← België

Kempen advies Beerse contra BANK NAGELMACKERS

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.6 Rolnummer: C.24.0088.N Zaak: Kempen advies Beerse contra BANK NAGELMACKERS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-03-26 Raadplegingen: 625 - laatst gezien 2026-06-17 18:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.6 Fiches 1 - 3 Nu wordt aangevoerd dat zolang de handelsagentuurovereenkomst niet beëindigd is, de handelsagent geen kortere opzettingstermijn of lagere uitwinningsvergoeding moet dulden noch voorafgaand aan het einde van de samenwerking op geldige wijze van deze bescherming afstand kan doen of op voorhand een lagere bescherming kan overeenkomen en dat het pas na het einde van de handelsagentuurovereenkomst door het verstrijken van de door de principaal gegeven opzeggingstermijn dat de partijen hun onderhandelingsvrijheid terug op voet van gelijkwaardigheid herwinnen, en dat de bestaansreden om te voorzien in de dwingend voorgeschreven bescherming niet ophoudt op het ogenblik dat de handelsagent kennisneemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de door de principaal gegeven opzet, is er grond om aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag te stellen of de handelsagentuurovereenkomst als beëindigd dient beschouwd te worden in de zin van de artikelen 15.2 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, op het ogenblik van de effectieve stopzetting van de handelsagentuurovereenkomst, dus na het verstrijken van de opzeggingstermijn, dan wel op het ogenblik dat de handelsagent kennis neemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de opzegging van de handelsagentuurovereenkomst

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie - Zelfstandige handelsagenten - Einde handelsagentuurovereenkomst - Richtlijn 86/653/EEG - Artikelen 15.2 en 19 - Begrip “beëindigd” Wettelijke bepalingen: Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 15.2 Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 19 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Zelfstandige handelsagenten - Einde handelsagentuurovereenkomst - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie - Richtlijn 86/653/EEG - Artikelen 15.2 en 19 - Begrip “beëindigd” Wettelijke bepalingen: Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 15.2 Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 19 Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Zelfstandige handelsagenten - Einde handelsagentuurovereenkomst - Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie - Richtlijn 86/653/EEG - Artikelen 15.2 en 19 - Begrip “beëindigd” Wettelijke bepalingen: Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 15.2 Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Art. 19 Tekst van de conclusie C.24.0088.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eisers komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, gewezen op 19 juni
  1. Door de eiseres worden er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag vanaf welk ogenblik partijen een handelsagentuurovereenkomst is beëindigd in de zin van artikel X.
  2. WER en dus vanaf welk ogenblik partijen mogen contracteren/afwijken over/van de bescherming die de artikelen X.
  3. t.e.m. X.19 bieden aan de handelsagent (of diens erfgenamen) met betrekking tot zijn recht op de uitwinningsvergoeding en recht op schadeloosstelling ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk gelden schade en het bedrag van de uitwinningsvergoeding. De feiten die ten grondslag liggen van het geschil zijn de volgende: Eisers baatten gedurende jaren een aantal bankagentschappen uit voor verweerster. Op 8 juli 2016 zegde verweerster bij aangetekende brief de verschillende handelsagentuurovereenkomsten op. Op 12 oktober 2016 werd er tijdens de onderhandelingen over de beëindiging van de overeenkomsten een overeenkomst gesloten tussen derde eiseres en verweerster waarbij de opzeggingstermijn werd verlengd tot 15 november
  4. Op 27 oktober 2016 sloten eisers en verweerster een globaal ‘Minnelijk Akkoord’. De eisers meenden later dit Minnelijk Akkoord nietig was en verweerster werd aangemaand om bepaalde bedragen te betalen aan hen. Op 26 oktober 2017 dagvaarden de eisers verweerster voor de ondernemingsrechtbank te Brussel. Op 3 oktober 2018 werd een tweede dagvaarding uitgebracht naar aanleiding van een door verweerster opgeworpen niet-ontvankelijkheid. Op 12 maart 2020 werden bij vonnis beide zaken gevoegd en werden de vorderingen van eisers ontvankelijk maar ongegrond verklaard. De tegenvordering van verweerster werd ontvankelijk en gegrond verklaard. Eisers werden hoofdelijk veroordeeld tot het betalen van een bedrag van 125.000 euro meer verwijlinteresten en een bedrag van 106.386.86 euro, uit hoofde van