← België

BALOISE BELGIUM nv contra AG INSURANCE nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 februari 2025

Art. 1250

, 1° - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALGEMEEN Vrije woorden: Indeplaatsstelling - Voorwaarde - Gelijktijdig met de betaling - Begrip Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1250

, 1° - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BETALING Vrije woorden: Indeplaatsstelling - Voorwaarde - Gelijktijdig met de betaling - Begrip Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1250

, 1° - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.24.0100.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiseres komt op tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, gewezen op 25 april

  1. Door de eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. Aan de basis van het geschil ligt een verkeersongeval dat op 18 maart 2019 plaatsvond en waarbij de verzekerde van eiseres (WAM-verzekeraar) aansprakelijk is voor de schade van de verzekerde van verweerster. Verweerster betreft de rechtsbijstandsverzekeraar van de schadelijder. Op 18 januari 2021 verklaart de verzekerde van verweerster zich in een vergoedingskwitantie akkoord met het door verweerster voorgestelde bedrag als vergoeding van zijn schade. In deze kwitantie verklaart de verzekerde uitdrukkelijk dat verweerster in al zijn rechten treedt ten opzichte van al wie voor het ongeval aansprakelijk is. Op 15 februari 2021 betaalt verweerster het overeengekomen bedrag van 4610, 27 euro (meer interesten). Verweerster dagvaardde eiseres tot betaling van een bedrag van 4710,27 euro. De eerste rechter veroordeelde op 16 maart 2022 eiseres tot de betaling van een bedrag van 4509 euro (meer interesten). De eerste rechter oordeelde dat het hier ging om een wettelijke subrogatie en niet om een conventionele subrogatie. In het bestreden vonnis oordelen de appelrechters dat het een conventionele subrogatie betreft en dat de vaststelling dat de betaling gebeurde na de overeenkomst, niet tot gevolg heeft dat verweerster niet rechtsgeldig zou zijn gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde. Eiseres wordt veroordeeld tot de betaling aan verweerster voor een bedrag van 4709 euro (meer interesten en kosten). De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag wat er moet begrepen worden in het kader van de indeplaatsstelling onder het begrip gelijktijdig met de betaling. II. Eerste onderdeel. In het eerste onderdeel verwijt eiseres de appelrechter de artikelen 1249 en 1250, 1° Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht voor de opheffing ervan bij Wet van 28 april 2022 en de artikelen 5.64, 5.217, 5.218, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden doordat er in het bestreden vonnis niet wordt vastgesteld dat de overeenkomst tot subrogatie (die dateert van 18 januari 2021) pas uitwerking krijgt op het ogenblik dat daadwerkelijk wordt betaald (schending artikel 1249 en 1250, 1° (en voor zoveel als nodig de artikelen 5.217 en 5.218) Oud Burgerlijk Wetboek) en door de bewijskracht van de vergoedingskwitantie te schenden in zoverre de rechtbank beslist dat de overeenkomst die dateert van 18 januari 2021 bepaalt dat de subrogatie pas uitwerking krijgt op het ogenblik van de betaling (schending van de artikelen 5.64, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek). II.
  2. De principes. Artikel 1250, 1°, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt: “Wanneer de schuldeiser, die betaling ontvangt van een derde persoon, hem doet treden in zijn rechten, rechtsvorderingen, voorrechten of hypotheken tegen de schuldenaar; deze indeplaatsstelling moet uitdrukkelijk en gelijktijdig met de betaling geschieden”

