id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250314.1N.8 Rolnummer: C.23.0450.N Zaak: DESARENT nv contra ETHIAS nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2025-04-23 Raadplegingen: 520 - laatst gezien 2026-06-16 13:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250314.1N.8 Fiches 1 - 2 Behoudens wettelijke of contractuele afwijking is er een oorzakelijk verband tussen het onzeker voorval en de schade aan iemands vermogen wanneer vaststaat dat zonder het onzeker voorval de schade zich niet zou hebben voorgedaan, zoals ze zich concreet heeft voorgedaan; het oorzakelijk verband tussen het onzeker voorval en de schade kan slechts worden uitgesloten wanneer de schade zoals ze zich concreet heeft voorgedaan, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder dat onzeker voorval
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Schadeverzekering - Onzeker voorval - Oorzakelijk verband - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 5, 15° - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Vrije woorden: Schadeverzekering - Onzeker voorval - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 5, 15° - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Tekst van de conclusie C.23.0450.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat een vrachtwagen, eigendom van eiseres en bestuurd door een uitzendkracht, schade opliep bij het rijden over stalen platen die naar aanleiding van werken in uitvoering op de openbare weg lagen. Eén van de platen sloeg een gat in de onderkant van de trekker, met olieverlies tot gevolg. De chauffeur bleef nog even doorrijden waardoor ook zware schade aan de motor werd veroorzaakt. De vrachtwagen was op het moment van het schadegeval in eigen schade verzekerd bij verweerster die evenwel weigerde dekking te verlenen voor de schade aan de motor om reden dat die schade niet het gevolg is van het ongeval maar te beschouwen is als vrijwillige schade, berokkend door de chauffeur die ondanks waarschuwingen verder bleef rijden. Eiseres ging over tot dagvaarding. Zowel de eerste rechter als de appelrechter wijzen deze vordering af als ongegrond. De appelrechter oordeelt in het bijzonder dat eiseres als verzekerde gehouden is tot een verplichting tot schadebeperking op grond van artikel 75 van de Verzekeringswet en deze verplichting doorwerkt en eveneens geldt voor de aangestelde waarop eiseres beroep doet. Uit de toerekenbaarheid van de handelingen van de chauffeur in zijn hoedanigheid van hulppersoon aan eiseres als opdrachtgever volgt dat de in hoofde van de chauffeur bewezen fout die werd begaan tijdens het uitvoeren van een transport voor eiseres dient te worden beschouwd als een fout van eiseres en eiseres dienvolgens is tekortgeschoten aan de schadebeperkingsplicht die op haar rust.
- Dit vonnis werd door het Hof vernietigd bij arrest van 12 mei 2022
(1). In dat arrest oordeelde het Hof (samengevat) dat de in artikel 75 van de Verzekeringswet bedoelde schadebeperkingsverplichting enkel geldt voor de vergoedingsgerechtigde verzekerde (niet voor de hulppersoon-aangestelde).
- De verwijzingsrechter wijst de vordering van de eiseres tot dekking van de schade aan de motor op grond van de omniumverzekering (opnieuw) af met het oordeel dat de zaakverzekering “geen aansprakelijkheidsverzekering is, hetgeen impliceert dat de verzekeraar, in casu de N.V. ETHIAS, geen verzekeringsdekking voor schade uit een onrechtmatige daad dient te verlenen en de toepassing van de equivalentieleer in de verhouding verzekeraar-verzekeringsnemer in casu niet van toepassing is”.
- De eiseres komt met één middel op tegen dit vonnis. 2 Bespreking. 2.1 Eerste onderdeel.
- In het eerste subonderdeel voert de eiseres aan dat de appelrechters zowel de bewijskracht (artikelen 5.64, tweede lid, 8.17 en 8.18 BW) als de bindende kracht (artikel 1184 oud BW en artikel 8.18 BW) van de verzekeringsovereenkomst schenden door te oordelen dat de zaakverzekering geen aansprakelijkheidsverzekering is, dus geen schade dekt uit een onrechtmatige daad en dat de equivalentieleer niet toepasselijk is. De appelrechters die de equivalentieleer uitsluiten louter omdat het gaat om een zaakverzekering, maken volgens de eiseres een onwettige gevolgtrekking (artikel 5, 15°, W.Verz.) en miskennen het rechtsbegrip “veroorzaakt” daarin vervat, alsook het rechtsbegrip “causaal verband” uit de artikelen 1382, 1383, 1147, 1149 en 1151 Oud BW en de artikelen 5.72, 5.86, 5.87 en 5.226, § 2, tweede lid, BW). Volgens de eiseres moet “veroorzaakt” uit de verzekeringsovereenkomst in de meest gunstige interpretatie voor de eiseres worden gelezen, wat de appelrechters niet nagingen (artikel 23 W.Verz.).
