id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 maart 2025 EC
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Verzoek tot verhoor van een getuige à charge - Criteria voor het niet-horen van een getuige ter zitting - Toepassing op het horen van een oorspronkelijke medebeklaagde - Beoordeling - Vermelding van de concrete omstandigheden van de beslissing - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Verzoek tot verhoor van een getuige à charge - Criteria voor het niet-horen van een getuige ter zitting - Toepassing op het horen van een oorspronkelijke medebeklaagde - Beoordeling - Vermelding van de concrete omstandigheden van de beslissing - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 190 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 4 - 7 Het recht op bijstand van een advocaat, dat verbonden is met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan worden verplicht zichzelf te incrimineren, zijn rechten die gelden in personam en in beginsel bijgevolg slechts kunnen worden ingeroepen door degene ten aanzien van wie die rechten werden miskend; een beklaagde kan zich evenwel beroepen op de miskenning van die rechten als verweer tegen belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, hetzij wanneer die andere beklaagde, die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt, hetzij wanneer blijkt dat ingevolge de miskenning van die rechten er ongeoorloofde druk werd uitgeoefend op die andere beklaagde en zijn verklaringen onbetrouwbaar zijn; wanneer een beklaagde aanvoert dat voor hem belastende verklaringen, afgelegd door een andere beklaagde zonder de bijstand van een raadsman hoewel hij op die bijstand gerechtigd was, uit het debat moeten worden geweerd, kan de rechter zich niet ertoe beperken na te gaan of die andere beklaagde de miskenning heeft ingeroepen van zijn recht op bijstand van een raadsman en op die grond zijn verklaringen heeft ingetrokken; hij dient ook na te gaan of de miskenning van het recht op bijstand van een advocaat niet ertoe heeft geleid dat die andere beklaagde zijn belastende verklaringen heeft afgelegd onder ongeoorloofde druk waardoor de betrouwbaarheid ervan is aangetast
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Verhoor van een verdachte door de politie - Recht op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens het verhoor - Belastende verklaringen afgelegd door een oorspronkelijke medebeklaagde zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat en verwittiging van het zwijgrecht - Toelaatbaarheid van de verklaringen als bewijs - Voorwaarden - Toepassing van de voorwaarden door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens het verhoor - Verhoor van een verdachte door de politie - Belastende verklaringen afgelegd door een oorspronkelijke medebeklaagde zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat en verwittiging van het zwijgrecht - Toelaatbaarheid van de verklaringen als bewijs - Voorwaarden - Toepassing van de voorwaarden door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Verhoor van een verdachte door de politie - Recht op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens het verhoor - Belastende verklaringen afgelegd door een oorspronkelijke medebeklaagde zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat en verwittiging van het zwijgrecht - Toelaatbaarheid van de verklaringen als bewijs - Voorwaarden - Toepassing van de voorwaarden door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Strafzaken - Verhoor van een verdachte door de politie - Recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor - Belastende verklaringen afgelegd door een oorspronkelijke medebeklaagde zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat en verwittiging van het zwijgrecht - Toelaatbaarheid van de verklaringen als bewijs - Voorwaarden - Toepassing van de voorwaarden door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.24.1431.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De voorwaarden van de toelaatbaarheid als bewijs van belastende verklaringen van een oorspronkelijke medebeklaagde afgelegd voor de politie zonder verwittiging van het zwijgrecht en zonder mogelijkheid van het recht op bijstand van een advocaat en de beoordeling van die voorwaarden in het kader van een verzoek tot heropening van de strafrechtspleging (artt. 6.1. en 6.3.c EVRM en art. 47bis en 442quinquies Sv.)”. 1. Verzoeker D.L. heeft een ontvankelijk verzoekschrift ingediend tot heropening ingevolge de beslissing van het Europees Hof te Straatsburg van 13 juni 2024 tot doorhaling van de zaak, na een unilaterale verklaring van de Belgische Staat (art. 442, § 2quater Sv.)
(1).
- Het hof van beroep te Antwerpen heeft op 24 september 2015 verzoeker veroordeeld in twee samengevoegde zaken, deze van handel in cocaïne in 2009 (2014/CO/112) en het telen van cannabis in 2010 en 2011(2013/CO/1222). De opgelegde hoofdstraffen zijn 6 jaar gevangenisstraf en 55.000 euro geldboete in de eerste zaak en 4 jaar gevangenisstraf en 11.000 euro in de tweede zaak. Verder werd in elke zaak de verbeurdverklaring van illegaal vermogen uitgesproken (10.713 euro in de eerste zaak en 84.182 euro in de tweede zaak). Bij arrest van 16 februari 2016 heeft het Hof zijn cassatieberoep verworpen (P.15.1327.N, niet gepubliceerd).
- De Belgische regering is van mening, in haar unilaterale verklaring (art. 37 EVRM), dat de procedure op twee punten in strijd is met artikel 6 EVRM: 1°De veroordeling steunt deels op de verklaring van medebeklaagden die niet waren bijgestaan door een advocaat en 2°verzoeker had in de zaak van cannabis niet de mogelijkheid om getuigen à charge te doen ondervragen op de terechtzitting, onder eed.
- Wat betreft punt 2, blijkt uit de stukken dat verzoeker het getuigenverhoor had gevraagd van zes jongeren, waarvan sommigen minderjarig, die als verdachten belastende verklaringen hadden afgelegd, zonder bijstand van een advocaat en zonder verwittiging van het zwijgrecht. Zij gaven aan dat zij verzoeker herkenden als een persoon die betrokken was bij de plantage.