(1). De meest essentiële rechtsregel van de subrogatie is dat de subrogatie in de rechten van de benadeelde tot gevolg heeft dat de indeplaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren
(2). Dit is de kern van wat subrogatie inhoudt. De vordering die oorspronkelijk tot het vermogen van de benadeelde behoorde, gaat door de subrogatie over naar het vermogen van de gesubrogeerde schuldeiser. De indeplaatsstelling gebeurt op het ogenblik van de betaling en dit tot beloop van het bedrag ervan. In geval van onderscheiden betalingen, gebeurt de indeplaatsstelling met betrekking tot iedere betaling afzonderlijk
(3). In geval van opeenvolgende betalingen, moet bij elke betaling de uitdrukkelijke en zekere wil van indeplaatsstelling voorhanden zijn, nochtans moet het bewijs van die wil niet noodzakelijk op het ogenblik van elk deze betalingen geleverd worden
(4). Het feit dat de indeplaatsstelling uitdrukkelijk moet gebeuren volgens artikel 1250, 1° Oud Burgerlijk Wetboek, houdt niet in dat er specifieke vormvereisten zouden bestaan voor de conventionele subrogatie. Het volstaat dat het voornemen van indeplaatsstelling uitgedrukt en zeker moet zijn
(5). Er is sprake van een uitdrukkelijke overeenkomst wanneer de wilsuiting dermate duidelijk is dat er geen behoefte is aan ook maar enige vorm van interpretatie
(6). Het spreekt echter voor zich dat het in vele gevallen toch aangewezen is om een geschrift op te stellen van die uitdrukkelijke overeenkomst. De vereiste van gelijktijdigheid van de indeplaatsstelling met de betaling is de logische consequentie van het feit dat de indeplaatsstelling volgt uit de betaling. De indeplaatsstelling kan dus niet voor de betaling plaatsvinden. Het is pas op het ogenblik van de betaling dat de indeplaatststelling plaatsvindt en dat de vordering vanuit het vermogen van de benadeelde naar het vermogen van de gesubrogeerde schuldeiser overgaat. De indeplaatsstelling kan ook niet na de betaling plaatsvinden want dan zou de vordering van de benadeelde reeds volledig uitgedoofd zijn door de betaling van de derde en zou de subrogatie zonder voorwerp zijn
(7). Uit het arrest van 17 maart 1952 menen diverse auteurs (ten onrechte volgens mij) te kunnen afleiden dat bij elke betaling een nieuwe overeenkomst met betrekking tot de indeplaatsstelling moet tot stand komen
(8). Dit blijkt echter mijns inziens niet uit dit arrest waarin ten andere geen rechtsregel is geformuleerd. Het eerste onderdeel van het tweede middel waarin de verzoeker opwierp dat de motivering van de appelrechters niet toeliet om na te gaan of de conventionele subrogatie wel voldeed aan de wettelijke vereisten terwijl de verzoekers in conclusies hadden opgeworpen dat dit niet het geval was, werd verworpen door het Hof met de redenen dat het arrest met de motivering “dat een verklaring van indeplaatsstelling op het ogenblik van de eerste betaling door de schuldeiser ondertekend werd en dat, indien artikel 1250, 1°, van het Burgerlijk Wetboek beschikt dat de indeplaatsstelling bij overeenkomst gelijktijdig met de betaling moet geschieden, dit is omdat een schuldvordering teniet gegaan door een eenvoudige betaling niet meer door een latere indeplaatsstelling in het leven kan geroepen worden, maar dat zulks in onderhavig geval het geval niet is”, een passend antwoord op de conclusie van de verzoeker gaf. In het tweede onderdeel van het tweede middel verwijt de eiser dat het bestreden arrest beslist dat de door de verweerster ingeroepen indeplaatsstelling bij overeenkomst, aan de bij artikel 1250, 1°, van het Burgerlijk Wetboek opgelegde voorwaarden voldoet, door dit alleen af te leiden uit de op het ogenblik van de eerste betaling ondertekende verklaring van indeplaatsstelling en uit artikel 9 van het gemeentereglement van Sint-Gilles, terwijl verzoekers staande hielden dat deze indeplaatsstelling nietig was omdat zij niet aan de wetsbepalingen voldeed welke voorschrijven dat de indeplaatsstelling bij overeenkomst uitdrukkelijk en gelijktijdig met de betaling moet geschieden. Dit werd door het Hof verworpen als volgt: “het arrest vaststelt dat, bij de eerste door de burgerlijke partij gedane betaling, het slachtoffer deze in haar rechten heeft geplaatst en zich verbonden heeft ze bij elk van de latere betalingen in haar plaats te stellen; het arrest daarna hierop wijst dat dit voornemen van indeplaatsstelling gehandhaafd werd en dat de indeplaatsstelling werkelijk op het ogenblik van elk dezer betalingen toegestaan werd; Overwegende dat het arrest alzo in feite, dus soeverein, vaststelt dat het voornemen van indeplaatsstelling bij elke betaling uitgedrukt werd; Overwegende dat de door artikel 1250, 1°, van het Burgerlijk Wetboek voorziene indeplaatsstelling bij overeenkomst, indien zij uitdrukkelijk en gelijktijdig met de betaling moet geschieden, nochtans aan geen bijzondere vorm is onderworpen; dat het volstaat dat het voornemen van indeplaatsstelling uitgedrukt en zeker weze; Overwegende dat het middel dus niet kan aangenomen worden”. Op geen enkele manier kan uit dit arrest worden afgeleid dat het Hof zou vereisen dat bij elke betaling een nieuwe wilsuiting zou plaatsvinden. Integendeel het Hof aanvaardt de argumentatie van de appelrechters dat de eerste wilsuiting doorheen de tijd is aangehouden. Heel wat andere auteurs menen daarentegen dat het niet nodig is dat er bij elke nieuwe betaling een nieuwe overeenkomst moet voorliggen maar dat partijen vooraf aan de betaling een subrogatie kunnen overeenkomen die maar intreedt bij de betaling. Dit is zelfs het geval voor een aantal auteurs die de strenge lezing van het arrest van 17 maart 1952 voorstaan
