id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 februari 2025
Art. 309
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 370
Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Reisbureaus - Dienstverrichtingen die niet in het binnenland plaatsvinden - Belastbaarheid in België - Standstill-bepaling - Toepassing Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 309
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 370
Vrije woorden: Nationale maatregel vastgesteld na inwerkingtreding Richtlijn - Standstill-bepaling - Blijvende toepassing - Expliciete afwijking van de Richtlijn - Vereiste Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 309
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 370Thesaurus CAS: WETTEN.
DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - GEVOLGEN VAN INTERNATIONALE NORMEN Vrije woorden: Nationale maatregel vastgesteld na inwerkingtreding Richtlijn - Standstill-bepaling - Blijvende toepassing - Expliciete afwijking van de Richtlijn - Vereiste Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 309
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 370
Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Nationale maatregel vastgesteld na inwerkingtreding Richtlijn - Standstill-bepaling - Blijvende toepassing - Expliciete afwijking van de Richtlijn - Vereiste Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 309
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 370
Fiche 6 Het Hof vraagt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of artikel 28, lid 3, a), en lid 4 en bijlage E, punt 15, Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 370 en bijlage X, deel A, sub 4, Richtlijn 2006/112/EG, aldus dient te worden uitgelegd dat een na de inwerkingtreding van Richtlijn 77/388/EEG aan de bestaande wetgeving aangebrachte wijziging waarbij de uitdrukkelijke wetsbepaling die de belastbaarheid van door reisbureaus verrichte reisdiensten buiten de EU tot gevolg had, wordt geschrapt en wordt vervangen door bepalingen waaruit slechts impliciet volgt dat reisdiensten buiten de EU belastbaar blijven, moet worden beschouwd als een wetgeving die niet op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving en van een andere hoofdgedachte uitgaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Belasting over de toegevoegde waarde - Nationale maatregel vastgesteld na inwerkingtreding Richtlijn - Standstill-bepaling - Blijvende toepassing - Expliciete afwijking van de Richtlijn - Vervanging door wetgeving met impliciete afwijking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
Art. 370Tekst van de conclusie F.22.0145.N Conclusie van advocaat-generaal J.
VAN DER FRAENEN:
- Situering. 1.
- Het geschil betreft de heffing van BTW op vakantiereizen buiten de Europese Unie die werden aangeboden door TUI BELGIUM NV (TUI) — sinds 1 februari 2009 deel uitmakend van de Belgische BTW-eenheid TRAVEL4YOU — in de periode tussen 1 januari 2000 en 30 april 2014, en meer bepaald diverse verzoeken om BTW-teruggaaf door TUI en TRAVEL4YOU in hun btw-aangiften in de periode tussen november 2004 en december
- TUI verkoopt in eigen naam vakantiereizen waarvoor zij een beroep doet op de diensten van derden, waaronder hotels en luchtvaartmaatschappijen. TUI en TRAVEL4YOU zijn van mening dat reizen buiten de Europese Unie vanaf 1 januari 2000 eigenlijk van BTW vrijgesteld zijn, en hebben daarom vervolgens de teruggaaf gevraagd van de naar hun mening onterecht betaalde BTW. De fiscale administratie heeft deze teruggaaf telkens geweigerd, op grond van het standpunt dat reizen buiten de Europese Unie ook na de wetswijziging met ingang van 1 januari 2000 aan de BTW onderworpen bleven. 1.
- In het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent dd. 22 maart 2022 werd beslist dat de dienstverrichtingen van TUI die bestaan uit het verstrekken in eigen naam van reisdiensten (tot 31 januari 2009 als zelfstandige BTW-belastingplichtige en vanaf 1 februari 2009 als lid van TRAVEL4YOU) waarvoor zij een beroep doet op andere belastingplichtigen die deze handelingen stellen buiten de Europese Unie, wettig aan BTW onderworpen gebleven zijn vanaf 1 januari 2000, en werd vervolgens, door bevestiging van het bestreden vonnis, de vordering verworpen strekkende tot terugbetaling van de BTW betaald met betrekking tot deze verrichtingen. Eisers komen op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie.
- Bespreking van het eerste middel. 2.
- In het eerste middel wordt aangevoerd dat de appelrechters, door te beslissen dat België vanaf 1 januari 2000 de "Reisdiensten buiten de Europese Unie" nog aan BTW kon onderwerpen, de artikelen 15, punt 14, 26, eerste en derde lid, 28, derde lid, sub a) en vierde lid, en de bijlage E, punt 15, van de zesde BTW-richtlijn nr. 77/388/EEG van 17 mei 1977, 153, 306, 309 en 370 en de bijlage X, deel A, sub 4), van de BTW-richtlijn nr. 2006/112/EG van 28 november 2006 en 1, § 7, 2° WBTW hebben geschonden, evenals het algemeen rechtsbeginsel van voorrang van het Unierecht op alle nationale normen. 2.