- Uit de overwegingen van het arrest blijkt niet dat de appelrechters het uitsluiten van de equivalentieleer steunen op een interpretatie van de verzekeringsovereenkomst of polisvoorwaarden. De verwijzingen naar de polisvoorwaarden hebben enkel betrekking op het begrip “ongeval” als een onzekere gebeurtenis hetgeen overeenstemt met artikel 5, 15°, W.Verz., en niet op een regeling van de causaliteit. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters hun beslissing steunen op een interpretatie van de verzekeringsovereenkomst, mist feitelijke grondslag.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de appelrechters louter omwille van de kwalificatie van de verzekering als zaakverzekering de toepassing van de equivalentieleer uitsluiten. Het onderdeel omvat ook de vraag ten gronde naar het oorzakelijk verband bij de zaakverzekering en hier in het bijzonder of deze per definitie de equivalentieleer uitsluit. Wat betreft het oorzakelijk verband zijn er volgens de gezaghebbende rechtsleer in beginsel geen aanwijzingen om in het verzekeringsrecht aan de causaliteitsleer een andere betekenis te geven dan in het aansprakelijkheidsrecht
(2). Dit leidt ertoe dat in de regel, tenzij anders bepaald
(3), er een oorzakelijk verband is tussen het onzeker voorval en de schade aan iemands vermogen wanneer vaststaat dat zonder het onzeker voorval de schade zich niet zou hebben voorgedaan, zoals ze zich concreet heeft voorgedaan
(4). In navolging van het opzet van de wetgever om met de verzekeringswetgeving de verzekeringnemer te beschermen
(5), kan worden aangenomen dat wat betreft het oorzakelijk verband de equivalentieleer toepasselijk is in de zaakverzekering omdat deze geacht wordt de ruimste bescherming aan de verzekeringnemer (of verzekerde) te bieden
(6). De equivalentieleer betekent dat het oorzakelijk verband tussen gebeurtenis en de schade niet verdwijnt omdat de omvang van de schade vergroot is door een samenloop van omstandigheden
(7). In deze zaak zou dit kunnen betekenen dat het opspringen van de rijplaat en het doorrijden van de bestuurder elk in causaal verband staan met de motorschade
(8). Dit houdt in dat het arrest aan artikel 5, 15°, W.Verz. schendt door de erin vervatte causaliteit te beperkend in te vullen. De beslissing om de equivalentieleer uit te sluiten om de enkele reden dat het een zaakverzekering betreft, lijkt niet naar recht verantwoord. 8. De stelling van de verweerster dat de dekking is beperkt tot de schade die “rechtstreeks” door het onzeker voorval wordt veroorzaakt
(9), blijkt niet uit de W.Verz. of artikel 56 polisvoorwaarden. 9. In het tweede subonderdeel voert de eiseres aan dat de enkele omstandigheid dat een ongeval wordt gevolgd door een tweede schadeoorzaak, het causaal verband tussen het ongeval en de schade niet uitsluit. De appelrechters menen dat de motorschade het gevolg is van de fout van de bestuurder. Ze sluiten niet uit dat de schade zich ook zonder het ongeval met de stalen plaat (die een gat in het oliecarter sloeg) zich niet zou hebben voorgedaan. Integendeel, ze stellen vast dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan zonder voormeld ongeval. Aldus konden de appelrechters het causaal verband tussen ongeval en motorschade niet wettig uitsluiten en komt (ook) die beslissing niet naar recht verantwoord voor
(10). 2.2 Tweede onderdeel.
- Het eerste subonderdeel voert de schending aan van de artikelen 5, 14°, en 5, 15°, W.Verz., namelijk doordat het arrest de bijkomende voorwaarde oplegt dat het ongeval én de schade onvoorzienbaar zijn, wat noch uit de overeenkomst, noch uit de artikelen 5, 14°, en 5, 15°, W.Verz. voortvloeit. Zo zouden ze de bewijskracht van de overeenkomst schenden (artikelen 5.64, tweede lid, 8.17 en 8.18 BW). Ze zouden ook de artikelen 5, 14°, en 5, 15°, W.Verz. schenden door er een voorwaarde aan toe te voegen. Daarmee zouden ze aan de overeenkomst ook geen uitleg geven die het meest in het voordeel van de verzekeringnemer is (schending artikel 23, § 2, W.Verz.). Ook de verbindende kracht van de overeenkomst zou zijn miskend door er een voorwaarde aan toe te voegen (artikel 1134 Oud BW en artikel 5.69 BW).