(9). In het Franse recht is deze mogelijkheid uitdrukkelijk in de wet opgenomen nl in artikel 1346-1, derde lid van de Code Civil
(10)en dit nadat het Franse Hof van Cassatie reeds hetzelfde had beslist
(11). De gelijktijdigheid slaat dus louter op het intreden van het rechtsgevolg, niet op de overeenkomst waarin dit rechtsgevolg wordt beoogd
(12). Het is daarbij niet toegestaan in het licht van artikel 1250, 1° Oud Burgerlijk Wetboek dat in een overeenkomst de subrogatie zou worden losgekoppeld van de betaling. De betaling is immers essentieel. Zonder betaling is er in ieder geval geen subrogatie. II.2 Toepassing van de principes in deze zaak. Met de vaststellingen en het oordeel onder punt 2.1. met de titel “Subrogatie” geeft de appelrechter volgens mij te kennen dat de overeengekomen subrogatie zoals die blijkt uit de vergoedingskwitantie van 18 januari 2021 pas uitwerking krijgt op het ogenblik dat daadwerkelijk wordt betaald en schond de appelrechter daarbij ook niet de bewijskracht van dat stuk. Het onderdeel mist dan ook feitelijke grondslag in zoverre dat het van het tegendeel uitgaat en in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 5.64, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, kan het niet worden aangenomen. III. Tweede onderdeel. (…) IV. Derde onderdeel. (…) Conclusie: Verwerping. _________________________________________
(1)Thans artikel 5.218 Burgerlijk Wetboek dat luidt als volgt: “Conventionele subrogatie door de schuldeiser vindt plaats wanneer de schuldeiser, die betaling ontvangt van een derde, hem doet treden in zijn rechten tegen de schuldenaar. Deze subrogatie moet uitdrukkelijk en gelijktijdig met de betaling geschieden.” In toepassing van artikel 64 van de Wet van 28 april 2022 houdende boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek (BS 1 juli 2022) is dit nieuwe artikel niet van toepassing op het huidig geschil.
(2)Vb. Cass. 18 januari 2024, AR C.23.0157.N, AC 2024, nr. 50, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1, met concl. van advocaat-generaal met opdracht DECONYNCK ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1; Cass. 16 april 2018, AR C.13.0008.N, AC 2018, nr. 235, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180416.1; Cass. 4 juni 2012, AR C.10.0208.N, AC 2012, nr. 355, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120604.6, met concl. van advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120604.6.
(3)Cass. 27 januari 2022, AR C.21.0106.N, AC 2022, nr. 73, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1, met concl. van advocaat-generaal met opdracht DECONYNCK; WERY P., Droit des obligations. Volume 2. Les sources des obligations extracontractuelles. Le régime général des obligations, Larcier 2016, 646.
(4)Cass. 17 maart 1952, AC 1952, 393.
(5)Cass. 17 maart 1952, AC 1952, 393.
(6)JANSEN R., “Hoofstuk
  1. Overgang van verbintenissen – Afdeling
  2. Subrogatie”, in DAMBRE M. en TILLEMAN B., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium 2010,
(1)44, nr. 65.
(7)JANSEN R., “Hoofstuk
  1. Overgang van verbintenissen – Afdeling
  2. Subrogatie”, in DAMBRE M. en TILLEMAN B., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium 2010,
(1)45, nr. 67.
(8)Vb. VAN OMMESLAGHE P., De Page, Traité de droit civil belge, Bruylant 2013, 2130-2131; WERY P., Droit des obligations. Volume 2. Les sources des obligations extracontractuelles. Le régime général des obligations, Larcier 2016, 638-639; 427, THUNIS X en FOSSÉPREZ B., “Section 2 – Un autre monde de transfert des créances : le paiement subrogatoire en droit belge”, in JOURDAN P. en WÉRY P., La transmission des obligations en droit français et en droit belge, Larcier 2019,
(413)427, nr. 13; GEORGE F., COLSON P., CATALDO A. en FOSSÉPREZ B., Manuel de droit des obligations, Larcier 2024, 910, nr. 825.
(9)VAN OMMESLAGHE, P., De Page, Traité de droit civil belge, Bruylant 2013, 2131; JANSEN R., “Hoofstuk
  1. Overgang van verbintenissen – Afdeling
  2. Subrogatie”, in DAMBRE M. en TILLEMAN B., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium 2010,
(1)46, nr. 69; THUNIS X en FOSSÉPREZ B., “Section 2 – Un autre monde de transfert des créances: le paiement subrogatoire en droit belge”, in JOURDAN P. en WÉRY P., La transmission des obligations en droit français et en droit belge, Larcier 2019,
(413)429.
(10)Dit artikel luidt als volgt: “Elle doit être consentie en même temps que le paiement, à moins que, dans un acte antérieur, le subrogeant n'ait manifesté la volonté que son cocontractant lui soit subrogé lors du paiement. La concomitance de la subrogation et du paiement peut être prouvée par tous moyens”.
(11)Vb. Cass. Fr. 21 februari 2012, nr. 11-11.145; Cass. Fr. 28 mei 2002, nr. 99-17.733; Cass. Fr. 8 januari 2002, nr. 98-10691; Cass. 23 januari 2001, nr. 97-15.818; Cass. Fr. 29 januari 1991, nr. 89-10.085 (arresten raadpleegbaar via www.courdecassation.fr).
(12)CORNELIS L., Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia 2000, 436. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120604.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120604.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180416.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.