- Op grond van artikel 26, derde lid, Zesde Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 309 Richtlijn 2006/112/EG, worden de handelingen van een reisbureau dat in eigen naam tegenover de reiziger handelt en dat voor de totstandbrenging van reizen van goederenleveringen en diensten van andere belastingplichtigen gebruikt maakt, van belasting vrijgesteld, indien en voor zover de handelingen waarvoor het reisbureau op andere belastingplichtigen een beroep doet, door laatstgenoemden buiten de Europese Unie worden verricht. Op grond van artikel 28, lid 3, a), en lid 4, Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 370 Richtlijn 2006/112/EG, kunnen de Lidstaten die op 1 januari 1978 bepaalde handelingen belastten die krachtens de Richtlijnen van belasting zijn vrijgesteld, blijven belasten, voor zover die handelingen zijn opgenomen in bijlage E bij de Richtlijn 77/388/EEG, thans bijlage IX, deel A, van de Richtlijn 2006/112/EG
(1). Onder punt 15 van bijlage E bij de Richtlijn 77/388/EEG, thans Deel A, punt 4 van bijlage X bij Richtlijn 2006/112/EG, worden vermeld, de diensten van reisbureaus die in eigen naam tegenover de reiziger handelen en voor de totstandbrenging van reizen van goederenleveringen en diensten van andere belastingplichtigen gebruik maken, alsmede van reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger handelen, voor zover het reizen buiten de Gemeenschap betreft. 2.3. Richtlijn 77/388/EEG en Richtlijn 2006/112/EG voorzien in verschillende zgn. standstill-bepalingen, die de Lidstaten toestaan bepaalde regels die zij voor 1 januari 1978 kenden, ook na 1 januari 1978 (datum van inwerkingtreding van eerstgenoemde richtlijn) te handhaven
(2). Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dat de desbetreffende bepalingen op soortgelijke wijze dienen te worden geïnterpreteerd
(3). Het Hof van Justitie oordeelt tevens in vaste rechtspraak dat: * een nationale maatregel die is vastgesteld na de datum van inwerkingtreding van de Richtlijnen in de desbetreffende Lidstaat, niet om die reden alleen automatisch van de uitzonderingsregeling voorzien in de standstill-bepalingen, is uitgesloten
(4); * de standstill bepalingen enkel verhinderen dat een lidstaat na 1 januari 1978 een nieuwe nationale afwijking invoert of (de draagwijdte van) een vóór 1 januari 1978 bestaande nationale afwijking uitbreidt, vermits een lidstaat zich in die gevallen verder van de doelstelling van Richtlijnen verwijdert
(5); * de voormelde artikelen niet verhinderen dat een lidstaat na 1 januari 1978 (de draagwijdte van) een vóór 1 januari 1978 bestaande afwijking beperkt, vermits een lidstaat in dat geval de doelstellingen van de Richtlijnen dichter benadert
(6); * in deze context de verwijzende rechter in beginsel bevoegd is om de nationale wetgeving uit te leggen teneinde de inhoud ervan op 1 januari 1978 te bepalen en teneinde vast te stellen of latere wetswijzigingen de draagwijdte van die nationale wetgeving hebben uitgebreid of beperkt
(7). Het Hof van Justitie heeft daaraan in meerdere arresten nog toegevoegd dat een nationale maatregel die na 1 januari 1978 is vastgesteld, niet om die reden alleen automatisch van de voormelde bepalingen van de uitzonderingsregelingen van de Richtlijnen is uitgesloten en dat deze uitzonderingsregelen ook gelden voor nieuwe nationale bepalingen die op de voornaamste punten identiek zijn aan de vroegere wetgeving of die alleen een belemmering voor de uitoefening van de communautaire rechten en vrijheden in de vroegere wetgeving verminderen of opheffen, maar dat daarentegen een wettelijke regeling die op een andere hoofdgedachte berust dan de vorige en nieuwe procedures invoert, niet kan worden gelijkgesteld met de wetgeving die op 1 januari 1978 bestond
(8). 2.4. Daarbij rijst de vraag wanneer een nieuwe nationale wettelijke regeling moet worden geacht ‘op een andere hoofdgedachte te berusten dan de vorige en nieuwe procedures in te voeren’. Uit het arrest Sandra Puffer, dat verwijst naar het arrest Cookies World, waarin de voormelde regel niet expliciet werd geformuleerd, maar wel impliciet besloten ligt
(9), kan dienaangaande worden afgeleid dat een nieuwe wettelijke regeling moet worden geacht ‘op een andere hoofdgedachte te berusten dan de vorige en nieuwe procedures in te voeren’ wanneer nieuwe belastbare feiten en/of nieuwe vrijstellingen worden gecreëerd. 2.