vooruitbetaalde onverschuldigde commissies, meer verwijlinteresten en een bedrag van 31.522,04 euro uit hoofde van vooruitbetaalde, onverschuldigde kredietcommissies meer verwijlinteresten. Er werd kapitalisatie van de interesten toegekend en de kosten van het geding werden hoofdelijk ten laste gelegd van de eisers. Bij arrest van 19 juni 2023 verklaarde het hof van beroep te Brussel het hoger beroep van eisers ontvankelijk doch ongegrond. II. Het middel. Eisers verwijten de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel houdende primauteit van het communautair recht op de internrechtelijke normen, het algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat afstand van recht strikt dient te worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, artikelen 15.2, 17, 18 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten (verder Handelsagentuurrichtlijn)(
(1)), artikelen X.16, X.17, X.18, X.19, X.20 en X.21 WER, artikel 6 (in de versie voor de afschaffing ervan bij Wet van 28 april 2022) en artikel 1338 Oud Burgerlijk Wetboek en artikel 1.3 Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden door te oordelen dat - er geen rechtsgrond is om de overeenkomst van 27 oktober 2016 nietig te verklaring wegens schending van de dwingende wetgeving inzake handelsagentuur omdat de bestaansreden om te voorzien in de bescherming van eisers voordien reeds verdwenen was op 8 juli 2016 bij de kennisname van de door verweerster uitgebrachte opzeggingen (eerste onderdeel) - in de notariële akte van 23 november 2016 in uitvoering van het Minnelijk Akkoord met ingang van 16 november 2016 in onderling akkoord een einde werd gesteld aan de huurovereenkomst met betrekking tot het pand te Poppel en de opzeggingstermijn met betrekking tot het bankagentschap toen reeds was verstreken, nl. op 15 november 2016 terwijl volgens eisers die notariële akte dateert van voor het verstrijken van de opzeggingstermijn, die liep tot 31 januari 2017 (tweede onderdeel) - uit de enkele afwezigheid van een door eisers uitgedrukt voorbehoud na de ontvangst van de betaling van de opzeggingsvergoedingen en de terugbetaling van 8.314,99 euro kredietcommissies kan afgeleid worden dat eisers zouden hebben afgezien van de bescherming waarvan ze genoten terwijl de houding van eisers voor een andere uitlegging vatbaar is (zoals uiteengezet in conclusies voor de appelrechters) (derde onderdeel). III. Principes. EERSTE ONDERDEEL. De relevante bepalingen uit het WER voor onderhavig geschil zijn de artikelen X.16, § 1, eerste en tweede lid, X.18, eerste lid, X.19, X.20 en X.
  1. Artikel X.16, § 1, eerste en tweede lid bepaalt het volgende: §
  2. Is de handelsagentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten of voor bepaalde tijd met de mogelijkheid vroegtijdig op te zeggen, dan heeft ieder der partijen het recht om die te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn. De opzeggingstermijn bedraagt één maand gedurende het eerste jaar van de overeenkomst. Na het eerste jaar wordt de opzeggingstermijn vermeerderd met een maand voor elk begonnen jaar zonder dat deze termijn zes maanden mag te boven gaan en onverminderd de bepalingen van het derde lid. De partijen mogen geen kortere opzeggingstermijnen overeenkomen. Artikel X.18, eerste lid, WER bepaalt het volgende: “Na de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst heeft de handelsagent recht op een uitwinningvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren. Artikel X.
  3. WER bepaalt het volgende: “Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningvergoeding bepaald in artikel X.18 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding”. Artikel X.
  4. WER bepaalt het volgende: “Het recht op de vergoedingen bedoeld in de artikelen X.18 en X.19 ontstaat eveneens wanneer door het overlijden van de handelsagent de overeenkomst wordt beëindigd. Art. X.
  5. WER bepaalt het volgende: “Voordat de handelsagentuurovereenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent afwijken van de bepalingen van de artikelen X.18, X.19 en X.20”. Deze bepalingen vormen sedert 31 mei 2014 de omzetting in België van de Handelsagentuurrichtlijn(
(2)). De relevante artikelen van de Handelsagentuurrichtlijn betreffen de artikelen 15.1, 15.2, 17.1, 17.4, 18 en
  1. Artikel 15.
  2. Handelsagentuurrichtlijn bepaalt: “Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan elke partij haar met inachtneming van een opzeggingstermijn beëindigen”. Artikel 15.
  3. Handelsagentuurrichtlijn bepaalt: “De opzeggingstermijn bedraagt een maand gedurende het eerste jaar van de overeenkomst, twee maanden indien het tweede jaar is ingegaan, drie maanden indien het derde jaar is ingegaan en gedurende de navolgende jaren. De partijen mogen geen kortere termijnen overeenkomen”. Artikel 17.
