg handelen. Dat is uw motief door de moord op V.H.”, “C. (medebeschuldigde) heeft ook, in uw opdracht, de poort achtergelaten die dinsdag 21 november 2017” en “U had een aanleiding, u had een motief, u heeft de gelegenheid gecreëerd. Het is allemaal uw werk. Wij zijn ervan overtuigd dat u de opdrachtgever bent van de moord op V.H.”.
  10. Het bestreden arrest oordeelt hierover als volgt: - Het behoort tot de taak van de speurders om een verdachte -desgevallend op kritische wijze- te confronteren met de resultaten van het onderzoek, teneinde aan deze verdachte de mogelijkheid te geven om hierover tegenspraak te voeren; - Het voorleggen van de mogelijk bezwarende elementen die het onderzoek zou hebben opgeleverd ten aanzien van een verdachte, kadert ontegensprekelijk in het respecteren van de rechten van verdediging van deze verdachte; - Bij elk verhoor werd eiseres bijgestaan door haar raadsman, met wie zij telkens voorafgaand aan het verhoor overleg heeft gehad. Tevens werd zij telkens voorafgaand aan het verhoor door de speurders in kennis gesteld van haar rechten, met inbegrip van haar zwijgrecht; - In de geciteerde verhoren van 25 maart 2019 en 25 juni 2019 verklaarde de raadsman van eiseres dat er geen opmerkingen waren aangaande het verloop van het verhoor; - Tijdens deze verhoren werd er door de aanwezige raadsman evenmin tussengekomen op de momenten dat de speurders eiseres (mogelijk op kritische wijze) confronteerden met de mogelijk belastende elementen van het onderzoek; - De bewering van eiseres dat de speurders (en bij uitbreiding de onderzoeksrechter) vanaf het begin (sinds het overleg in de crisisroom FGP van 23 november 2017) in de overtuiging waren dat eiseres schuldig was, wordt onder meer tegengesproken door de vaststelling dat eiseres na dit overleg werd verhoord als getuige, en dus niet als verdachte; - Het loutere feit dat een speurder zich tijdens een verhoor kritisch heeft uitgelaten met betrekking tot de verklaringen van een verdachte, of dat een speurder eenmalig een persoonlijk standpunt heeft vertolkt met betrekking tot de mogelijke betrokkenheid van een verdachte bij de feiten, is op zich onvoldoende om te besluiten tot een manifeste schending van het vermoeden van onschuld. - Op geen enkel ogenblik tijdens het gerechtelijk onderzoek heeft eiseres een verzoek tot wraking van onderzoeksrechter J. ingediend wegens vermeende schending van het vermoeden van onschuld; - In de motivering van de beschikking tot telefoontap van 23 november 2017 werden de ernstige aanwijzingen in de richting van eiseres door de onderzoeksrechter steeds in de voorwaardelijke wijze geformuleerd, zodat hieruit geen schending van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid; de overige elementen aangehaald in de conclusie van eiseres wijzen evenmin op een schending van het vermoeden van onschuld door de onderzoeksrechter; - Artikel 280, eerste lid, Sv., dat bepaalt dat het onderzoek ten gronde voor het hof van assisen mondeling wordt gevoerd, houdt in dat de verdediging vragen zal kunnen stellen aan alle opgeroepen getuigen, met inbegrip van de speurder P. en onderzoeksrechter J., en dat alle elementen in verband met onder meer de schuld of onschuld van de beschuldigden en hun moraliteit mondeling aan de jury worden voorgelegd en dit met inachtneming van alle waarborgen en grondrechten; de gezworenen zullen dienvolgens hun beslissing steunen op de bewijzen en de middelen van verdediging die tijdens de openbare zitting zullen worden uiteengezet; - De beschuldigden zullen voor het hof van assisen, met inachtneming van het zwijgrecht en met bijstand van hun advocaat of advocaten, verklaringen kunnen afleggen; aldus wordt besloten dat er geen sprake is van enige schending van de rechten van verdediging noch van het recht op een eerlijk proces. Evenmin is er sprake van enige onregelmatigheid, verzuim, nietigheid of grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering zoals bedoeld in art. 278bis Sv.
  11. In haar tweede middel voert eiseres aan het bestreden arrest I in strijd met de artikelen 6.2 EVRM en 32 VT Sv. en het vermoeden van onschuld beslist om het proces-verbaal van verhoor van 25 juni 2019 niet uit de debatten te weren.
  12. Anders dan eiseres aanvoert, is haar argumentatie m.i. niet verworpen door alleen de vaststellingen dat 1°haar advocaat bij het verhoor aanwezig was en geen opmerkingen maakte en 2°de onderzoeksrechter (J.)