- In de thans aan het Hof voorliggende casus is van zulke wijzigingen m.i. evenwel geen sprake. 2.5.
- De vrijstelling voor zogenaamde "Reisdiensten buiten de Europese Unie" (extracommunautaire reizen) houdt een afwijking in van de bijzondere BTW-regeling voor reisbureaus (bijzondere margeregeling) die met ingang van 1 januari 1978 werd ingevoerd in artikel 26, eerste en tweede lid van de zesde BTW-richtlijn voor reisbureaus die in eigen naam reizen organiseren en daartoe gebruik maken van goederen en diensten die hen door andere belastingplichtigen worden verstrekt. De Belgische regering besloot net vóór de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn om de bedoelde reizen buiten de Europese Unie, die in beginsel zijn vrijgesteld, want overeenkomstig artikel 26, derde lid van de zesde richtlijn gelijkgesteld met een vrijgestelde handeling van een tussenpersoon, belastbaar te stellen door wijziging van artikel 41, §2, tweede lid WBTW
(10). Met die wijziging van de BTW-wetgeving wou de Belgische regering aldus toepassing maken van bovenvermelde standstill-bepaling en zo verhinderen dat de vrijstelling voor tussenpersonen ex artikel 26, derde lid van de zesde BTW-richtlijn zou doorwerken. Van deze overgangsbepaling kon immers slechts toepassing worden gemaakt voor zover de diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Unie in België waren belast uiterlijk op datum van de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn op 1 januari
- Bij wet van 29 november 1977 werd in artikel 20 WBTW, met ingang van 1 december 1977, ook het wettelijk vermoeden ingeschreven dat een reisbureau wordt geacht in naam en voor rekening van de reiziger te handelen en dus als diens lasthebber, dit ook wanneer het reisbureau optrad in eigen naam ten aanzien van de reiziger en voor de totstandbrenging van de reizen gebruik maakte van goederenleveringen en diensten van andere belastingplichtigen, zijnde de situatie geviseerd door de bijzondere margeregeling voorzien in artikel 26 van de zesde richtlijn. Vóór 1 december 1977 werd een reisbureau dat voor de organisatie van een reis tussenkomst verleende en in eigen naam aan de reiziger een factuur uitreikte, ingevolge de artikelen 13 en 20 WBTW geacht de betrokken diensten zelf te hebben ontvangen en op zijn beurt zelf aan de reiziger te hebben verleend. Een reisbureau handelde vóór 1 december 1977 aldus in eigen naam en niet als tussenpersoon namens de vervoerder, hotelhouder, organisator van een schouwspel, enz. De wijziging van artikel 20 BTW-wetboek juncto artikel 41, § 2, tweede lid, BTW-wetboek had tot gevolg dat de diensten verricht door reisbureaus vanaf 1 januari 1978 aan BTW onderworpen bleven, zelfs in zoverre het reisdiensten buiten de Europese Unie betrof. 2.5.
- De diverse wijzigingen aan het BTW-wetboek bij KB van 28 december 1999 werden blijkens het verslag aan de Koning enkel aangebracht om tegemoet te komen aan de ingebrekestelling van de Europese Commissie teneinde een belemmering voor de uitoefening van de communautaire rechten en vrijheden in de vroegere wetgeving te verminderen of op te heffen, namelijk door het gevaar voor een dubbele belasting in de EU weg te werken. Teneinde zich te conformeren aan artikel 26, lid 1, Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 306 Richtlijn 2006/112, en het gevaar van dubbele belasting in de Europese Unie weg te werken, werd door het koninklijk besluit van 28 december 1999 in artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, BTW-wetboek voorzien dat een reisbureau wordt geacht in eigen naam op te treden, en niet langer in naam en voor rekening van de reiziger zoals voorheen het geval was. Tevens werd in artikel 20, § 2, BTW-wetboek voorzien dat de regeling van artikel 20, § 1, BTW-wetboek inzake commissionairs of andere tussenpersonen als bedoeld in artikel 13, § 2, die tussenkomst verleent bij diensten, niet op reisbureaus in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, BTW-wetboek en op tussenpersonen in reizen beoogd in artikel 1, § 7, tweede lid, 2°, BTW-wetboek van toepassing is. Als gevolg daarvan werd de expliciete uitsluiting van reisbureaus van het toepassingsgebied van de belastingvrijstelling van artikel 41, § 2, eerste lid, BTW-wetboek voor makelaars en lasthebbers, zoals voorzien in artikel 41, § 2, tweede lid, BTW-wetboek geschrapt, aangezien reisbureaus sindsdien niet langer als lasthebber worden beschouwd, waardoor zij zich sowieso niet meer op die vrijstelling konden beroepen. 2.5.