  4. Handelsagentuurrichtlijn bepaalt: “De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt”. Artikel 17.
  5. Handelsagentuurrichtlijn bepaalt: “Het in lid 2 bedoelde recht op vergoeding of het in lid 3 bedoelde recht op herstel van het nadeel ontstaat eveneens wanneer door het overlijden van de handelsagent de overeenkomst wordt beëindigd”. Artikel 18 Handelsagentuurrichtlijn bepaalt vervolgens in welke gevallen vergoeding of herstel niet verschuldigd zijn. Artikel 19 Handelsagentuurrichtlijn bepaalt: “Voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken”. De Franse tekst van deze bepaling luidt als volgt: « Les parties ne peuvent pas, avant l'échéance du contrat, déroger aux dispositions des articles 17 et 18 au détriment de l'agent commercial ». De Engelse tekst van deze bepaling luidt als volgt: “The parties may not derogate from Articles 17 and 18 to the detriment of the commercial agent before the agency contract expires”. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat: - de richtlijn strekt tot bescherming van de personen die, in de zin van haar bepalingen, de hoedanigheid handelsagent bezitten
(3). - de artikelen 17 en 19 van de richtlijn beogen de handelsagent te beschermen na de beëindiging van de overeenkomst. Deze regels van de richtlijn zijn van dwingende aard
(4). - Partijen voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen afwijken van de regeling van artikel 17 Handelsagentuurrichtlijn voor zover die regeling niet nadeliger is voor de handelsagent en dat partijen na de beëindiging van de overeenkomst, elke afwijkende regeling mogen treffen die nadeliger is voor de handelsagent
(5)
(6). In de rechtsleer zijn er twee strekkingen omtrent wat nu precies moet begrepen worden onder de term “beëindigd” in artikel X.21 WER en in artikel 19 Handelsagentuurrichtlijn. In de ene strekking verdedigt men het standpunt dat de term betrekking heeft op de effectieve stopzetting van de handelsagentuur en dus na het verstrijken van de opzeggingstermijn
(7). Deze strekking gaat uit van de idee dat de geldigheid van de verwerping van het voordeel toegekend door wettelijke bepalingen van dwingend recht verbonden is aan het verdwijnen van de redenen die de wettelijke bescherming verantwoordden en aan het bereiken van het door de wetgever nagestreefde doel. In deze strekking meent men dat de handelsagent nog steeds moet beschermd worden omdat de afhankelijkheid van de handelsagent ten opzichte van de principaal pas echt verdwijnt na de opzeggingstermijn. Deze interpretatie zou volgens deze strekking meer aansluiten bij de letterlijke tekst van artikel 19 Handelsagentuurrichtlijn. In de andere strekking verdedigt men het standpunt dat omdat het recht op uitwinningsvergoeding reeds ontstaat vanaf de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst, de term “beëindigd” betrekking heeft op dat moment en er reeds kan gecontracteerd worden over de uitwinningsvergoeding en bijkomende schadevergoeding. Er moet dus niet worden gewacht op het verstrijken van de opzeggingstermijn
(8). Deze strekking gaat uit van de idee dat de door de wet beschermde persoon kan beschikken over zijn recht vanaf het moment dat dit recht is verworven. In deze strekking is men van oordeel dat de wettelijke bescherming waarover de handelsagent beschikt ingevolge de hogervermelde bepalingen vanaf dat ogenblik niet meer nodig is. De ondernemingsrechtbank en het Hof van Beroep volgden in deze zaak deze strekking. Voor de oplossing van het geschil is het noodzakelijk dat de juiste interpretatie van het begrip “beëindigd” in artikel 19 Handelsagentuurrichtlijn (en dus ook van dit begrip in artikel X.21 WER) wordt nagegaan. Uit de feiten vastgesteld in het bestreden arrest blijkt immers dat het Minnelijk Akkoord waarvan sprake werd gesloten voor het verstrijken van de opzeggingstermijn(en). De eisers suggereren dan ook terecht dat het Hof een prejudiciële vraag zou stellen aan het Hof van Justitie. Zij suggereren volgende vraag: “Dienen de artikelen 15.2 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten zo te worden uitgelegd dat, na de beëindiging van de overeenkomst door de principaal middels opzeg, de bestaansreden voor de dwingende bescherming, die deze bepalingen aan de handelsagent bieden, slechts wegvalt op het ogenblik van de definitieve stopzetting van de samenwerking bij het verstrijken van de opzegtermijn of daarentegen reeds op het ogenblik dat de handelsagent kennis nam of redelijkerwijze kennis kon nemen van de opzeg?” Het Hof van Justitie heeft zich inderdaad nog expliciet niet uitgesproken over het begrip “beëindigd” in artikel 19 van de Handelsagentuurrichtlijn. Overeenkomstig artikel 267 VWEU dient het Hof dan ook een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Deze vraag kan luiden als volgt: “Dient het begrip “beëindigd” in artikel 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten zo te worden uitgelegd dat het betrekking heeft op de effectieve stopzetting van de handelsagentuurovereenkomst, dus na het verstrijken van een eventuele opzeggingstermijn”? IV. CONCLUSIE: Het stellen van de onder het eerste onderdeel geformuleerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. _________________________________
(1)Richtlijn van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten (86/653/EEG), PB L 382/17.
