id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 februari 2025
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Belang in de zin van artikelen 17, eerste lid, en 18, eerste lid, Gerechtelijk wetboek bestaat uit het materieel of moreel voordeel, hoe gering ook, dat degene die de vordering instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn bestaande rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Belang - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 Een partij die aanvoert schade te hebben geleden door onrechtmatig overheidsoptreden en herstel vordert van deze schade, voert aan dat hij titularis is van een subjectief recht op herstel van de schade en heeft belang om de vordering in te stellen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Vordering tot herstel van schade - Aanvoering van schade door onrechtmatig overheidsoptreden - Belang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering tot herstel van schade - Aanvoering van schade door onrechtmatig overheidsoptreden - Belang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 5 Het middel, dat gegrond is op een wettelijke bepaling die noch van openbare orde noch van dwingend recht is, dat niet aan de rechter is voorgelegd, waarover deze evenmin op eigen initiatief heeft beslist en dat hij niet hoefde toe te passen, is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: Begrip - Ontvankelijkheid Fiches 6 - 7 De relativiteit van de overeenkomsten verhindert niet dat een derde die aanvoert dat een overeenkomst het gevolg is van een onwettige overheidsbeslissing die hem schade heeft berokkend, belang heeft om de nietigverklaring van de overeenkomst als herstel van zijn beweerde schade te vorderen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: Ontvankelijkheid rechtsvordering - Derde bij een overeenkomst - Aanvoering dat overeenkomst het gevolg is van een onwettige overheidsbeslissing die schade berokkent aan die derde - Belang van de derde bij de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst als herstel van de schade van de derde - Relativiteit van de overeenkomsten - Invloed Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Derde bij een overeenkomst - Aanvoering dat overeenkomst het gevolg is van een onwettige overheidsbeslissing die schade berokkent aan die derde - Belang van de derde bij de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst als herstel van de beweerde schade - Relativiteit van de overeenkomsten - Invloed Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 17
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 18
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 8 Uit de enkele vaststelling dat een inschrijvingsprocedure niet marktconform is verlopen, in het bijzonder omdat de inschrijvingsprocedure niet voldeed aan de vereisten van concurrentie, transparantie, niet-discriminatie en onvoorwaardelijkheid, kan het bestaan van een voordeel niet worden afgeleid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Staatssteun - Maatregel - Voordeel - Niet-marktconforme inschrijvingsprocedure - Inschrijvingsprocedure die niet voldoet aan de vereisten van concurrentie, transparantie, niet-discriminatie en onvoorwaardelijkheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 107, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiches 9 - 10 Bij een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid rust de bewijslast van de tot aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijk verband tussen de beide in de regel op de benadeelde
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijke verband tussen beide - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 870
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, eerste en tweede lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijke verband tussen beide - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 870
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, eerste en tweede lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Tekst van de conclusie C.23.0482.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic VROMAN: Eiser komt op tegen de arresten van het hof van beroep van Gent, gewezen op 3 november 2020 en op 8 november 2022
(1). Door eiser worden er drie middelen aangevoerd. I. Situering. De relevante feiten die aan de huidige procedure ten grondslag liggen, betreffen de volgende: Het OCMW van de stad Gent was eigenaar van 79 landbouwgronden met een totale oppervlakte van ongeveer 450 hectare in Zeeuws-Vlaanderen. Op zeker moment wou het OCMW deze gronden vervreemden omdat ze geen directe maatschappelijke waarde hadden en vreemd waren aan zijn wettelijk opdracht. Er werden drie schattingsverslagen opgesteld. Bij een eerste indicatieve schatting in 2010 werd de waarde op 14 miljoen euro geschat. In 2011 werd de waarde geschat op ongeveer 18 miljoen euro. In 2014 werd de marktwaarde geschat op 20, 531 miljoen euro. De verkoop gebeurde via een openbare procedure die was vastgesteld in een lastenboek van 15 juli
- De tweede verweerster bracht het hoogste bod uit nl. 17, 513 miljoen euro. Op 28 september 2016 werd een onderhandse akte van koop-verkoop opgesteld tussen eiser en tweede verweerster en de notariële akte werd verleden op 6 december
- Op 15 december 2017 ging de eerste verweerder over tot dagvaarding van eiser. Er werd in hoofdorde gevorderd om de verkoop van de 79 percelen nietig te verklaren, minstens het deel wat betreft de koopprijs te vernietigen. In subsidiaire orde vorderde eerste verweerder onder meer eiser te veroordelen tot de verplichting om de verleende onrechtmatige staatssteun terug te vorderen op straffe van een dwangsom van 10.000 euro per dag vertraging. Op 26 juni 2016 dagvaardde eerste verweerder tweede verweerster in gedwongen tussenkomst. Op 22 januari 2019 besliste de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, onder meer de hoofdvordering van eerste verweerder onontvankelijk te verklaren in zoverre deze strekt tot de nietigverklaring van de koopovereenkomst van 28 september 2016 bij gebreke aan inschrijving in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Hypotheekwet (dit werd na het vonnis geregulariseerd) en ontoelaatbaar bij gebrek aan rechtstreeks en persoonlijk belang. Op 22 maart 2019 stelde eerste verweerder hoger beroep in tegen dit vonnis. In het bestreden tussenarrest van 3 november 2020 beslist het hof van beroep te Gent onder meer dat de vorderingen van appellant ontvankelijk zijn en verzocht het de Europese Commissie een advies te verlenen omtrent de vraag of door de bewuste vastgoedtransactie staatssteun is toegekend. Op 30 juni 2021 verleende de Europese Commissie haar advies