- De appelrechters hebben m.i. naar recht kunnen oordelen dat deze wijziging van de Belgische wetgeving geen afbreuk heeft gedaan aan de blijvende geldigheid van de standstill-bepaling nu de wetgeving inhoudelijk, wat betreft de hoofdgedachte die eraan ten grondslag ligt, niet werd gewijzigd, maar enkel in overeenstemming werd gebracht met de zesde BTW-richtlijn. De nieuwe wettelijke regeling kan immers op de voornaamste punten worden gelijkgesteld met de wettelijke regeling die bestond ten tijde van de inwerkingtreding van de zesde richtlijn en komt er evenzeer als de oude regeling op neer dat de handelingen van reisbureaus buiten de EU belastbare handelingen zijn. Er werd geen nieuwe belastbare handeling ingevoerd: de nieuwe regeling behoudt een belastbaarstelling die al bestond vóór 1 januari
- Het middel dat uitgaat van de rechtsopvatting dat België vanaf 1 januari 2000, ingevolge de schrapping van artikel 41, § 2 BTW-wetboek, bij gebrek aan een expliciete bepaling die afweek van de in zesde richtlijn voorziene vrijstelling voor Reisdiensten buiten de Europese Unie, niet langer deze reisdiensten aan BTW kon onderwerpen, zonder artikel 26, derde lid, juncto artikel 15, punt 4 van de zesde BTW-richtlijn (vanaf 1 januari 2007: artikel 309 juncto 153 BTW-richtlijn) te schenden, lijkt mij te falen naar recht. De voorgestelde prejudiciële vraag onder b) dient m.i. niet te worden gesteld. 2.
- Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt ook dat voor de beoordeling van de vraag of een nationale maatregel die na de datum van inwerkingtreding van de Richtlijnen in de desbetreffende Lidstaat is vastgesteld, onder de standstill-bepalingen van de Richtlijnen, waaronder artikel 28, lid 3, a), en lid 4, Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 370 Richtlijn 2006/112/EG, valt, rekening moet worden gehouden met de daadwerkelijke toepassing van de nationale bepalingen en met de gevolgen ervan voor de belastingplichtigen
(11). Hieruit valt m.i. af te leiden dat voor de blijvende toepassing van de standstill-bepalingen van de Richtlijnen niet is vereist dat een nationale maatregel die na de datum van inwerkingtreding van de Richtlijnen in de desbetreffende Lidstaat is vastgesteld, in een expliciete afwijking van de Richtlijnen voorziet. In zoverre het middel op een andere rechtsopvatting berust, lijkt het mij te falen naar recht. De voorgestelde prejudiciële vraag sub a) dient derhalve niet te worden gesteld. (…) Besluit: Verwerping. ____________________________________________
(1)Dit is een zogenaamde “standstill-bepaling”: het behouden van een bij de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn reeds bestaande nationale heffing.
(2)De meest aangehaalde standstill-bepalingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, naast het artikel 28, lid 3, a), zijn: - Artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 170, tweede lid, Richtlijn 2006/112/EG, dat de lidstaten toestaat om op 1 januari 1979 bestaande nationale regelingen inzake uitsluiting van het recht op aftrek van BTW te handhaven, hoewel de Richtlijn principieel in een recht op aftrek voorziet. - Artikel 28, lid 3, b), Richtlijn 77/388/EEG, thans artikel 371 Richtlijn 2006/112/EG, dat de lidstaten toestaat om bepaalde handelingen (opgesomd in bijlage F bij de Richtlijn) die krachtens de Richtlijn belastbaar zijn, te blijven vrijstellen indien en voor zover die handelingen op 1 januari 1978 overeenkomstig het nationale recht vrijgesteld waren.
(3)Zie HvJ 14 juni 2001, C-345/99, Commissie t. Frankrijk, r.o. 21 en 22.
(4)Zie o.a. HvJ. 24 mei 2007, C-157/05, Winfried L. Holböck t. Finanzamt Salzburg-Land. R.o. 41.