- Het komt me voor dat het gebruik van het woord ‘voorzienbaar’ in de context van het arrest begrepen moet worden als tegenovergesteld aan onzekere gebeurtenis. Door na de luide klap met de metalen plaat en de aanwijzingen van olie(druk)verlies toch door te rijden, was volgens de appelrechters de schade niet meer het gevolg van een onzekere gebeurtenis maar daarentegen voorzienbaar. De schade is voorzienbaar en niet accidenteel omdat de gebeurtenis potestatief (afhankelijk van de wil van de bestuurder) ontstaat. Het is met andere woorden bewust veroorzaakte schade. Door het begrip voorzienbaar als zodanig te omschrijven, hebben de appelrechters mijns inziens geen voorwaarde toegevoegd aan het verzekeringstechnische begrip “onzekere gebeurtenis”. Het subonderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters met het begrip voorzienbaar een voorwaarde aan de (dekking van de zaak)verzekering hebben willen toevoegen, berust mijns inziens op een verkeerde lezing en mist feitelijke grondslag.
- In het tweede subonderdeel voert de eiseres aan dat het ongeval moet worden beoordeeld in hoofde van de verzekerde, niet in hoofde van de bestuurder van het voertuig. De appelrechters ontkennen de dekking omdat de gebeurtenis en de schade te wijten zijn aan een gedraging van de bestuurder. Zodoende zouden ze de bindende kracht van de overeenkomst schenden (artikel 1134 Oud BW en artikel 5.69 BW).
- Volgens de verweerster zou de beslissing naar recht verantwoord blijven omdat de appelrechters oordelen dat de motorschade het gevolg is van een fout van de bestuurder en er in casu een zaakverzekering, geen aansprakelijkheidsverzekering voorligt.
- Aannemende dat de omvang van de schade voor de bestuurder voorzienbaar was en aldus, conform de hoger aangegeven bedoeling van de appelrechters, voor wat betreft de bestuurder niet als een onzekere gebeurtenis want wel afhankelijk van zijn wil kan worden aangemerkt, dan geldt die redenering niet voor de eiseres. De eventuele fout (of aansprakelijkheid) van de bestuurder kan niet zonder meer worden toegerekend aan de eisers. Die eventuele fout staat los van de voorwaarden van de dekking van de schadeverzekering in hoofde van de eiseres als andere verzekerde. Zoals reeds aangegeven door Eerste advocaat-generaal MORTIER in de eerste cassatieprocedure voorziet artikel 62, lid 1 Verz.W. dat de verzekeraar niet verplicht kan worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt. “Hem die” slaat dan op elke vrijwillige dader van het schadegeval die in andere omstandigheden aanspraak had kunnen maken op de dekking, dit is elke verzekerde-begunstigde. De dekking wordt dus niet ontzegd aan andere gebeurlijke begunstigden die vreemd zijn aan de vrijwillige uitlokking van het schadegeval
(11)
(12). Ze concludeerde verder als volgt: “Uw Hof sprak zich reeds in een aantal arresten uit over de vraag of een verzekeringsdekking te weigeren valt in hoofde van een verzekerde, bij opzet vanwege een andere verzekerde /begunstigde
(13). Zo verliest de verzekerde echtgenoot zijn dekking niet verliest omdat zijn echtgenote, eveneens verzekerde, het ongeval opzettelijk veroorzaakte
(14). Ook de wettelijke erfgenamen blijven als begunstigden van een levensverzekering op het hoofd van hun moeder, niet van dekking verstoken omdat hun vader, eveneens begunstigde (in eerste rang), door zijn opzettelijke daad (de moord op de moeder) zijn dekking verliest
(15). Diezelfde regel verantwoordt dat een mede-eigenaar van een gebouw nog dekking krijgt van de brandverzekeraar ook al heeft een andere mede-eigenaar het gebouw opzettelijk in brand gestoken
(16). Het Grondwettelijk Hof heeft zich in dezelfde zin uitgesproken
(17).” 15. De dekking omwille van een onzekere gebeurtenis is per hoofd te beoordelen
(18). De opzettelijke daad van een derde, die niet de begunstigde is, is verzekerbaar
(19). Verschillende verzekerden kunnen ten aanzien van elkaar derden kunnen zijn met eigen of gemeenschappelijke belangen. Een schadeverwekkende handeling van de bestuurder maakt de onzekere gebeurtenis niet zuiver potestatief in hoofde van de eiseres als (mede-)verzekerde
(20). 16. De eventuele aansprakelijkheid van de bestuurder kan aldus mijns inziens de dekking van de zaakverzekering niet verhinderen. De eventuele fout van de bestuurder kan in het raam van de zaakverzekering het risico uitmaken waarvoor verzekeringsdekking is afgesloten
(21). Door die fout uit te sluiten als een onzekere gebeurtenis, komt het mij voor dat het arrest de bindende kracht van de verzekeringspolis miskent en het tweede subonderdeel gegrond voorkomt.