(2). In het bestreden arrest van 8 november 2022 beslist het hof van beroep te Gent onder meer dat - gelet op het cumulatieve karakter van de voorwaarden waaraan een inschrijvingsprocedure moet voldoen om een voordeel uit te sluiten, een schending van het vereiste van een concurrerende procedure volstaat om te concluderen dat de inschrijvingsprocedure niet voldoende waarborgen bood om het bestaan van een voordeel uit te sluiten in het kader van artikel 107, lid 1 VWEU; - het daarom aan eiser is om aan te tonen dat er geen voordeel werd verleend en dat het voordeel op een andere grondslag kan worden uitgesloten maar dat eiser dat niet aantoont - er sprake is van een voordeel ten gunste van de tweede verweerster aangezien de vastgoedtransactie als niet marktconform kan worden aangemerkt; - Er een fout in hoofde van eiser wordt weerhouden die erin bestaat dat zij aan tweede verweerster op onwettige wijze een voordeel heeft verleend die deze laatste onder normale marktvoorwaarden niet had kunnen verkrijgen; - Door deze fout eerste verweerder schade heeft geleden nl. hij heeft geen daadwerkelijke kans gekregen om zich in concurrentie te stellen met de door eiser geviseerde doelgroep (waaronder tweede verweerster) en deze kans is niet louter hypothetisch; - De schade zou niet bestaan mocht eiser de fout niet hebben begaan en het oorzakelijk verband staat dan ook vast; - het herstel in natura, gevorderd door de eerste verweerder, in de vorm van een nietigverklaring van de overeenkomst, als passend wordt geacht en dat dit de meest doeltreffende manier is om tot integraal herstel van de door eiser geleden schade over te gaan. II. Eerste middel. Het eerste middel is gericht tegen het tussenarrest van 3 november 2020 waarin werd beslist tot de ontvankelijkheid van de vordering van eerste verweerder. II.1 Eerste onderdeel. In dit onderdeel verwijt eiser de appelrechters de artikelen 149 en 159 Grondwet, het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter, de artikelen 17, 18 en 1138, 4° Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1165, 1234, 1304, 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij wet van 28 april 2002) te hebben geschonden. Eiser ontwikkelt daarvoor vijf grieven. II.1.1 Eerste grief. In deze grief verwijt de eiser de appelrechters de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden door te beslissen dat de eerste verweerder een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang heeft om de vordering tot vernietiging van de verkoopovereenkomst als schadevergoeding in de vorm van een herstel in natura te stellen doordat de appelrechters nalaten het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de eerste verweerder vast te stellen op één of een deel van de verkochte percelen en de eerste verweerder enkel liet gelden dat hij de kans heeft gemist om percelen aan te kopen. Uit de vaststaande rechtspraak van het Hof volgt dat het belang in de zin van artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bestaat uit het materieel of moreel voordeel, hoe gering ook, dat degene die de vordering instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn bestaande rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden
(3). De procespartij die aanvoert titularis te zijn van het subjectieve recht dat ten grondslag ligt aan de vordering, heeft hoedanigheid en belang om die vordering in te stellen, ook al wordt het subjectieve recht betwist; de vraag of de procespartij ook effectief titularis is van dat recht, is een vraag betreffende de gegrondheid van de vordering en niet betreffende de ontvankelijkheid ervan
(4). Volgens artikel 18, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek moet het belang een reeds verkregen en dadelijk belang zijn. Het bestaan van een belang vereist voor het instellen van een rechtsvordering wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de vordering wordt ingesteld. Valt het belang weg gedurende het geding, dan moet de rechter vaststellen dat het geding zonder voorwerp is geworden
(5). Het belang waarvan de toelaatbaarheid van een vordering afhangt moet bij de inleiding een reeds verkregen en dadelijk belang zijn, hetgeen echter niet vereist dat op dat ogenblik reeds schade werd geleden door de eisende partij of deze reeds een schadevergoeding had uitbetaald aan een derde
(6). Eerste advocaat-generaal Mortier stelde terecht het volgende: “De eisende partij moet dus aantonen dat met het instellen van de vordering enig materieel of moreel voordeel nagestreefd wordt. Het geringste belang volstaat, maar een feitelijk materieel belang zonder weerslag op de rechtstoestand van de verzoeker volstaat niet. Ook een louter theoretisch belang volstaat niet. Het belang dient dus concreet en positief dient te zijn en een effectieve weerslag te hebben op de toestand van de partijen. Een louter eventueel of hypothetisch belang volstaat evenmin. Het ingeroepen recht mag niet louter een mogelijkheid zijn, en bijgevolg moet een rechtsschending plaats hebben gehad waarover een geschil of een betwisting bestaat. Uit wat voorafgaat volgt dat men zich moet beroepen op een juridisch beschermd belang. De vraag of dit juridisch beschermd belang ook daadwerkelijk bestaat raakt echter de grond van het geschil en is dus niet relevant voor de toelaatbaarheid”. De eerste verweerder voerde aan dat hij door een overheidsinstantie verleende onrechtmatige staatsteun, de kans verloor om afzonderlijke percelen grond aan te kopen doordat die overheidsinstantie de percelen als één geheel verkocht en hij vorderde hiervoor de vernietiging van de overeenkomst. De eerste verweerder had daarvoor dus wel degelijk een belang. Het is daarbij niet nodig dat de eerste verweerder een recht moet kunnen laten gelden op de verkochte gronden. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faal in zoverre naar recht. II.1.2 tweede grief. In deze grief verwijt de eiser de appelrechters artikelen 17, 18 Gerechtelijk Wetboek, artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek en artikel 159 Grondwet te hebben geschonden doordat de appelrechters hebben nagelaten het bestaan van een subjectief recht in hoofde van verweerder op de percelen vast te stellen terwijl dit wel noodzakelijk is om op grond van artikel 159 Grondwet over te gaan tot een wettigheidstoets van de beslissing van eiser om alle percelen in één lot te verkopen en omdat artikel 159 Grondwet geen toepassing kan vinden omdat verweerder niet een beslissing van eiser aanvecht maar een overeenkomst tussen eiser en verweerster en niet vraagt die overeenkomst buiten toepassing te laten maar te vernietigen. In tegenstelling met wat het onderdeel ervan uitgaat berust de beslissing van de appelrechters dat de eerste verweerder belang heeft bij de vordering tot nietigverklaring van de verkoopovereenkomst niet op artikel 159 Grondwet. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag omdat het berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Uit de rechtspraak van het Hof in verband met artikel 159 Grondwet volgt dat dit artikel toepasselijk is op de zelfs niet verordenende beslissingen van het bestuur en op de administratieve handelingen, ook al zijn deze van individuele aard
