id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250303.3N.8 Rolnummer: S.23.0051.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra VAN AUTRYVE Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Strafrecht Invoerdatum: 2025-03-26 Raadplegingen: 642 - laatst gezien 2026-06-18 23:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250303.3N.8 Fiches 1 - 2 Uit artikel 1675/9, §§ 1, 2°, 2 en 3 Gerechtelijk Wetboek en artikel 464/1, § 8, derde en vierde lid Wetboek van Strafvordering volgt dat in het raam van een collectieve schuldenregeling, de Federale Overheidsdienst Financiën, zoals iedere schuldeiser, ertoe gehouden is namens de eiser tijdig aangifte van schuldvordering te doen van de door de schuldenaar opgelopen strafrechtelijke boetes, verbeurdverklaringen en kosten en dat bij gebrek aan tijdige aangifte de door artikel 1675/9, § 3, Gerechtelijk Wetboek bepaalde sanctie, erin bestaande dat de schuldeiser onweerlegbaar wordt vermoed afstand te hebben gedaan van zijn schuldvordering, van toepassing is; noch artikel 464/1, § 8, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, dat enkel betrekking heeft op de kwijtschelding of vermindering van straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure, noch enige andere wetsbepaling voorziet in een uitzondering op de verplichting om tijdig aangifte te doen van penale boetes en verbeurdverklaarde sommen en op de eraan gekoppelde sanctie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE SCHULDENREGELING Vrije woorden: Strafrechtelijke veroordeling - Geldboete - Geen aangifte - Afstand schuldvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 464/1, § 8, derde en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Gerechtelijk Wetboek - Deel V: BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING. (art. 1386 tot 1675/27) - 10-10-1967 - Art. 1675/9, §§ 1, 2°, 2 en 3 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: Collectieve schuldenregeling - Strafrechtelijke veroordeling - Geldboete - Geen aangifte - Afstand schuldvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 464/1, § 8, derde en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Gerechtelijk Wetboek - Deel V: BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING. (art. 1386 tot 1675/27) - 10-10-1967 - Art. 1675/9, §§ 1, 2°, 2 en 3 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Tekst van de conclusie S.23.0051.N Conclusie van de heer advocaat-generaal VANDERLINDEN:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Gent, afdeling Gent, gewezen op 17 april
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Het middel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is in het middel betreft de toepassing van artikel 1675/9, § 2 en § 3, Gerechtelijk Wetboek wanneer de schuld voortvloeit uit een strafrechtelijke veroordeling. Dus, wanneer het gaat om de geldboete, de bijzondere verbeurdverklaring en de gerechtskosten. Inzonderheid betreft het de situatie waar de schuldeiser, in casu de Belgische Staat, die geen aangifte indient binnen de termijn in § 2 maar ook, althans volgens de standpunten die werden ingenomen, binnen de in § 3 bepaalde termijn, geen gevolg geeft aan de verwittiging van de schuldbemiddelaar. Die vraag die zich stelt is of de sanctie die te lezen staat in § 3 te weten dat de schuldeiser geacht wordt afstand te doen van zijn schuldvordering
(1)ook op dit soort schulden van toepassing is. Het standpunt van eiser is dat dit niet het geval is, sedert de wet van 11 februari 2014 waarbij artikel 464/1 Sv. werd gewijzigd, daar hierin werd bepaald dat de kwijtschelding of vermindering van de straffen enkel kan worden toegestaan bij toepassing van de artikelen 110 en 111 Grondwet. b. Beoordeling. Ik deel het standpunt van eiser niet. In zoverre eiser stelt dat de sanctie van artikel 1675/9, § 3, Gerechtelijk Wetboek niet kan toegepast worden wanneer het een strafrechtelijke sanctie betreft gaat het middel uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt het dan ook naar recht. Betreffende de toepassing van de regels inzake de collectieve schuldenregeling heeft Uw Hof, sedert de wijziging van artikel 464/1 Sv. reeds enkele princiepsarresten geveld. Zo oordeelde U op 21 november 2016 dat de rechter geen kwijtschelding of vermindering kan uitgespreken voor de schuld die een penale boete betreft
(2). Het betreft dus tevens een niet voor kwijtschelding vatbare schuld, benevens deze die vermeld zijn in artikel 1675/13 Gerechtelijk Wetboek. Verder, inzake de toepassing van de sanctie van artikel 1675/9, § 3 Gerechtelijk Wetboek, oordeelde U op 7 november 2022, dat een schuldeiser enkel wordt geacht afstand te doen van een schuldvordering indien hij door de schuldbemiddelaar bij aangetekend schrijven is aangemaand om binnen de in artikel 1675/9, § 3, Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn van deze schuldvordering aangifte te doen
(3). Deze civiele sanctie, die restrictief dient te worden geïnterpreteerd, vereist derhalve dat er een handeling gesteld wordt door de schuldbemiddelaar waaraan de schuldeiser geen gevolg heeft gegeven. Gelet op de gevolgen van een niet-aangifte is het inderdaad van belang om de schuldeiser hieromtrent omvattend te informeren. Reden waarom de aanmaning de tekst van artikel 1675/9, § 3 dient te vermelden
