← België

D. contra Meester Philippe Baillon

Obsah (11)Art. 58bisArt. 319Art. 319bisArt. 322Art. 584Art. 588Art. 589Art. 589bisArt. 156bisArt. 383Art. 383ter

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 februari 2025

Art. 58bis

, 2° - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 319

, eerste, tweede en vijfde lid - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 319bis

, eerste lid - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 322

, tweede lid - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Fiche 2 De rechtsprekende taken van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank zijn neergelegd in artikel 584, derde lid, en 588 tot en met 589bis Gerechtelijk Wetboek, alsook in artikel XX.32. WER

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Voorzitter ondernemingsrechtbank - Rechtsprekende taken - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 584

, derde lid - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 588

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 589

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 589bis- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art.

XX.32 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 3 De voorzitter van de ondernemingsrechtbank kan met betrekking tot zijn rechtsprekende taken, zoals deze neergelegd in artikel XX.32 WER, worden vervangen door een plaatsvervangende magistraat in de zin van artikel 156bis Gerechtelijk Wetboek, aangewezen met toepassing van artikel 383, §2, Gerechtelijk Wetboek, en derhalve ook na de leeftijd van zeventig jaar, gedurende een tijdspanne van één jaar die viermaal kan worden hernieuwd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Voorzitter ondernemingsrechtbank - Rechtsprekende taken - Verhindering en vervanging - Vervanging - Plaatsvervangende magistraat Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 156bis

- 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 322

, tweede lid - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 383

, §§ 1, 2 en 5 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -

Art. 383ter

, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 584

, derde lid - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 588

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 589

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 589bis- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art.

XX.32 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.24.0324.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic VROMAN: Eiser komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, gewezen op 8 april 2024. Door de eiser wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag of een plaatsvervangend magistraat aangesteld uit de op rust gestelde magistraten zitting kan houden als voorzitter van de ondernemingsrechtbank in zijn rechtsprekende functie. In casu wordt door eiser de rechtsgeldigheid van een beschikking van 27 april 2023 in vraag gesteld omdat deze werd geveld door een plaatsvervangend magistraat die volgens de eiser de verhinderde voorzitter van de ondernemingsrechtbank niet kan vervangen. In deze beschikking werd beslist in toepassing van artikel XX.32 WER om eiser het volledige beheer van zijn goederen te ontnemen en eerste en tweede verweerders aan te wijzen als voorlopig bewindvoerders. De plaatsvervangend magistraat in kwestie werd bij koninklijk besluit van 15 oktober 2017 gemachtigd om zijn ambt te blijven uitoefenen, na de leeftijd van 67 jaar hebben bereikt, voor een termijn van één jaar met ingang van 1 oktober 2018