(7). Dit artikel kan dus ook toegepast worden op de beslissing van een overheidsinstantie om verschillende gronden in één lot te verkopen en die de verkoopovereenkomst voorafgaat. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen omdat het ervan uitgaat dat de vordering tot nietigverklaring niet een voorafgaande toetsing veronderstelt van de beslissing tot verkoop van de percelen in één lot. II.1.3. derde grief en vierde grief. In deze grieven verwijt de eiser de appelrechters de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1165, 1234, 1304, 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden omdat: - de relativiteit van de overeenkomsten zich ertegen verzet dat op grond van de enkele buitencontractuele aansprakelijkheid van één contractpartij jegens een derde, deze laatste de vernietiging van de overeenkomst waaraan hij zelf vreemd is, kan vorderen omdat deze derde in die omstandigheden daartoe niet het rechtens vereiste belang heeft wat niet anders is in het geval ten aanzien van één contractspartij ingeroepen foutief gedrag betrekking heeft op marktverstoring of een concurrentievervalsende transactie (derde grief); - de verweerder zijn vordering steunt op een gemiste kans waardoor de appelrechters niet wettig konden beslissen dat de verweerder een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang heeft om de vordering tot vernietiging van de verkoopovereenkomst, waarbij hij geen partij is, te stellen omdat daardoor een herstel in natura wordt toegelaten niet van het verlies van een kans maar van de onderliggende schade waarop de kans betrekking heeft (vierde grief). Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat de eiser voor de appelrechters de relativiteit van overeenkomsten of de schending van artikel 1165 Oud Burgerlijk Wetboek niet aanvoerde om de door de verweerder gevorderde nietigverklaring van de overeenkomst te betwisten. De regel van de relativiteit van overeenkomsten is geen wet van openbare orde
(8)of van dwingend recht. Het middel dat gegrond is op een wettelijke bepaling die noch van openbare orde noch dwingend is, dat niet aan de feitenrechter is voorgelegd, waarvan deze evenmin op eigen initiatief heeft kennisgenomen en dat hij niet diende toe te passen, is nieuw en derhalve niet ontvankelijk
(9). Deze grieven zijn dan ook niet ontvankelijk. Ten overvloede kan er nog opgemerkt worden dat in zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 1165, 1234 en 1304 Oud Burgerlijk Wetboek deze aanvoering eigenlijk niet ontvankelijk is. Uit stukken van het rechtsplegingsdossier (waarop het Hof echter geen acht mag slaan omdat de bewuste feiten niet kunnen gehaald worden uit de bestreden beslissing)
(10), in het bijzonder het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 22 januari 2019 blijkt (pagina 19 van dit vonnis) dat de overeenkomst van 28 september 2016 onderworpen eigenlijk is aan het Nederlandse recht. Overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) Nr. 593/2008 het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) beheerst het recht gekozen door de partijen met name de uitlegging en de nakoming van de overeenkomst, de gevolgen van gehele of gedeeltelijke tekortkoming daaronder begrepen de vaststelling van de schade voor zover hierover rechtsregels gelden (een en ander binnen de grenzen welke het procesrecht van de rechter aan diens bevoegdheden stelt), de verschillende wijzen waarop verbintenissen tenietgaan, alsmede de verjaring en het verval van rechten als gevolg van het verstrijken van een termijn en de gevolgen van de nietigheid van de overeenkomst. Artikelen 1165, 1234 en 1304 Oud Burgerlijk Wetboek zijn dan ook eigenlijk niet van toepassing op het geschil en werden bovendien evenmin toegepast in de aangevochten beslissing
(11). II.1.
- vijfde grief. In deze grief verwijt de eiser de appelrechters een schending van artikel 149 Grondwet doordat zij het verweer dat hij voerde in zijn syntheseconclusie van 3 september 2020, nl. dat het belang van een derde bij de betwisting van de staatssteun, een concurrentieverhouding veronderstelt van die derde met de begunstigde van de steun en dat de verweerder als lokale landbouwer duidelijk geen activiteiten verricht die in concurrentie staan met de activiteiten van de verweerster, die een investeringsmaatschappij is (p. 33 randnr. 22), niet hebben beantwoord. Gelet op het oordeel en de beslissing in het tussenarrest van 3 november 2020 onder de eerste en derde alinea van het randnummer 3 op pagina 12, de laatste alinea op pagina 13, moesten de appelrechters niet meer antwoorden op de argumenten vermeld onder dit verweer. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. II.1.
- zesde grief. In deze grief verwijt de eiser de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter te hebben geschonden door niettegenstaande de uitdrukkelijk betwisting door de eiser van de ontvankelijkheid van de vordering van de verweerder tot nietigverklaring van de verkoopovereenkomst, en gegeven de aanvoeringen van de partijen, na te laten het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde regels en inzonderheid door geen rekening te houden met het beginsel van de relativiteit van overeenkomsten zoals vervat in artikel 1165 van het Oud Burgerlijk Wetboek. De relativiteit van de overeenkomst belet niet dat een derde de nietigverklaring van een overeenkomst vordert als herstel van zijn beweerde schade wanneer deze aanvoert dat die overeenkomst het gevolg is van een onwettige overheidsbeslissing die hem schade berokkende. De appelrechters moesten bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vordering van verweerder geen rekening te houden met artikel 1165 Oud Burgerlijk Wetboek, dat bovendien door eiser niet werd aangevoerd voor de appelrechter om de door de verweerder gevorderde nietigverklaring van de overeenkomst te betwisten. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. II.2 Tweede onderdeel. … III. Tweede middel. In het tweede middel verwijt eiser de appelrechters in het arrest van 8 november 2022 de artikelen 107, eerste lid en 108, derde lid, VWEU, artikel 6 EVRM, het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht op een eerlijk proces, zoals vervat in artikel 6 EVRM; het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging, zoals vervat in artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 8.4 en 8.7 Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig artikel 1315 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals van toepassing voor de opheffing van dat artikel en voor de wijziging van het opschrift van dat Wetboek bij Wet van 13 april 2017) te hebben geschonden. III.
- Eerste onderdeel. (…) III.