(5)Zie o.a. HvJ 27 oktober 1992, C-74/91, Commissie t. Duitsland, r.o. 15, met betrekking tot artikel 28, lid 3, b), Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 14 juni 2001, C-40/00, Commissie t. Frankrijk, r.o. 16-19, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 8 januari 2002, C-409/99, Metropol Treuhand WirtschaftstreuhandgmbH t. Finanzlandesdirektion für Steiermark en Michael Stadler t. Finanzlandesdirektion für Vorarlberg, r.o. 45, 46 en 50, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 11 september 2003, C-155/01, Cookies World Vertriebsgesellchaft mbH iL t. Finanzlandesdirektion für Tirol, r.o. 63 en 66, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 11 december 2008, C-371/07, Danfoss A/S en AstraZeneca A/S/ t. Skatteministeriet, r.o. 32, 33 en 42, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 22 december 2008, C-414/07, Magoora sp.z.o.o. t. Dyrektor Izby Skarbowej w Krakowie, r.o. 36, 37 en 42, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 23 april 2009, C-460/07, Sandra Puffer t. UnabhPangiger Finanzsenat, Aussenstelle Linz, r.o. 85, 86 en 93, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 18 juli 2013, C-124/12, AES-3C Maritza East 1 EOOD t Direktor na Direktisa, met betrekking tot artikel 176, tweede lid, Richtlijn 2006/112/EG; HvJ 2 mei 2019, C-225/18, Grupa Lotos S.A. t. Minster Finansów, met betrekking tot artikel 176, tweede lid, Richtlijn 2006/112/EG.
(6)Zie o.a. HvJ 29 april 1999, C-136/97, Norbury Developments Ltd t. Commissiones of Customs & Excise, r.o. 19 en 20, met betrekking tot artikel 28, lid 3, b), Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 14 juni 2001, C-345/99, Commissie t. Frankrijk, r.o. 22, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG.
(7)HvJ 8 januari 2002, C-409/99, Metropol Treuhand WirtschaftstreuhandgmbH t. Finanzlandesdirektion für Steiermark en Michael Stadler t. Finanzlandesdirektion für Vorarlberg, r.o. 47, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 22 december 2008, C-414/07, Magoora sp.z.o.o. t. Dyrektor Izby Skarbowej w Krakowie, r.o. 32, 33 en 42, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 23 april 2009, C-460/07, Sandra Puffer t. UnabhPangiger Finanzsenat, Aussenstelle Linz, r.o. 84, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG; HvJ 18 juli 2013, C-124/12, AES-3C Maritza East 1 EOOD t Direktor na Direktisa, met betrekking tot artikel 176, tweede lid, Richtlijn 2006/112/EG; HvJ 2 mei 2019, C-225/18, Grupa Lotos S.A. t. Minster Finansów, met betrekking tot artikel 176, tweede lid, Richtlijn 2006/112/EG.
(8)HvJ 23 april 2009, C-460/07, Sandra Puffer t. UnabhPangiger Finanzsenat, Aussenstelle Linz, r.o. 87, met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG, en met verwijzing enerzijds naar HvJ 11 september 2003, C-155/01, Cookies World Vertriebsgesellchaft mbH iL t. Finanzlandesdirektion für Tirol, r.o. 63, waarin het aldus door het Hof van Justitie geformuleerde regel reeds impliciet besloten ligt, en anderzijds naar HvJ 24 mei 2007, C-157/05, Winfried L. Holböck t. Finanzamt Salzburg-Land, r.o. 41, dat evenwel niet de interpretatie van de btw-richtlijnen betreft.
(9)Zie HvJ 11 september 2003, C-155/01, Cookies World Vertriebsgesellchaft mbH iL t. Finanzlandesdirektion für Tirol, r.o. 63, eveneens met betrekking tot artikel 17, lid 6, Richtlijn 77/388/EEG.
(10)Zie hierover H. VANDEBERGH (ed.), BTW-Handboek, Gent, Larcier, ed. 2019, p. 1317-1318.
(11)HvJ 11 december 2008, C-371/07, Danfoss A/S en AstraZeneca A/S/ t. Skatteministeriet, r.o. 31 en 42; HvJ 22 december 2008, C-414/07, Magoora sp.z.o.o. t. Dyrektor Izby Skarbowej w Krakowie, r.o. 34 en 35; HvJ 18 juli 2013, C-124/12, AES-3C Maritza East 1 EOOD t Direktor na Direktisa; HvJ 2 mei 2019, C-225/18, Grupa Lotos S.A. t. Minster Finansów. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div