- Het derde subonderdeel gaat ervan uit dat het arrest oordeelt dat het schadegeval opzettelijk is veroorzaakt. De appelrechters stellen niet vast dat de handelingen van de bestuurder aan de eiseres zijn toe te rekenen of dat de eiseres opzettelijk handelde. Ze stellen evenmin vast dat de bestuurder de wil had om de schade te veroorzaken. Het subonderdeel lijkt uit te gaan van een verkeerde lezing en feitelijke grondslag te missen.
- Het vierde subonderdeel voert aan dat het arrest niet antwoordt op het middel van de eiseres dat het doorrijden met de vrachtwagen evenzeer voor haar een ongeval vormt, minstens zouden de vaststellingen het wettigheidstoezicht niet toelaten. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag omdat het ervan uitgaat dat de appelrechters niet oordelen dat het doorrijden geen ongeval is. Besluit: cassatie. _______________________________________________
(1)Cass. 12 mei 2022, AR C.20.0587.N, AC 2022, nr. 339, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.4, met gelijkluidende concl. van eerste advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220512.1N.4.
(2)R. VANDEPUTTE, Inleiding tot het verzekeringsrecht, Antwerpen, Standaard, 1978, 109; H. BOCKEN en I. BOONE, “Causaliteit in het Belgisch recht”, TPR 2002, 1672-1673; L. SCHUERMANS en C. VAN SCHOUBROECK, Grondslagen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia 2015, 783; L. SCHUERMANS, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia 2008, 660; K. BERNAUW, “Oorzakelijkheid in verzekeringen”, TPR 2014, 1670.
(3)Artikel 56 W.Verz. stelt de bepalingen van deel 4 van de wet als dwingend voorop. De definities van verzekeringsovereenkomst of schadeverzekering uit artikel 5 zijn aldus niet dwingend; Vgl. P. COLLE, Algemene beginselen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 27; F. PONET, P. RUBENS en W. VERHEES, De landverzekeringsovereenkomst, Deurne, Kluwer 1993, 60; R. VANDEPUTTE, Inleiding tot het verzekeringsrecht, Antwerpen, Standaard, 1978, 52.
(4)Zoals in het aansprakelijkheidsrecht, zie o.a. Cass. 5 juni 2008, AR C.07.0199.N, AC 2008, nr. 350, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5
(5)Zie bijvoorbeeld de artikelen 9 en 23, § 2, W.Verz.: geen nadelige bepalingen voor verzekeringnemers en de interpretatieregel ten gunste van de verzekeringsnemer of verzekerde; zie ook P. COLLE, Algemene beginselen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia 2022, 23; F. PONET, P. RUBENS en W. VERHEES, De landverzekeringsovereenkomst, Deurne, Kluwer 1993, 25 (“Eén van de hoofddoelen van de wet van 25 juni 1992 was het evenwicht tussen de verplichtingen van de verzekeraar en de verzekeringnemer aanzienlijk te wijzigen door het bieden van een grotere bescherming aan deze laatste”).
(6)M.E. STORME, “Quelques aspects de la causalité en droit des obligations et des assurances”, De Verz. 1990, 444; M. VAN QUICKENBORNE, De oorzakelijkheid in het recht van de burgerlijke aansprakelijkheid, Brussel, Elsevier, 1972, 214 (“De equivalentietheorie is de ruimste causaliteitstheorie”).
(7)H. BOCKEN, “Het oorzakelijk verband in het ontwerp van de commissie tot hervorming van het aansprakelijkheidsrecht”, TPR 2021, 249.
(8)Vgl. met het voorbeeld bij: K. BERNAUW, “Oorzakelijkheid in verzekeringen”, TPR 2014, 1677 (“De schade veroorzaakt door blikseminslag (zie art. 61 WLVO) is, bij ontstentenis van een conventionele beperking tot “rechtstreekse inslag op de verzekerde goederen”, ook gedekt indien de blikseminslag de verzekerde goederen onrechtstreeks heeft beschadigd, bv. wanneer de bliksem een boom velt, die op zijn beurt de woning beschadigt”).