- Tweede onderdeel. In dit onderdeel verwijt de eiser in hoofdorde de appelrechters de artikelen 1315 Oud Burgerlijk Wetboek (zoals van kracht tot 1 november 2020 en voor de wijziging van het opschrift ervan), 8.4, 8.7 Burgerlijk Wetboek, 870 Gerechtelijk Wetboek en artikel 107, eerste lid, VWEU te hebben geschonden omdat de appelrechters beslissen, eens zij hebben aangenomen dat verweerder aantoont dat de vastgoedtransactie niet marktconform is verlopen omdat de inschrijvingsprocedure niet voldeed aan de vereisten van concurrentie, transparantie, niet-discriminatie en onvoorwaardelijkheid, dat eiser niet aantoont dat er geen voordeel werd verleend of dat een voordeel op een andere grondslag kan worden uitgesloten waardoor de appelrechters het bewijs van de toekenning van een voordeel op eiser leggen wat een onwettige omkering van bewijslast zou inhouden (schending artikelen 1315 Oud Burgerlijk Wetboek, 8.4 Burgerlijk Wetboek en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek) en de appelrechters aan het feit dat de transactie niet marktconform is gebeurd, de waarde van een wettelijk vermoeden geven terwijl artikel 107, eerste lid VWEU geen dergelijk vermoeden inhoudt (schending artikel 107, eerste lid VWEU en 8.7 Burgerlijk Wetboek). III.2.
- De bevoegdheid van de nationale rechter met betrekking tot de handhaving van staatssteunregels. Artikel 107, eerste lid, VWEU bepaalt het volgende: “Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”. De centrale staatssteunautoriteit is de Europese Commissie. Staatssteun moet immers overeenkomstig artikel 108 VWEU worden aangemeld bij haar vooraleer de steun wordt tenuitvoergelegd. De Europese Commissie toetst of maatregelen beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 107, eerste lid, VWEU en verklaart een eventuele steunmaatregel al dan niet verenigbaar met de interne markt. Daarnaast voert de Commissie ook onderzoeken inzake onrechtmatig toegekende staatssteun, hetzij op eigen initiatief, hetzij na een klacht. De toepassing van de toezichtregeling voor staatssteun is een taak van de Commissie maar ook van de nationale rechterlijke instanties, die aanvullende en onderscheiden taken vervullen. Terwijl de beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt onder de exclusieve bevoegdheid valt van de Commissie, die daarbij onder toezicht van de gemeenschapsrechters staat, zien de nationale rechterlijke instanties toe op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van schending van de bij artikel 108, lid 3, VWEU opgelegde verplichting om de steunmaatregelen vooraf bij de Commissie aan te melden
(12). Het is aan de nationale rechterlijke instanties om de rechten van de justitiabelen te vrijwaren in het geval van een eventuele schending door de nationale autoriteiten van het verbod van uitvoering van steunmaatregelen voordat de Commissie deze bij beschikking heeft goedgekeurd
(13). De nationale rechter kan dus geroepen worden om het EU-staatssteunrecht te handhaven, maar dan enkel met betrekking tot de voornoemde opschortingsverplichting.
(14)Belanghebbenden kunnen zich dus wenden tot de nationale rechter wanneer een lidstaat een steunmaatregel ten uitvoer legt zonder deze eerst te hebben aangemeld bij de Commissie en vervolgens haar eindoordeel af te wachten
(15). De nationale rechter is bevoegd om de artikelen 107, eerste lid en 108, derde lid, VWEU uit te leggen en toe te passen. Bij gebreke aan een besluit van de Europese Commissie over dezelfde maatregel, is de nationale rechter daarbij alleen gebonden door het objectieve begrip staatssteun wanneer hij zijn bevoegdheid uitoefent om te beoordelen of er sprake is van staatssteun
(16). De nationale rechter voert zijn beoordeling uit in twee stappen: in de eerste stap dient hij te bepalen of de maatregel op grond van artikel 107, eerste lid, VWEU als staatssteun kwalificeert en wanneer dit laatste het geval is moet de nationale rechter zich uitspreken over de vraag of de betrokken maatregel onder de standstillverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU valt. Als dit het geval is dan moet de nationale rechter passende maatregelen opleggen om de rechten van door die schending geraakte justitiabelen veiligstellen
(17). Volgende passende maatregelen kunnen worden opgelegd in geval van een schending van de standstillverplichting: - de uitvoering van de maatregelen op te schorten of stop te zetten - de terugvordering gelasten van de bedragen die al zijn uitgekeerd - verschillende voorlopige maatregelen nemen om op een andere wijze de belangen van de betrokken partijen te beschermen - schadevergoeding toe te wijzen voor de schade die derden hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige uitvoering van de staatssteun indien hem dat gevraagd wordt
(18). Het Unierecht verplicht de nationale rechter niet om een welbepaalde consequentie te verbinden aan de geldigheid van de handeling waarmee de onrechtmatige staatssteun wordt toegekend. Het verlangt alleen dat hij doeltreffende maatregelen neemt om de uitkering van de onrechtmatige steun aan de begunstigde ervan te beletten. In het nationale recht kunnen echter situaties voorkomen waarin de onrechtmatige uitvoering van de maatregel kan worden geschorst door de toekenningshandeling nietig te verklaren
(19). De nationale rechter kan dus het contract waarmee de steun wordt verleend, nietig verklaren, het besluit van de autoriteiten van de lidstaat om de steun toe te kennen nietig verklaren, of de uitvoering ervan opschorten
(20). Wanneer onrechtmatige steun reeds aan de begunstigde is uitgekeerd, moet de nationale rechter in beginsel en bij gebreke aan een besluit van de Europese Commissie waarin deze de steun verenigbaar verklaart, de volledige terugvordering van de onrechtmatige uitgekeerde steun gelasten
(21). Wanneer er voor de nationale rechter schadevergoeding wordt gevorderd voor de schade die de onrechtmatige staatssteun heeft berokkend aan derden, dan gebeurt dit overeenkomstig het nationale recht
(22). Deze laatste situatie doet zich dus voor in onderhavig dossier dat aan de beoordeling van het Hof wordt voorgelegd. III.2.2. het begrip voordeel en de bewijslast. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet voor de kwalificatie als “staatssteun” in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU cumulatief aan vier voorwaarden zijn voldaan, te weten dat
(23)- er sprake is van een maatregel van de staat of een met „staatsmiddelen” bekostigde maatregel,
- deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden,
- deze maatregel de begunstigde ervan een selectief voordeel verschaft en