(1). Dit werd hernieuwd met een termijn van één jaar met ingang van 1 oktober 2019 bij koninklijk besluit van 21 maart 2019
(2). Dit werd nogmaals hernieuwd voor een termijn van één jaar bij koninklijk besluit van 4 februari 2020
(3). Bij koninklijk besluit van 13 juni 2021 en 18 juli 2021 werd deze magistraat in ruste gesteld met ingang van 30 september 2021 en werd hem vergund de eretitel te voeren
(4). Bij beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent werd deze magistraat in 2021 aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen in deze rechtbank tot hij de leeftijd van 71 jaar heeft bereikt
(5). Bij beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent werd dit hernieuwd in 2022 tot hij de leeftijd van 72 jaar heeft bereikt
(6). Bij beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent werd dit hernieuwd in 2023 tot hij de leeftijd van 73 jaar heeft bereikt
(7). Bij beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent werd dit hernieuwd in 2024 tot hij de leeftijd van 74 jaar heeft bereikt
(8). II. Het middel. Eiser verwijt de appelrechters de artikelen 8 t.e.m. 11, 58bis, 2°, 87, 90, 156bis, 195, 319 (voor de wijziging ervan door artikel 848 van de Wet van 27 maart 2024 houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis), 322, 379bis, 383 (voor de wijziging ervan door artikel 56 van de Wet van 26 december 2022 houdende diverse bepalingen inzake rechterlijke organisatie II), 584, derde lid, en 588-589bis (voor hun wijzigingen door de Wet van 25 mei 2023 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht en van het Gerechtelijk Wetboek, onder meer ingevolge de omzetting van Richtlijn (EU) 2019/2121 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen, de Wet van 20 maart 2022 tot wijziging van de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten, tot invoeging van een nieuwe titel VIbis in boek III van het oud Burgerlijk Wetboek en tot wijziging van het Wetboek van economisch recht en de Wet van 19 juni 2022 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG) van het Gerechtelijk Wetboek, artikel XX.32 WER en artikel 18 van het koninklijk besluit van 14 maart 2014 betreffende de indeling van de verschillende rechtbanken, te hebben geschonden door te oordelen dat een plaatsvervangend magistraat aangewezen uit de op rust gestelde magistraten, het ambt van voorzitter van de ondernemingsrechtbank kan uitoefenen in zijn rechtsprekende functie. In het eerste onderdeel van het middel worden er hiervoor negen grieven aangevoerd en in het tweede onderdeel wordt er één grief aangevoerd. III. Principes en beoordeling. III.1. Eerste onderdeel. Volgens artikel 383, § 1, Gerechtelijk Wetboek houden magistraten van de ondernemingsrechtbank op hun ambt uit te oefenen en worden zij in rust gesteld op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van 67 jaar. Volgens artikel 383ter, § 1, Gerechtelijk Wetboek kunnen deze magistraten op hun verzoek en op grond van een met redenen omkleed advies van hun korpschef door de Koning worden gemachtigd om hun ambt te blijven uitoefenen tot de leeftijd van zeventig jaar. Deze machtiging is één jaar geldig en kan worden hernieuwd. Volgens de parlementaire voorbereiding bij de Wet van 19 oktober 2015 die artikel 383ter Gerechtelijk Wetboek invoegde, had de wetgever uitdrukkelijk de bedoeling om de magistraten de mogelijkheid te bieden om voltijds te blijven werken tot de leeftijd van 70 jaar
(9). De desbetreffende magistraat maakte dus van deze mogelijkheid gebruik. Volgens artikel 383, § 5, Gerechtelijk Wetboek kunnen de magistraten die worden gemachtigd om hun ambt overeenkomstig artikel 383ter te blijven uitoefenen na het verstrijken van deze machtiging worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen overeenkomstig artikel 383, § 2, Gerechtelijk Wetboek. Volgens artikel 383, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek kunnen magistraten die hun ambt uitoefenden overeenkomstig artikel 383ter, § 1, Gerechtelijk Wetboek en de magistraten die reeds als plaatsvervangend magistraat zijn aangewezen, op hun verzoek, worden aangewezen als plaatsvervangend magistraat of hun ambt van plaatsvervangend magistraat blijven uitoefenen na de leeftijd van zeventig jaar en dit gedurende een tijdspanne van één jaar die viermaal kan worden hernieuwd. De aanwijzing, voorzetting en hernieuwingen worden beslist bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank die ze nuttig acht wegens de behoeften van de dienst. Ook van deze mogelijkheid maakte de desbetreffende magistraat gebruik. Artikel 156bis Gerechtelijk Wetboek opgenomen onder de titel IIbis “Plaatsvervangende