(2)31 mei 2014 betreft de datum van inwerkingtreding van de Wet van 2 april 2014 houdende invoeging van boek X "Handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten en verkoopconcessies" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan boek X in boek I van het Wetboek van economisch recht, BS 28 april 2014. Deze wet nam de gelijkaardige bepalingen van de Wet van 13 mei 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst (BS 2 juni 1995) over (zie Mvt bij het wetsontwerp houdende invoeging van Boek X “Handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten en verkoopconcessies” in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan boek X in boek I van het Wetboek van economisch recht, KAMER COMMISSIE VOOR HANDELS- EN ECONMISCH RECHT, 2013-2014, 9 januari 2014, 53-3280/001, 8) die de omzetting vormden van de Handelsagentuurrichtlijn (zie SENAAT COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE, 1991-1992, 19 mei 1992, 355-1, 19-20).
(3)vb. HvJ van 23 maart 2006, C-465/04, ECLI:EU:C:2006:199, “Honyvem Informazioni Commerciali Srl tegen Mariella De Zotti”; HvJ 9 november 2000, C-381/98, ECLI:EU:C:2000:605, ‘Ingmar GB ltd t. Eaton Technologies Inc.”
(4)HvJ 9 november 2000, C-381/98, ECLI:EU:C:2000:605, “Ingmar GB ltd t. Eaton Technologies Inc.’
(5)HvJ van 23 maart 2006, C-465/04, ECLI:EU:C:2006:199, “Honyvem Informazioni Commerciali Srl tegen Mariella De Zotti”.
(6)Zie ook de conclusie van advocaat-generaal M. POIARES MADURO, 25 oktober 2005, ECLI:EU:C:2005:641, overweg. 21.
(7)Vb. CARHAY P., ”Evaluation de l’indemnité d’éviction de l’agent commercial et dommages et intérêts complémentaires”, in DEMOULIN P., SIMPELAERE B. en HAWKES L. La distribution commerciale. Commercial distribution. Commerciële distributie -2015, Larcier 2016,
(69), 92-93 nr. 23; CRAHAY P., La rupture du contrat d’agence commerciale, 86, nr. 90 en De THEUX, La fin du contrat d’agence commerciale, 111, nr. 90.
(8)Vb. NAYAERT P., Handelsagentuurovereenkomst, Reeks APR, Wolters Kluwer Belgium, 2019, 338, nr. 506; TILLEMAN, B., DURSIN E., TERRYN E., HEEB C. en NAYAERT P., “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen (1999-2009)”, TPR 2010, 1017; HANSEBOUT A., ‘Geen uitwinningsvergoeding in geval van beëindigiging met wederzijdse toestemming van de agentuurovereenkomst (noot onder HvB Gent 10 december 2017), RABG 2015, 630; DURSIN E., ‘Beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst’ in NAYAERT, P. en TERRYN E. (eds.), Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, die Keure 2009, 198; MERTENS, D., Bescherming van cliënteel, Intersentia 2011, 615. DE BOCK K. en DURSIN E.,”De uitwinningsvergoeding”, in DURSIN E. en VAN DEN BROECK K., Handelsagentuur, Mys & Breesch 1997,
(318)362, nr. 630; LAMBRECHT B. en NAEYAERT P., “Kan het bedrag of de berekeningswijze van de uitwinningsvergoeding en van de bijkomende schadevergoeding rechtsgeldig contractueel bepaald worden voor de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst?”, DAOR 2007/84, 427. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.6 citeert: ECLI:EU:C:2000:605 ECLI:EU:C:2005:641 ECLI:EU:C:2006:199 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.