- deze maatregel de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen. Wat betreft de derde voorwaarde is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie het begrip „voordeel”, dat inherent is aan de kwalificatie van een maatregel als staatssteun, een objectief begrip, onafhankelijk van de met de betrokken maatregel nagestreefde doeleinden. Zo hebben de aard van de met de staatsmaatregelen nagestreefde doelen en de rechtvaardiging ervan geen gevolgen voor de kwalificatie ervan als staatssteun. Artikel 107, lid 1, VWEU maakt immers geen onderscheid naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, maar ziet op hun gevolgen
(24). Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat als staatssteun worden beschouwd de maatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen direct of indirect kunnen bevoordelen of die moeten worden geacht een economisch voordeel te vormen dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet had kunnen verkrijgen, dat wil zeggen zonder overheidsingrijpen
(25). Om na te gaan of er staatssteun wordt verleend bij vastgoedtransacties waarbij de overheid optreedt als verkoper geldt het criterium van de zogenaamde “particuliere verkoper” waarbij er wordt nagegaan of een particuliere verkoper onder normale marktomstandigheden dezelfde of een betere prijs had kunnen krijgen dan dat de overheid in concreto heeft bekomen
(26). Als er daar twijfel over bestaat dan moet de lidstaat het bewijs leveren waaruit blijkt dat het besluit om de transactie uit te voeren is genomen op grond van economische analyses die te vergelijken zijn met die welke een rationele marktdeelnemer in een markteconomie (die zich in een situatie bevindt die zo dicht mogelijk die van de betrokken overheidsinstantie benadert) had laten uitvoeren om de winstgevendheid of economische voordelen van de transactie te bepalen
(27). Bij de toepassing van het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie is het dienstig om een onderscheid te maken tussen situaties waarin de vraag of de transactie marktconform verloopt rechtstreeks kan worden beantwoord aan de hand van transactiespecifieke marktgegevens, en situaties waarin door het ontbreken van dit soort gegevens de vraag of de transactie marktconform verloopt, dient te worden onderzocht aan de hand van andere beschikbare methoden
(28). De mededeling van de Europese Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt verder onder meer het volgende onder de titel “4.2.3.1. Gevallen waarin de marktconformiteit rechtstreeks kan worden vastgesteld”: “84. Of een transactie marktconform is, kan in de volgende situaties onmiddellijk worden vastgesteld aan de hand van transactiespecifieke marktinformatie:
- i)wanneer de transactie plaatsvindt op voet van gelijkheid (pari passu) tussen overheidsinstanties en private partijen, of
- ii)wanneer het daarbij gaat om de aan- en verkoop van activa, goederen en diensten (of andere vergelijkbare transacties) via een concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure. 85. In die gevallen zou het, indien uit de specifieke marktinformatie voor de transactie blijkt dat deze niet marktconform verloopt, normaal gesproken niet passend zijn om andere waarderingsmethoden te gebruiken om tot een afwijkende conclusie te komen. (…) 95. Wanneer overheidsinstanties activa, goederen en diensten verkopen, dient het enige relevante criterium voor de selectie van de koper de hoogste prijs te zijn, mede rekening houdende met de verlangde contractuele regelingen (bijv. verkoopgarantie van de verkoper of andere toezeggingen voor de periode na de verkoop). Alleen met geloofwaardige en bindende biedingen dient rekening te worden gehouden. 96. Wanneer overheidsinstanties activa, goederen en diensten kopen, dienen aan de inschrijvingsprocedure verbonden specifieke voorwaarden niet-discriminerend te zijn en nauw en objectief verband te houden met het voorwerp van de opdracht en de specifieke economische doelstelling van de opdracht. Daarmee zou het mogelijk moeten zijn om het in verhouding tot de waarde van de opdracht economisch meest voordelige bod te selecteren. De criteria dienen daarom zo te worden bepaald dat daarmee een daadwerkelijk concurrerende inschrijvingsprocedure mogelijk is die de succesvolle inschrijver een normaal rendement oplevert, en niets meer dan dat. In de praktijk betekent dit dat inschrijvingsprocedures worden gebruikt die aanzienlijk gewicht toekennen aan het bestanddeel „prijs” van het bod of die anders waarschijnlijk een concurrerende uitkomst opleveren (bijv. bepaalde reverse tenders met voldoende duidelijke gunningscriteria). Wat randnr. 85 van deze Mededeling betreft wordt verwezen naar een arrest van het Hof van Justitie waarin werd beslist dat wanneer een overheid een haar toebehorend bedrijf verkoopt middels een aanbestedingsprocedure, er mag worden vermoed dat de marktprijs overeenkomt met het hoogste (bindende en geloofwaardige) bod, zonder dat hoeft te worden gebruik gemaakt van andere waarderingsmethoden, zoals onafhankelijke deskundigenrapporten
(29). Onder de titel “4.2.3.2 De marktconformiteit van een transactie bepalen aan de hand van benchmarking of andere waarderingsmethoden” is het volgende bepaald: “97. Indien een transactie via een inschrijvingsprocedure of op voet van gelijkheid heeft plaatsgevonden, levert dit direct en specifiek bewijs op dat de transactie marktconform is. Indien een transactie echter niet via een inschrijvingsprocedure plaatsvindt of indien de maatregel van de overheidsinstanties niet op voet van gelijkheid met die van particuliere marktdeelnemers plaatsvindt, betekent dit niet automatisch dat de transactie niet-marktconform is. In dit soort zaken kan de marktconformiteit nog steeds worden beoordeeld via i) benchmarking of ii) andere waarderingsmethoden”. Wat dit laatste betreft wordt in voormelde mededeling van de Europese Commissie verwezen naar een arrest van het Gerecht van Eerste Aanleg die op zijn beurt verwijst naar een arrest van het Hof van Justitie
(30). Uit dit alles volgen volgens mij de volgende conclusies:
- wanneer een vastgoedtransactie waarbij de overheid optreedt als verkoper op basis van de transactiespecifieke marktinformatie blijkt niet marktconform te verlopen en dus er een voordeel werd toegekend terwijl er wel degelijk een concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure werd georganiseerd, dat mag men in de regel geen andere waarderingsmethoden gebruiken, om als nog te oordelen dat de transactie wel marktconform is (zie hoger randnr. 85 van de Mededeling).