(4)
(5). Voor het beantwoorden van de vraag betreffende de mogelijke impact van artikel 1675/9, § 3 Gerechtelijk Wetboek op de vordering van de fiscus ter inning van een strafrechtelijke sanctie dient aandacht besteed te worden aan wat gelezen kan worden in artikel 464/1, § 8, derde lid Sv. Er wordt hierin bepaald dat de strafrechtelijke veroordelingen worden ten uitvoer gelegd, door de FOD Financiën, via de rechten die de wet toekent aan de schuldeisers in het kader van de collectieve insolventieprocedure. Derhalve met uitzondering van het gegeven dat, ingevolge de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering, er geen sprake kan zijn van kwijtschelding of vermindering van een strafrechtelijke beteugeling in het kader van een dergelijke insolventieprocedure verloopt de invordering voor het overige geheel volgens de wettelijke bepalingen die deze laatste procedure beheersen. Derhalve wordt de behandeling van de schuldvordering van de fiscus betreffende de penale sanctie, in het kader van de collectieve schuldenregeling, onderworpen aan de regels die weerhouden zijn in het Gerechtelijk Wetboek. Zo is er bijvoorbeeld het gegeven dat, overeenkomstig artikel 1675/7 Gerechtelijk Wetboek, de tenuitvoerleggingen geschorst zijn. Zoals hoger gesteld betreft de strafrechtelijke maatregel een niet-comprimeerbare schuld, vergelijkbaar met deze die vermeld zijn in artikel 1675/13 Gerechtelijk Wetboek. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat, wat betreft de sanctie die voorzien is in artikel 1675/9, § 3, Gerechtelijk Wetboek, deze laatste bepaling geen onderscheid maakt tussen de aard van de schulden die het voorwerp kunnen zijn van deze maatregel. Dus de schulden die voorzien zijn in het artikel 1675/13 kunnen tevens het voorwerp zijn van deze maatregel
(6). Hetzelfde geldt voor de geldboete, de bijzondere verbeurdverklaring en de gerechtskosten. Immers een onderscheid dringt zich op. Enerzijds is er de gehele kwijtschelding die het gevolg is van een rechterlijke beoordeling over het al dan niet toestaan hiervan, die al dan niet samengaat met begeleidende maatregelen. Eén en ander zoals dit geregeld is in artikel 1375/13bis Gerechtelijk Wetboek. Anderzijds is er de toepassing van artikel 1675/9, § 3, Gerechtelijk Wetboek. Bij dit laatste is er sprake van een automatisch gevolg dat voortvloeit uit de wet. Indien de voorwaarden vervuld zijn, zijnde aanmaning door de schuldbemiddelaar en het verstrijken van de wettelijk bepaalde termijn, wordt de schuldeiser geacht afstand te doen van de schuldvordering. Er is dus een afstand krachtens de wet. Het is het vervuld zijn van de wettelijk bepaalde voorwaarden dat het gevolg doet intreden. Er is geen rechterlijke tussenkomst vereist. In die zin is er een verregaande gelijkenis met de verjaring van de straf. Het is het vervuld zijn van de voorwaarden van de artikelen 91 e.v. Sw. dat, indien de fiscus nalaat stuitingsdaden te stellen, de verjaring doet intreden. Ook voor dit laatste is het krachtens de wet. Het openbare orde karakter van de penale sanctie doet hier geen afbreuk aan. Zoals hoger gesteld betreft het een wettelijk gevolg van het niet stellen van een handeling. Het betreft dus het sanctioneren van de inertie van de schuldeiser. Er is dus geen sprake van een wilsuiting betreffende een recht waarover de schuldeiser niet kan beschikken. In zoverre er de grief van tegenstrijdigheid van motieven wordt aangevoerd kan het middel niet worden aangenomen. Conclusie: Verwerping. ______________________________________________
(1)Het gaat hem hier in zekere zin om een voorwaardelijke afstand. Het artikel 1675/9, § 3 bepaalt immers, in fine, dat de schuldeiser zijn rechten herwint in geval van afwijzing of herroeping van de aanzuiveringsregeling.
(2)Cass. 21 november 2016, AR S.16.0001.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161121.6, AC 2016, nr. 661.
(3)Cass. 7 november 2022, AR S.22.0004.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221107.3N.4, AC 2022, nr. 701.
(4)B. DE GROOTE en S. VOET, Collectieve schuldenregeling, Brussel, Larcier 2009, p. 85.
(5)Niettegenstaande door de partijen en in de gerechtelijke beslissingen wordt verwezen naar het artikel 1675/9, § 3 en het gegeven dat bij gebreke aan reactie van de schuldeiser, binnen de wettelijk bepaalde termijn, er sprake is van een afstand dien ik vast te stellen dat, op basis van de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan, er geen specificatie is van de datum waarop het desbetreffend schrijven werd verstuurd noch dat, tout court, aan de vereisten van § 3 werd voldaan.
(6)J-F LEDOUX, “Phase amiable et honoraires et frais”, in Règlement collectif de dettes, Brussel, Larcier 2019, p. 112. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250303.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250303.3N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161121.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221107.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div