magistraten aangewezen uit de op rust gestelde magistraten” van boek I “Organen van de rechterlijke macht” van deel II “Rechterlijke Organisatie” van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt het volgende: “Er zijn, in het Hof van Cassatie, de Hoven van beroep, de Arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de ondernemingsrechtbanken, de vredegerechten en de politierechtbanken, plaatsvervangende magistraten, aangewezen uit de wegens hun leeftijd overeenkomstig artikel 383, § 1 op rust gestelde magistraten en de magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd worden toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt; zij hebben geen permanente functie en worden benoemd overeenkomstig artikel 383, § 2, om verhinderde magistraten of leden van het openbaar ministerie tijdelijk, naargelang van het geval en ieder wat hem betreft, te vervangen. Deze plaatsvervangende magistraten kunnen ook geroepen worden om zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de hangende zaken te behandelen. De plaatsvervangende magistraten bedoeld in het eerste lid, kunnen geen federaal magistraat of magistraat van het parket voor de verkeersveiligheid, noch een lid van het openbaar ministerie vervangen die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht”. Dit systeem van de plaatsvervangende magistraten werd ingevoerd door de wet van 17 juli 1984 houdende bepaalde maatregelen van aard tot vermindering van de gerechtelijke achterstand (verder Wet van 17 juli 1984)
(10). Dit was ingegeven door de verlaging van de pensioenleeftijd van 70 jaar naar 67 jaar (met uitzondering van de magistraten bij het Hof van Cassatie). De toenmalige wetgever meende dat het verhogen van het aantal jonge magistraten zou bijdragen tot een beter rendement van de rechtbanken omdat het absenteïsme wegens ziekte, een onvermijdelijk gevolg van de vergevorderde leeftijd van sommige magistraten zal afnemen en hoopte de wetgever dat het arbeidstempo zou verbeteren
(11). Om te vermijden dat de doeltreffendheid van de verlaging van de pensioenleeftijd als element tegen de strijd tegen de gerechtelijk achterstand zou verminderen, wenste de wetgever het ambt van plaatsvervangend magistraat voor gepensioneerde magistraten in te stellen en de mogelijkheid of verplichting in te voeren voor die magistraten om onder bepaalde voorwaarden hun ambt te blijven vervullen
(12). Sedert de Wet van 17 juli 1984 zijn er twee categorieën plaatsvervangende magistraten nl. enerzijds de plaatsvervangende magistraten sensu stricto nl. de plaatsvervangende magistraten aangewezen uit de op rust gestelde magistraten en anderzijds de plaatsvervangende rechters zoals bedoeld in artikel 87 Gerechtelijk Wetboek. De twee categorieën verschillen wezenlijk van elkaar. De eerste categorie betreft per definitie beroepsmagistraten die op rust werden gesteld. De tweede categorie betreft per definitie niet-beroepsmagistraten. Oorspronkelijk konden deze plaatsvervangende magistraten enkel wanneer zij de pensioenleeftijd hadden bereikt aangewezen worden in dat ambt en konden zij dat ambt uitoefenen tot de leeftijd van 70 jaar (artikel 383, § 2 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging bij Wet van 7 mei 2010)
(13). Daarnaast voorzag artikel 383bis Gerechtelijk Wetboek zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij Wet van 22 december 1998)
(14)in een systeem waarbij magistraten die de pensioenleeftijd hadden bereikt, hun ambt verder blijven uitoefenen voor een termijn van maximum één jaar in de zaken die reeds zijn behandeld voor een kamer waarvan zij deel uitmaakten of waarbij dergelijke magistraten gemachtigd konden worden om hun ambt voor een niet hernieuwbare termijn van zes maanden te blijven uitoefenen tot dat er voorzien is in de plaats die is opengevallen in hun rechtscollege
(15). In 2010 werd toegelaten dat de plaatsvervangende magistraten ook na leeftijd van 70 jaar het ambt van plaatsvervangend magistraat bleven vervullen voor een tijdspanne van één jaar die tweemaal kon worden hernieuwd
(16). In 2015 werd het toepassingsgebied van artikel 383 Gerechtelijk Wetboek door de Wet van 19 oktober 2015 uitgebreid naar de magistraten die zelfs voordat zij zijn toegelaten tot de inruststelling, op rust gingen op voorwaarde dat zij gemachtigd werden tot het voeren van de eretitel van hun ambt en wanneer zij daar geen uitdrukkelijk afstand van hebben gedaan. In 2021 werd de mogelijkheid om tweemaal na de leeftijd van 70 jaar te worden verlengd als plaatsvervangend magistraat vermeerderd tot vier maal