- Wanneer een vastgoedtransactie waarbij de overheid optreedt als verkoper op basis van de transactiespecifieke marktinformatie blijkt marktconform te verlopen en er dus geen voordeel toegekend en er een concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure werd georganiseerd, mag men nooit andere waarderingsmethode gebruiken om alsnog te oordelen dat de transactie niet marktconform is.
- Wanneer een vastgoedtransactie waarbij de overheid optreedt als verkoper op basis van transactiespecifieke marktinformatie blijkt niet marktconform te verlopen en dus een voordeel werd toegekend terwijl er geen concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure werd georganiseerd, mag er een andere waarderingsmethode worden gebruikt om alsnog te oordelen dat de transactie marktconform is.
- Wanneer een vastgoedtransactie waarbij de overheid optreedt als verkoper op basis van de transactiespecifieke marktinformatie blijkt marktconform te verlopen en er dus geen voordeel werd toegekend maar er geen concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure werd georganiseerd, mag er een andere waarderingsmethode worden gebruikt om alsnog te oordelen dat de transactie niet marktconform is. Essentieel is dus eerst de vaststelling op basis van de transactiespecifieke marktinformatie of de transactie al dan niet marktconform is en dus of er al dan niet een voordeel is toegekend waarna de vraag rijst of dit al dan niet via een concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure gebeurde waarbij het antwoord op die laatste vraag het al dan niet mogelijk maakt om andere waarderingsmethoden te gebruiken om de al dan niet vastgestelde marktconformiteit opnieuw te beoordelen. Een potentiële steunmaatregel in deze zaak bestaat immers niet in de organisatie van een inschrijvingsprocedure maar in de verkoop tegen een lagere prijs dan de marktprijs
(31). Door recentere arresten van het Hof van Justitie zou daar ten onrechte twijfel over kunnen ontstaan, ingevolge een a contrario-redenering.
(32)In deze arresten werd het volgende gesteld: “Opgemerkt zij dat de Commissie, om uit te sluiten dat Capricorn onrechtmatige steun heeft ontvangen bij de verwerving van de activa van de Nürburgring, zich ervan moest vergewissen dat deze verwerving had plaatsgevonden tegen een prijs die overeenkwam met de marktprijs. Dit zou het geval zijn indien kan worden bevestigd dat de inschrijvingsprocedure open, transparant, niet-discriminerend en onvoorwaardelijk is verlopen”. A contrario zou daar dan uit volgen volgens verweerder dat het Hof van Justitie toelaat dat het bewijs van de toekenning van een voordeel wordt afgeleid uit het feit dat de transactie niet marktconform is verlopen, in het bijzonder omdat de inschrijvingsprocedure niet voldeed aan de vereisten van concurrentie, transparantie, niet-discriminatie en onvoorwaardelijkheid. Dergelijke redenering mag volgens mij niet worden gevolgd. Er mag immers niet uit het oog worden verloren dat de procedures in deze zaken voor het Hof van Justitie een hogere voorziening betroffen tegen arresten van het Gerecht van de Europese Unie dat oordeelde over het beroep tot nietigverklaring ingesteld door een belanghebbende tegen een besluit van de Europese commissie waarin de Commissie vaststelde dat de verkoop van de activa van de Nürburgring aan Capricorn geen staatssteun vormde en van mening was dat de inschrijvingsprocedure op een open, transparante en niet-discriminerende wijze was uitgevoerd, dat die procedure tot een marktconforme verkoopprijs had geleid en dat er geen sprake was van economische continuïteit tussen de verkopers en de koper. Dit beroep tot nietigverklaring was onder meer gericht tegen het feit dat de Commissie het besluit betreffende de betrokken steun heeft vastgesteld zonder de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden, waardoor zijn procedurerechten zijn geschonden terwijl het bestaan van twijfels over de verenigbaarheid van die steun met de interne markt de Commissie daartoe verplichtte
(33). Het Gerecht van de Europese Unie besliste dat het niet noodzakelijk was dat de formele onderzoeksprocedure werd ingeleid. Het Hof van Justitie vernietigt de beslissing van het Gerecht en beslist vervolgens zelf tot de vernietiging van het betrokken Besluit van de Europese Commissie op basis van de conclusie dat, voor zover dit beroep strekt tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit, de beoordeling van de vraag of de verkoop van de activa van de Nürburgring aan Capricorn impliceerde dat aan Capricorn met de interne markt onverenigbare steun werd toegekend, twijfels deed rijzen in de zin van artikel 4 van verordening nr. 659/1999, op grond waarvan de Commissie had moeten besluiten om de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden (een van de gebruikte criteria voor de selectie van de kopers betrof de bevestiging van de financiering van zijn bod en het Hof van Justitie stelt vast dat Capricorn in werkelijkheid geen bevestigde financiering had voor zijn bod, waardoor er afbreuk zou kunnen gedaan zijn aan het niet-discriminerende karakter van de inschrijvingsprocedure)
(34). Uit dit arrest blijkt dus enkel dat het Hof van Justitie oordeelde dat de Europese Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewuste procedure voldeed aan de vereisten van concurrentie, transparantie, niet-discriminatie en onvoorwaardelijkheid (in het bijzonder zou er een probleem zijn met betrekking tot de transparantie) en dat de procedure van artikel 108, lid 2 VWEU had moeten worden ingeleid door de Europese Commissie. Iets anders kan uit deze arresten niet worden afgeleid. Deze vaststellingen hebben hun gevolgen voor het bewijs van de fout in hoofde van eiser zoals die werd aangenomen door de appelrechters. Het is uw vaste rechtspraak dat uit de artikelen 870 Gerechtelijk Wetboek en 8.4, eerste en tweede lid Burgerlijk Wetboek volgt dat bij een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid de bewijslast van de fout, de schade en het oorzakelijk verband tussen fout en schade in de regel op de benadeelde berust