(14)nooit werd gewraakt. Het middel dat niet opkomt tegen de overige redenen, zoals de taak van de speurders om een verdachte kritisch te ondervragen om tegenspraak toe te laten, kan aldus niet tot cassatie leiden en is niet-ontvankelijk. 32. Ondergeschikt ben ik van mening dat als een politieambtenaar tijdens een verhoor van de verdachte opmerkingen maakt die in strijd zijn met het vermoeden van onschuld, de rechter niet verplicht is om de resultaten van het verhoor met bijstand van een advocaat uit te sluiten als bewijs. Overeenkomstig art. 32 VT Sv. mag de rechter rekening houden met onregelmatig bekomen bewijs à charge, als hij vaststelt dat er geen op straffe van nietigheid voorgeschreven norm is overtreden, de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bekomen bewijs niet aantast en het gebruik van het onregelmatig bekomen bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces
(15). Dit laatste criterium wordt in beoordeeld in functie van het strafproces in zijn geheel
(16). 33. Met de aangehaalde redenen geeft het bestreden arrest I te kennen dat de door eiseres opgeworpen onregelmatigheden tijdens het verhoor van 25 juni 2019 geen nadelig effect hebben op de betrouwbaarheid van het bewijs en het recht op een eerlijk proces in zijn geheel, en er aldus geen reden is om overeenkomstig de artikelen 32 V.T. Sv. en 278bis Sv. het proces-verbaal van verhoor uit te sluiten als bewijs à charge. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren en concludeer tot verwerping. _____________________________________________
(1)M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1607-1608; R. VERSTRAETEN, “De preliminaire zitting van het hof van assisen na de wet van 5 mei 2019: één zitting, twee arresten, geen hoger beroep, hoeveel cassatieberoepen?”, NC 2021, 213-225; C. VAN DEN WYNGAERT; S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPELSVACINA 2022, 1367-1368. Een andere opdracht van de preliminaire zitting is het opstellen van de getuigenlijst (art. 278 Sv.), zie S. VAN OVERBEKE, “De preliminaire zitting in de assisenprocedure”, RW 2013-14, 963-982.
(2)Cass. 14 januari 2025, AR P.24.0918.N, AC 2025, nr. 36, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1; Cass. 16 januari 2024, AR P.23.1078.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240116.2N.11, AC 2024, nr. 41, RW 2024-25, 217; Cass. 28 november 2023, AR P.23.0696.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.14, AC 2023, nr. 781; Cass. 27 september 2023, AR P.23.0755.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.5, AC 2023, nr. 598, JLMB 2024, 1600; Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1384.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7, AC 2022, nr. 62, T. Strafr. 2022, 109, RW 2021-22, 1621, RABG 2022, 643; EHRM 28 mei 2019, Liblik e.a. t/Estland, § 91; EHRM 29 maart 2005, Ege t/Turkije, § 26; EHRM 26 september 2000, Guisset t/Frankrijk, www.echr.coe.int; J. MEESE, “Redelijke termijn in strafzaken”, in Comm. Straf., Kluwer, 3-14; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 51-53; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol.2, Larcier 2023, 1499-1616; C. GARABEDIAN, “La Cour de cassation, la Cour de Strasbourg et le délai raisonnable”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck André Henkes, Larcier 429-444.
(3)Over de onmiddellijke toepassing van nieuwe regels van de verjaring van de strafvordering op hangende processen, die op dat moment nog niet verjaard zijn, zie Cass. 14 januari 2025, AR P.24.1377.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.18, AC 2025, nr. 39, met concl. OM; Cass. 18 december 2024, AR P.24.1371.F, AC 2024, nr. 872, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas. ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241218.2F.2; Cass. 11 oktober 2017, AR P.17.0215.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171011.2, AC 2017, nr. 544, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; P. POPELIER, De toepassing van de wet in de tijd, APR 1999, 88-92; J. MEESE, “Less is more. De verjaring van de strafvordering en de redelijke termijn in strafzaken anno 2024”, RW 2024-25, en 764 en 778. Over de verjaring na de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024. Zie alg. V. TRUILLET en A. VERHEYLESONNE, “La réforme du régime de la prescription de l’action publique”, Dr.pén.entr. 2024, 377-381; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 231-é en 260 en J. Meese, l.c., RW 2024-25, 763-180.
(4)Wetsontwerp Strafprocesrecht I van 20 juli 2023, Memorie van Toelichting, Doc 55-3514/1, 45 en 49.