(17). In het oorspronkelijk systeem kon de plaatsvervangend magistraat alleen zetelen in de rechtbank van eerste aanleg. Later werd een artikel 195, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek ingevoegd dat bepaalde dat alleen werkende rechters als enige rechter zitting konden houden en konden deze niet meer alleen zetelen in de rechtbank van eerste aanleg
(18). Aan deze restrictie kwam een einde door de Wet van 19 oktober 2015. Sindsdien is het de uitdrukkelijke bedoeling (zie huidige versie artikel 195 Gerechtelijk Wetboek) dat de plaatsvervangende magistraten ook alleen kunnen zetelen in de rechtbank van eerste aanleg. Artikel 195 Gerechtelijk Wetboek heeft, zoals de eiser in de voorziening terecht wordt gesteld, alleen betrekking op de rechtbank van eerste aanleg en is dus niet van belang bij de beoordeling in de huidige zaak die betrekking heeft op de vervanging van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Het tweede lid van artikel 156bis Gerechtelijk Wetboek wijst er onder meer op dat de plaatsvervangende magistraten zitting kunnen nemen in overtal
(19). Plaatsvervangende magistraten hebben dus volgens artikel 156bis Gerechtelijk Wetboek geen permanente functie en worden benoemd overeenkomstig artikel 383, § 2, Gerechtelijk Wetboek om verhinderde magistraten of leden van het openbaar ministerie tijdelijk, naargelang van het geval en ieder wat hem betreft, te vervangen. Het Hof besliste reeds dat uit artikel 156bis, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de mogelijkheid voor een plaatsvervangend magistraat om een verhinderde magistraat te vervangen of op te treden wanneer de bezetting niet volstaat om de hangende zaken te behandelen, voortvloeit uit hun aanwijzing in de hoedanigheid van plaatsvervangend magistraat, zonder dat de reden van verhindering, vervanging of optreden dient vastgesteld te worden in de beslissing of het dossier van de rechtspleging en dat uit geen enkele bepaling volgt dat de plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis Gerechtelijk Wetboek slechts zitting kan nemen in een kamer van het hof van beroep wanneer alle raadsheren en plaatsvervangende raadsheren verhinderd zijn
(20). Artikel 156bis Gerechtelijk Wetboek bepaalt uitdrukkelijk dat de plaatsvervangende magistraten alle verhinderde magistraten tijdelijk kunnen vervangen en dat zij ook geroepen kunnen worden om zitting te houden wanneer de bezetting niet volstaat om de hangende zaken te behandelen. Dit vormt een belangrijke aanwijzing dat een plaatsvervangend magistraat ook de verhinderde voorzitter van de ondernemingsrechtbank in zijn rechtsprekende functie kan vervangen of als voorzitter van de ondernemingsrechtbank in zijn rechtsprekende functie kan optreden wanneer de bezetting van de ondernemingsrechtbank niet volstaat om de hangende zaken te behandelen. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank is immers ook een magistraat. Ook de vergoedingsregeling voor plaatsvervangende magistraten wijst erop dat er geen beperkingen zijn aan de vervanging in de rechtsprekende functie. In de parlementaire voorbereiding bij artikel 379bis, Gerechtelijk Wetboek werd er overwogen dat het voor zich spreekt dat de prestaties die voor vergoeding in aanmerking zullen komen enkel deze prestaties zullen zijn die verband houden met het uitvoeren van juridische taken als plaatsvervangend magistraat. Het deelnemen aan onder andere recepties en plechtige openingszittingen zal niet worden vergoed
(21). De vraag rijst in deze zaak of een plaatsvervangend magistraat de verhinderde voorzitter van de ondernemingsrechtbank, in zijn rechtsprekende functie kan vervangen. De relevante bepalingen inzake verhindering van de voorzitter van de rechtbank van de ondernemingsrechtbank zijn, naast artikel 156bis Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 319, 319bis en 322, tweede lid Gerechtelijk Wetboek. Volgens artikel 58bis, 2°, Gerechtelijk Wetboek wordt, voor wat de magistraten betreft, onder korpschef onder meer verstaan de titularis van het mandaat van voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Hieruit volgt dat de korpschefs magistraat moeten zijn. Volgens artikel 319, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt in de rechtbanken die zijn samengesteld uit een of meerdere afdelingen, de korpschef vervangen door de afdelingsvoorzitter die hij aanwijst en wanneer hij geen vervanger heeft aangewezen door de afdelingsvoorzitter met de meeste dienstanciënniteit. Volgens artikel 319, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt in de andere gevallen de korpschef vervangen door de magistraat die hij daartoe heeft aangewezen en wanneer hij geen vervanger heeft aangewezen, wordt