(35). Met de vaststellingen en het oordeel onder punt 4.3.2.1, de 1ste tot en met 4de alinea en de laatste alinea van punt 4.3.2.2, de eerste alinea en laatste alinea op pagina 16, de laatste zin van het punt 4.3.2.3 en de eerste en laatste alinea van punt 4.3.2.4 verantwoorden de appelrechter hun beslissing niet naar recht. De appelrechters stellen immers eerst vast dat de schending van de vereiste van een concurrerende procedure volstaat om te beslissen dat de inschrijvingsprocedure niet de voldoende waarborgen bood om het bestaan van een voordeel uit te sluiten in het kader van artikel 107, lid 1 VWEU en dat de verweerder afdoende aantoont dat de transactie niet marktconform is verlopen om dat de inschrijvingsprocedure niet concurrerend of open was en dat eiser dit niet ontkracht om vervolgens te besluiten dat eiser een fout heeft begaan omdat hij niet bewijst dat er geen voordeel werd verleend en een voordeel op een andere grondslag kan worden uitgesloten. De appelrechters leiden immers enkel uit het bestaan van een inschrijvingsprocedure waarvan ze vaststellen dat die niet concurrerend en dus niet-marktconform was, af dat een voordeel niet kan worden uitgesloten. Ze stellen niet vast dat er een voordeel was. Dit doen ze pas nadat ze de bewijslast van de fout hebben omgekeerd door te eisen dat de eiser moet bewijzen dat er geen voordeel is. Vervolgens stellen ze vast dat de eiser dit bewijs niet levert. De appelrechters hadden volgens mij eerst moeten vaststellen dat er een voordeel was en dan pas oordelen dat de eiser dit niet ontkracht of bewijst dat het voordeel op een andere grondslag kan worden uitgesloten. Zoals hoger uiteengezet meen ik immers dat eerst de vaststelling van het voordeel noodzakelijk is en dat pas daarna de vraag rijst naar de concurrerende, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure waarbij het antwoord dan zijn invloed kan hebben op de eerste vaststelling van het bestaan van een voordeel. Het onderdeel in hoofdorde is dan ook gegrond. IV. Overige grieven. De overige grieven, inbegrepen het derde middel, kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: cassatie van het bestreden arrest van 8 november 2022. ________________________________________
(1)Deze arresten werden reeds becommentarieerd in de doctrine: HAUMONT G. “La vente de terres agricoles publiques à une société d’investissement : une aide d’Etat potentielle, annulable par les juridictions nationales à la demande des agriculteurs lésés”, Competitio 2023/2, 135-142; VAN DE PUTTE S., “Van die boer geen eieren? Is de nietigheid van een bulkverkoop van landbouwgronden geschikt en proportioneel?”, Huur 2023/1, 12-23; zie ook BRUYNINCKX, “Vastgoedtransactie en onwettige staatsteun – wenken voor de notaris”, Notariaat 2024/6, 8-12.
(2)https://competition-policy.ec.europa.eu/document/download/2bb6dd45-30ff-4a3f-99dd-d494af91e4cf_nl.
(3)Cass. 23 april 2021, AR C.19.0502.N, AC 2021, nr. 293, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.6, met concl. van eerste advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.6.
(4)Cass. 31 maart 2022, AR C.21.0463.N, AC 2022, nr. 238, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220331.1N.9; Cass. 29 oktober 2015, AR C.13.0374.N AC 2015, nr. 632, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151029.2; Zie Cass. 23 februari 2012, AR C.11.0259.N, AC 2012, nr. 130, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120223.6, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120223.6; Cass. 4 februari 2011, AR C.09.0420.N, AC 2011, nr. 103, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.4; Cass. 16 november 2007, AR C.06.0144.F, AC 2007, nr. 558, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4; Cass. 28 september 2007, AR C.06.0180.F, AC 2007, nr. 441, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070928.1; Cass. 26 februari 2004, AR C.01.0402.N, AC 2004, nr. 106, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040226.6.
(5)Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0615.N, AC 2015, nr. 356, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150529.4; Cass. 13 juni 2014, AR C.12.0388.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160318.2, AC 2015, nr. 427, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140613.4; Cass. 14 november 1986, AR 5112, AC 1986, nr. 160, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19861114.9.
(6)Cass. 29 februari 1996, AR C.93.0511.N, AC 1996, nr. 90, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960229.1; zie Cass. 20 september 2019, AR C.18.0420.F, AC 2019, nr. 469, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190920.1.
(7)Cass. 12 september 1997, AR C.96.340.F, AC 1997, nr. 349, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970912.3; Cass. 22 maart 1993, AR 9512, AC 1993, nr. 154, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930322.12; Cass. 24 november 1988, AR 8242, AC 1988, nr. 180, ECLI:BE:CASS:1988:ARR.19881124.7.
(8)Zie Cass. 4 mei 2018, AR C.16.0145.F, AC 2018, nr. 286, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180504.1.
(9)Cass. 21 maart 2008, AR C.06.599.F, AC 2008, nr. 196, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080321.1; Cass. 14 oktober 2004, AR C.03.0454.F, nr. 483, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.6; Cass. 13 februari 2003, AR C.02.0280.F, AC 2003, nr. 105, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030213.12.
(10)WYLLEMAN B. en DE POTTER DE TEN BROECK M., “De ontvankelijkheid van cassatiemiddelen in burgerlijke zaken”, in X, Procederen voor het Hof van Cassatie/Procéder devant la Cour de Cassation – 2de editie, Knopspublishing 2023,
(321)377, nr. 69; DUMON F., “Over de rechtsstraat”, RW 1979-1980, 342 met verwijzing naar Cass. 4 maart 1886, Pas. 1886, I, 98 en Cass. 1 april 1886, Pas. 1886, I, 123.
(11)Cass. 9 maart 2009, AR C.07.226.F, AC 2009, nr. 180, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090309.7; Cass. 5 september 2005, AR S.04.0177.F, AC 2005, nr. 407, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050905.10; Cass. 4 januari 2002, AR F.00.0048.F, AC 2002, nr. 9, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020104.4; Cass. 21 september 2001, AR C.00.0619.F, AC 2001, nr. 484, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010921.9.
(12)Zie omtrent de taakverdeling de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1.
(13)HvJ 5 oktober 2006, C-368/04, ECLI:EU:C:2006:644 5, “Transalpine Ölleitung in Österreich“.
(14)BRUYNINCKX T, “Overheidsopdrachten en EU-staatssteunrecht”, NjW 2015,
(603)608.
(15)HvJ 21 november 1991, nr. C-354/90, ECLI:EU:C:1991:440, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires, Jur. HvJ 1991, I-5505, overweging 14.
(16)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 43.
(17)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 57.
(18)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 71.
(19)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 73; HvJ 8 december 2011, C-275/10, ECLI:EU:C:2011:814, Residex Capital IV, punten 44-47.