(5)Cass. 19 september 2023, AR P.23.0382.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7, AC 2023, nr. 567; Cass. 5 september 2023, AR P.22.0708.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11, AC 2023, nr. 526, RW 2023-24, 1149; Cass. 17 januari 2023, AR P.22.0917.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.3, AC 2023, nr. 45; Cass. 10 mei 2017, AR P.17.0179.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.2, AC 2017, nr. 323; Cass. 7 september 2011, AR P.10.1319.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1, AC 2011, nr. 455; Cass. 15 september 2010, AR P.10.0572.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2, AC 2010, nr. 524; GwH 29 juli 2010, nr. 92/2010 en GwH 18 februari 2010, arrest 16/2010, www.const-court.be; F. DERUYCK, “De overschrijding van de redelijke termijn en de onderzoeksgerechten: let’s get serious”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 171-182; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, die Keure 2021, 58-59; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPELSVACINA 2022, 755-757; F. Kuty, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, II, 1627 en 1633-1681.
(6)Wetsontwerp Strafprocesrecht I van 20 juli 2023, Verslag van de bespreking in de Commissie Justitie, Doc 55-3514/3, 43-44, www.dekamer.be (bespreking in de Commissie Justitie van de Kamer).
(7)Wetsontwerp Strafprocesrecht I van 20 juli 2023, Verslag van de bespreking in de Commissie Justitie, Doc 55-3514/3, 45, www.dekamer.be (bespreking in de Commissie Justitie van de Kamer).
(8)J. MEESE, “Less is more. De verjaring van de strafvordering en de redelijke termijn in strafzaken anno 2024”, RW 2024-25, 778. Op strafgebied hebben de sancties van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering en het verval van de strafvordering dezelfde uitwerking, in die zin dat geen uitspraak over de schuld en straftoemeting meer mogelijk is. Voor de burgerlijke vordering kan de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering als gevolg hebben, in specifieke gevallen, dat de strafrechter alsnog uitspraak moet doen over de burgerlijke belangen (zie J. MEESE, l.c., RW 2024-25, 778, met verwijzing naar Cass. 14 maart 2024, AR C.23.0240.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.3, AC 2024, nr. 226, RW 2024-25, 116, RABG 2024, 518).
(9)R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2023, 378. Zie ook F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol.2, Larcier 2023, 1626, met verwijzing naar EHRM 15 juli 1982, Eckle t/Duitsland, § 94.
(10)J. MEESE, “Less is more. De verjaring van de strafvordering en de redelijke termijn in strafzaken anno 2024”, RW 2024-25, 778.
(11)Cass. 5 november 2024, AR P.24.1013.N, AC 2024, nr. 736, RO 51, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13.
(12)Cass. 5 november 2024, AR P.24.1013.N, AC 2024, nr. 736, RO 52, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13.
(13)Over de vereiste van een concrete beoordeling van de redelijke termijn, rekening houdend met de situatie van elke beklaagde of beschuldigde, zie F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol. 2, Larcier 2023, 1435-1439.
(14)Volgens eiseres zou de onderzoeksrechter tijdens een crisisoverleg in 2017 (met de federale politie) hebben aangegeven dat zij schuldig was.
(15)Over toepassing van de criteria van art. 32 VT Sv. en de subcriteria die voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces als toetssteen zie o.a. Cass. 14 januari 2025, AR P.24.1579.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.12, AC 2025, nr. 41; Cass. 12 maart 2024, AR P.24.0049.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.4, AC 2024, nr. 210, T. Strafr. 2024, 254; Cass. 25 april 2023, AR P.23.0081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8, AC 2023, nr. 303, T. Strafr. 2023, 235; Cass. 4 april 2024, AR P.22.1730.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10, AC 2023, nr. 257, RW 2023-24, 751, RDPC 2023, 861 noot F. LUGENTZ, T. Strafr. 2023, é, noot M. VANDERMEERSCH, RABG 2023, 1659, noot V. VEREECKE en Cass. 5 mei 2020, AR P.19.1272.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.1, AC 2020, nr. 267.
(16)Over dit aspect, en de vrees voor een partijdige bewijsgaring, zie o.a. Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, AC 2022, nr. 709, met concl. OM, RABG 2022, 1375; Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0145.N, AC 2021, nr. 442, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11; Cass. 12 juni 2019, AR P.18.1001.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1, AC 2019, nr. 363, RDPC 2020, 730 noot S. HENROTTE; Cass. 6 februari 2019, AR P.18.1215.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190206.4, AC 2019, nr. 75, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171011.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190206.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230117.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230927.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240116.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241218.2F.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.