hij vervangen door een adjunct-mandaathouder naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een andere magistraat naar orde van dienstanciënniteit. In de parlementaire voorbereiding bij een van de voorgangers van de huidige bepalingen van artikel 319 Gerechtelijk Wetboek is het volgende te lezen: “Er wordt van de korpschef onder meer verwacht dat zijn rechtscollege of het openbaar ministerie bij dat rechtscollege wordt geleid met aandacht voor organisatorische aspecten. Dit betekent dat hij over de nodige bewegingsruimte en armslag moet beschikken om de praktische werking en organisatie van zijn diensten naar eigen inzicht te organiseren. Vandaar dat vrij moet kunnen bepaald worden welke magistraat het meest aangewezen is om hem bij bepaalde van zijn ambtsverrichtingen te vervangen. Dit betekent dat de wettelijke vervangingsregeling zoals die thans voorzien is in artikel 319 niet langer een reden van bestaan heeft. Wanneer een korpschef nagelaten heeft om in zijn vervanging te voorzien, wordt een wettelijke regeling voorzien met het oog op de continuïteit van de dienst. Dit vangnet is geïnspireerd op de huidige regeling van artikel 319 mits enkele aanpassingen aan de nieuwe structuren binnen de magistratuur. Zo bijvoorbeeld verwijst het begrip dienstanciënniteit naar de anciënniteit in het ambt waarop het slaat. Concreet betekent dit voor een adjunct-mandaathouder diegene die het langst dit mandaat uitoefent. Er wordt uitdrukkelijk bepaald dat een vervanging in ieder geval een einde neemt bij het bereiken van de leeftijdsgrens, bedoeld in artikel 383, § l. Deze specifiëring is ingegeven door toepassingsproblemen in de praktijk, vermits sommige magistraten van de zetel die tot de in rust stelling zijn toegelaten wegens hun leeftijd en die krachtens artikel 383bis, § 2 gemachtigd zijn om hun ambt uit te oefenen tot in hun vervanging is voorzien, hiervan misbruik maken om het waarnemend voorzitterschap op te eisen”
(22). Naar aanleiding van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde
(23)waarbij er onder meer afdelingen werden gecreëerd in de rechtbanken en parketten, werd de huidige regeling van artikel 319, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek ingevoegd met de in eerste orde vervanging van de korpschef door de afdelingsvoorzitter en werd er een artikel 319bis Gerechtelijk wetboek ingevoegd met betrekking tot de vervanging van de afdelingsvoorzitter (-procureur of -auditeur) ingeval van verhindering
(24). Volgens deze bepaling wordt de afdelingsvoorzitter vervangen door de magistraat die de korpschef heeft aangewezen en wanneer hij geen vervanger heeft aangewezen, door een houder van het adjunct-mandaat van ondervoorzitter (of eerste substituut) naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een andere magistraat naar orde van dienstanciënniteit. Bij de parlementaire voorbereiding bij deze bepalingen is het volgende te lezen: “Art. 15. Aangezien plaatselijk een rol van secondant gegeven wordt aan de afdelingsvoorzitters, -procureurs of -auditeurs in de gefuseerde arrondissementen met een of meer afdelingen, wordt artikel 319 van het Gerechtelijk Wetboek gewijzigd opdat de vervanging van de verhinderde korpschef toevertrouwd zou zijn aan een afdelingsverantwoordelijke. Er wordt voorgesteld dat bij ontstentenis van aanwijzing, zij het opzettelijk of onopzettelijk, door de korpschef, dat ambt zou uitgeoefend worden door de afdelingsvoorzitter, de afdelingsprocureur of de afdelingsauditeur met de meeste dienstanciënniteit. De huidige regeling blijft gehandhaafd voor de rechtscolleges en parketten zonder afdeling. Art. 16 Er moet worden bepaald enerzijds door wie de verhinderde afdelingsvoorzitters, afdelingsprocureurs en afdelingsauditeurs vervangen zullen worden, en anderzijds wie hen zal aanwijzen. De keuze van de vervanger van de afdelingsverantwoordelijke wordt in eerste instantie overgelaten aan de korpschef, en indien laatstgenoemde zich onthoudt van de aanwijzing van een vervanger zal het ambt in de afdeling(en) uitgeoefend worden, naargelang het geval, door de oudstbenoemde ondervoorzitter of eerste substituut”
(25). Artikel 319 Gerechtelijk Wetboek heeft tot doel de continuïteit van de dienst te verzekeren