(20)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 74.
(21)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 76.
(22)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 88.
(23)Vb. HvJ 29 september 2024, C-790/21 P, C-791/21 P, ECLI:EU:C:2024:792, ‘Covestro Deutschland AG / Europese Commissie; Bondsrepubliek Duitsland / Covestro Deutschland AG, Europese Commissie‘, r.o. 146; HvJ 12 januari 2023, C-702/20 en C-17/21, DOBELES HES, ECLI:EU:C:2023:1, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak; DE COCK, W., Belgische rechtscolleges als Europese staatssteunrechters, Intersentia 2023, 40; DE BANDT P. en DEWISPELAERE J., “Wat is staatssteun, wanneer is steun onrechtmatig en wie draagt de risico’s? Een praktijkgerichte terreinverkenning aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie”, RW 2017-2018/2,
(43), 46. Sommige auteurs spreken van vijf criteria: VAN CLEYMENBRUEGEL P., “Staatssteun: aandachtspunten voor Belgische ondernemingen” in VAN CLEYMENBREUGEL P., Mededingsrecht: do’s en don’ts voor Belgische ondernemingen, Intersentia 2018,
(73), 75; GOOSSENS L. en GOOVAERTS S., “De gemoderniseerde EU-staatssteunregels: naar meer responsabilisering van de lidstaten”, TBH 2015/8,
(764), 764; BRUYNINCKX T, “Overheidsopdrachten en EU-staatssteunrecht”, NjW 2015,
(603)607; BRUYNINCKX T., Materieel EU-Staatssteunrecht, Larcier 2015, 9; BRUYNINCKX T., “Efficiënte selectiecriteria”, Jaarboek Overheidsopdrachten 2016-2017 / Chronique des Marchés Publics 2016-2017, p.
(363), 379. Deze auteurs beschouwen als vijfde criterium “een steunmaatregel moet worden toegekend aan één of meerdere ondernemingen.” Dit lijkt echter niet zozeer betrekking te hebben op het begrip staatssteun maar op de vraag wie de begunstigde moet zijn van de staatssteun.
(24)HvJ 26 september 2024, C-710/22 P, ECLI:EU:C:2024:787, “JCDecaux Street Furniture Belgium/Commissie”, r.o. 43; HvJ 25 januari 2022, C-638/19 P, ECLI:EU:C:2022:50, “Commissie/European Food e.a.”, r.o. 122.
(25)HvJ 19 oktober 2023, C-186/22, ECLI:EU:C:2023:795, “Sad Trasporto Locale”, r.o. 36; HvJ 27 januari 2022, C-238/20, ECLI:EU:C:2022:57, “Satini-S”, r.o. 41.
(26)HvJ 11 november 2013, nr. C-505/14, ECLI:EU:C:2015:742, “Klausner Holz Niedersachsen”. Zie randnummer 74 van de Mededeling van de Europese Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Pb. 19 juli 2016, C-262/1; met verwijzing naar Ger. EU 28 februari 2012, T-268/08 en T-281/08, ECLI:EU:T:2012:90, Land Burgenland en Oostenrijk/Commissie.
(27)Randnr. 79 van de Mededeling van de Europese Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
(28)Randnr. 83 van de Mededeling van de Europese Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
(29)HvJ 24 oktober 2013, C-214/12 P, C-215/12 P en C-é/12 P, ECLI:EU:C:2013:682, Land Burgenland e.a./Commissie, r.o. 94 en 95.
(30)Ger.EU 12 juni 2014, T-488/11, ECLI:EU:T:2014:497, ‘Scheepsbouwkundig Advies- en Rekencentrum (SARC) bv t. Europese Commissie, r.o. 98; HvJ 16 december 2010, C-239/09, ECLI:EU:C:2010:778, “Seydaland Vereinigte Agrarbetriebe GmbH Co. KG tegen BVVG Bodenverwertungs- und -verwaltungs GmbH.”, r.o. 39.
(31)Zie randnummer 48 van het advies dd. 30.06.2021 van de Europese Commissie, dat deel uitmaakt van het rechtsplegingsdossier.
(32)HvJ 2 september 2021, C-647-19 P, ECLI:EU:C:2021:666, “Ja zum Nürburgring/Commissie” r.o. 123 en HvJ 2 september 2021, C-665/19 P, ECLI:EU:C:2021:667, “NeXovation/Commissie”, r.o. 73. De verweerder wijst in zijn memorie van antwoord enkel naar dit laatste arrest (zie laatste alinea p. 10).
(33)HvJ 2 september 2021, C-647-19 P, ECLI:EU:C:2021:666, “Ja zum Nürburgring/Commissie”, r.o. 115.
(34)HvJ 2 september 2021, C-647-19 P, ECLI:EU:C:2021:666, “Ja zum Nürburgring/Commissie”, r.o. 124-133; HvJ 2 september 2021, C-665/19 P, ECLI:EU:C:2021:667, “NeXovation/Commissie”, r.o. 74-86.
(35)Cass. 18 juni 2020, AR C.19.0343.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.9, AC 2020, nr. 422, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.79; Cass. 11 januari 2019, AR C.18.0210.N, AC 2019, nr. 15, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190111.2, met concl. van advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190111.2. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19861114.9 ECLI:BE:CASS:1988:ARR.19881124.7 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930322.12 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960229.1 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970912.3 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010921.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020104.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030213.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040226.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041014.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050905.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070928.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080321.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090309.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120223.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120223.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140613.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150529.4 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151029.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160318.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180504.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190111.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190920.1 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190111.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.79 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.6 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220331.1N.9 ECLI:EU:C:1991:440 ECLI:EU:C:2006:644 ECLI:EU:C:2010:778 ECLI:EU:C:2011:8 ECLI:EU:C:2011:814 ECLI:EU:C:2013:682 ECLI:EU:C:2015:742 ECLI:EU:C:2021:666 ECLI:EU:C:2021:667 ECLI:EU:C:2022:50 ECLI:EU:C:2022:57 ECLI:EU:C:2023:1 ECLI:EU:C:2023:795 ECLI:EU:C:2024:787 ECLI:EU:C:2024:792 ECLI:EU:T:2012:90 ECLI:EU:T:2014:497 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251031.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div