(9)Cass. 5 oktober 2006, AR C.05.0345.F, AC 2006, nr. 463, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061005.2, met concl. van advocaat-generaal HENKES, op datum in Pas., RW 2009-10, 359 (over de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade, veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen: “Het begrip rechtstreekse schade impliceert dat tussen het schadeverwekkende feit en de schade zelf een oorzakelijk verband bestaat zonder enig ander tussenliggend feit”); Cass. 11 oktober 1989, RGAR 1992, nr. 12.007; K. BERNAUW, “Oorzakelijkheid in verzekeringen”, TPR 2014, 1673; M. VAN QUICKENBORNE, De oorzakelijkheid in het recht van de burgerlijke aansprakelijkheid, Brussel, Elsevier 1972, 218-219.
(10)Artikel 5, 15°, W.Verz. en het rechtsbegrip “veroorzaakt” daarin vervat, het rechtsbegrip “causaal verband” volgend uit de artikelen 1382, 1383, 1147, 1149 en 1151 Oud BW en de artikelen 5.72, 5.86, 5.87 en 5.226, § 2, tweede lid, BW.
(11)M. FONTAINE, Verzekeringsrecht, Larcier 2017, 370.
(12)Concl. van eerste advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220512.1N.4. bij Cass. 12 mei 2022, AR C.20.0587.N, AC 2022, nr. 339, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.4.
(13)Cass. 4 maart 2013, AR C.09.0205.F, AC 2013, nr. 140, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130304.2; Zie G. JOCQUÉ, “Verzekeraar kan niet verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt” (noot onder Cass. 4 maart 2013), NJW 2013, 309-310.
(14)Cass. 8 mei 2014, AR C.13.0451.N, AC 2014, nr. 328, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140508.13.
(15)Cass. 3 maart 2014, AR C.13.0224.F, AC 2014, nr. 165, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140303.1.
(16)Cass. 4 maart 2013, AR C.09.0205.F, AC 2013, nr. 140, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130304.2.
(17)GwH 5 mei 2011, nr. 61/2011, ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.061.
(18)Cass. 15 februari 2024, C.23.0129.N, arrest niet gepubliceerd, RW 2024-25 (samenvatting), afl. 5, 184.
(19)Cass. 25 maart 2003, AR P.02.1097.N, AC 2003, nr. 199, met concl. van M. DE SWAEF, advocaat-generaal, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030325.6, TBH 2003, 665, noot G. JOCQUÉ (het Hof verwerpt een grief met betrekking tot de miskenning van de bewijskracht van een verzekeringspolis door te stellen dat die polis niet voorzag in een verval van dekking voor de opzettelijke fout van een persoon waarvoor de verzekerde civielrechtelijk aansprakelijk is. In casu doen zich gelijkaardige feiten voor, daar de eiseres civielrechtelijk aansprakelijk is voor de fouten van de bestuurder, doch de polis geen verval van dekking bedingt voor dergelijke fouten); T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verzekeringsrecht, Brussel, Intersentia 2016, 269.
(20)Vgl. G. JOCQUÉ, “Burgerlijk aansprakelijken verzekerd bij opzettelijk veroorzaakte schade” (noot onder Cass. 25 maart 2003, AR P.02.1097.N, AC 2003, nr. 199), TBH 2003, 673, voetnoot 4 (“hierbij wordt er eveneens op gewezen dat in hoofde van de burgerlijk aansprakelijke [te weten de verzekerde ouders van het kind dat een opzettelijke fout stelde] geen afbreuk wordt gedaan aan het aleatoir karakter van de verzekeringsovereenkomst gezien hij niet zelf de verwezenlijking van het risico heeft veroorzaakt”).
(21)R. VANDEPUTTE, Inleiding tot het verzekeringsrecht, Antwerpen, Standaard, 1978, 138-139 (“Natuurlijk kan men verzekerd zijn voor de aansprakelijkheid die men draagt in verband met de zware schuld bedreven door een aangestelde (art. 1384 BW)”); J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, IV, Brussel, Bruylant 1965, 75-76 (“En revanche, les dommages causés par la faute personnelle simple de l’assuré sont normalement couverts par l’assurance; il en est de même des dommages causés par la faute ou même par le fait volontaire des préposés de l’assuré”). Vgl. T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verzekeringsrecht, Brussel, Intersentia 2016, 269 (“De opzettelijke daad van een derde, die niet de begunstigde is, behoort daarentegen wel tot de alea van de overeenkomst, en is daarom ook verzekerbaar”). PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250314.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250314.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030325.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061005.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130304.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140303.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140508.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.4 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220512.1N.4 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div