(26). Volgens artikel 322, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt in de ondernemingsrechtbank de kamervoorzitter vervangen door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die hij aanwijst of door een plaatsvervangend rechter. Uit de samenlezing van de artikelen 156bis, 319, 319bis en 322 Gerechtelijk Wetboek en de wetsgeschiedenis blijkt dat het specifieke systeem van vervanging in geval van verhindering van de korpschef en van de afdelingsvoorzitter enkel betrekking heeft op de taken van algemene leiding en management van de korpschef met het oog op de continuïteit van de organisatorische en administratieve werking van de rechtbank en dat de algemene regeling bedoeld in artikel 322, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek tot vervanging van een verhinderde kamervoorzitter in de ondernemingsrechtbank mede van toepassing is voor de voorzitter van de rechtbank met betrekking tot zijn rechtsprekende taken. De rechtsprekende taken van de voorzitter in de ondernemingsrechtbank zijn bepaald in artikel 584, derde lid, 588-589bis Gerechtelijk Wetboek en in artikel XX.32 WER waarvan in deze zaak toepassing werd gemaakt. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank kan ook met betrekking tot zijn rechtsprekende taak worden vervangen door een plaatsvervangende magistraat in de zin van artikel 156bis Gerechtelijk Wetboek, aangewezen met toepassing van artikel 383, § 2, Gerechtelijk Wetboek. Met de vaststellingen en het oordeel onder punt 2.1., 2.2. en 2.3. en 4.3.1. verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de beschikking van 27 april 2023 rechtsgeldig is, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. III.2. Tweede onderdeel. (…) IV. CONCLUSIE: Verwerping. _______________________________________________
(1)BS 3 september 2018.
(2)BS 6 september 2019.
(3)BS 4 september 2020.
(4)BS 8 september 2021, met erratum BS 24 september 2021.
(5)BS 1 oktober 2021.
(6)BS 15 juli 2022.
(7)BS 21 april 2023.
(8)BS 10 september 2024.
(9)Mvt bij het wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, KAMER COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE, 2014-2015, 30 juni 2015, 54-1219/001, 55; Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, BS 22 oktober 2015.
(10)BS 21 juli 1984.
(11)Verslag, SENAAT COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE, 1982-1983, 23 februari 1984, nr. 550/2, 10.
(12)Verslag, SENAAT COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE, 1982-1983, 23 februari 1984, nr. 550/2, 11.
(13)Wet van 7 mei 2010 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de aanwijzing van tot de inruststelling toegelaten magistraten als plaatsvervangend magistraat betreft, BS 1 juni 2010.
(14)Wet van 23 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, BS 2 februari 1999.
(15)Later werden de mogelijkheden van artikel 383bis Gerechtelijk Wetboek aangepast. Thans kan de termijn van zes maanden worden hernieuwd tot de magistraat de leeftijd van 73 jaar heeft bereikt (laatste aanpassing door de Wet van 28 maart 2024 houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis, BS 29 maart 2024).
(16)Wet van 7 mei 2010 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de aanwijzing van tot de inruststelling toegelaten magistraten als plaatsvervangend magistraat betreft, BS 1 juni 2010.
(17)Wet van 10 mei 2021 houdende dringende bepalingen tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en tot regeling van de telewerkvergoeding van het gerechtspersoneel in het kader van de gezondheidscrisis ten gevolge van het coronavirus COVID-19, BS 17 mei 2021.
(18)Wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten, BS 26 juli 1991.
(19)DELVOIE G., “Over pianokrukjes en bijzettafeltjes: What’s in a name” , RW 1996-1997, nr. 6,
(169), 169-170.
(20)Cass. 16 december 2016, AR C.15.0514.N, AC 2016, nr. 730, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161216.3.
(21)Mvt bij het wetsontwerp houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, KAMER COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE, 2014-2015, 30 juni 2015, 54-1219/001, 51.
(22)Toelichting, bij het wetvoorstel tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem voor magistraten, KAMER COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE, 1997-1998, 15 juli 1998, 1677/1, 87-88.
(23)BS 10 december 2013.
(24)Zie Wet van 8 mei 2014 houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake Justitie (I), BS 14 mei 2014.
(25)Toelichting bij het wetsvoorstel houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake Justitie, KAMER COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE, 2013-2014, 12 februari 2014, 53-3356/001,12.
(26)MOENS K. en GUISSART A. “Hoofdstuk 1. Rangorde en voorrang – de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek”, in DE RIEMAECKER X en VAN RANSBEECK R. (eds.), Statuut en deontologie van de MAGISTRAAT, 2de editie, die Keure 2020,
(271)280. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161216.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.