- Als medeverdachten niet samen met de verzoeker verschijnen voor de strafrechter, voor berechting over dezelfde strafbare feiten, zijn deze medeverdachten te beschouwen als getuigen à charge, die op de terechtzitting een verklaring onder eed kunnen afleggen
(2). De noodzaak tot het horen van getuigen à charge op de terechtzitting, op vraag van de beklaagde
(3), moet worden beoordeeld aan de hand van de drie criteria vooropgesteld in o.a. het arrest Riahi t/België (van 14 juni 2016) over art. 6.3.d EVRM (het recht op het ondervragen of doen ondervragen van getuigen à charge en à décharge). 6. De rechter die de schriftelijke getuigenverklaring als bewijs à charge wil aannemen, moet nagaan of 1°er ernstige redenen zijn die de afwezigheid van de getuige kunnen verantwoorden, zoals ernstige en concrete bedreigingen
(4), 2° de vraag of de belastende verklaring afgelegd tijdens het vooronderzoek het enige of doorslaggevend bewijs vormt, dan wel alleen dient als steunbewijs en 3° er voldoende compenserende waarborgen bestaan voor het niet-horen van de getuige op de terechtzitting?
(5)Aan de hand van deze Riahi-criteria, die elkaar kunnen versterken of aanvullen, dient de rechter na te gaan of het niet-horen van de getuige à charge afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces in zijn geheel. Daarbij ziet het Hof toe op de concrete omstandigheden die de rechter aanwijst voor zijn beslissing over de noodzaak of niet van het getuigenverhoor
(6). 7. Het Hof heeft in de zaak van verzoeker
(7), overeenkomstig vroegere rechtspraak, geoordeeld dat de rechter onaantastbaar oordeelt over de noodzakelijkheid en gepastheid van het gevraagde getuigenverhoor
(8). De beslissing om een getuige à charge niet te horen, omdat dit niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding, leverde volgens het Hof, in 2016, geen schending op van artikel 6 EVRM. Het tweede onderdeel van het eerste middel en het vierde middel over het getuigenverhoor, beperkt tot de zaak van cannabis (2013/CO/1222), werden om die redenen niet aangenomen.
- Naar mijn mening zijn dit onderdeel en dit middel thans gegrond en is er reden voor intrekking van het cassatiearrest op dit punt en heropening van de rechtspleging in het dossier van de cannabisplantage. De procedurele tekortkoming is dermate ernstig dat er ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging.
- Ten tweede voert verzoeker aan dat de heropening moet worden toegestaan, in beide strafzaken, wegens de derdenwerking van de Salduz-waarborgen
(9), meer bepaald de voorafgaande verwittiging van het zwijgrecht (cautieplicht)
(10)en het recht op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens elk verhoor (art. 6.3.c EVRM), als onderdeel van het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM). Het was vaste rechtspraak dat een beklaagde zich niet kon beroepen op het gebrek aan bijstand van een advocaat tijdens het verhoor van een derde, zoals een medebeklaagde die niet samen wordt vervolgd, tenzij die derde zijn verklaringen intrekt
(11). In de klassieke visie hadden Salduz-waarborgen dus een gelding in personam, beperkt tot de ondervraagde persoon. 10. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) nam aan dat de beklaagde onder bepaalde voorwaarden de uitsluiting kan vragen van een voor hem belastende verklaring van een derde, doorgaans een oorspronkelijke medebeklaagde, afgelegd zonder bijstand van een advocaat
(12). In de zaak Tonkov (EHRM 8 maart 2022) waarnaar het arrest EHRM in deze zaak D.L. verwijst, wordt de beoordeling in concreto vooropgesteld. Van belang is nu de vraag of er geen ongeoorloofde druk is uitgeoefend op de medebeklaagde, of er geen misbruik is gemaakt van een kwetsbare positie. Indien de verklaring van de medebeklaagde niet is ingetrokken en betrouwbaar is, hoewel afgelegd zonder bijstand van een advocaat en verwittiging van het zwijgrecht, kan zij toch meewerken tot het bewijs. Uw Hof oordeelde in dezelfde zin, op 6 december 2022, in de zaak Tonkov
(13). 11. Verzoeker voerde in een zevende middel voor uw Hof aan dat de veroordeling in strijd was met de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM. Het Hof oordeelde dat het middel faalt naar recht omdat het recht op bijstand van een advocaat en het zwijgrecht in personam gelden, en verder: “Een beklaagde kan zich in beginsel niet beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen lastens hem afgelegd door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde die zelf van die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de door hem afgelegde verklaringen intrekt”
(14). 12. De overweging van het arrest van 2016 over het zevende middel van verzoeker is moeilijk verenigbaar met het EHRM-arrest Tonkov van 2022, maar lijkt mij geen reden om de heropening van de rechtspleging te bevelen, in de zaak van cocaïne (2014/CO/112). Wanneer de vastgestelde schending van het EVRM
(15)het gevolg is van procedurefouten of tekortkomingen, moet volgens artikel 442quinquies Wetboek van Strafvordering immers voldaan zijn aan twee voorwaarden, om heropening van de rechtspleging te bekomen: 1°de fouten of tekortkomingen moeten dermate ernstig zijn dat er ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging en 2°de veroordeelde of zijn rechthebbenden blijven zeer nadelige gevolgen ondervinden van de rechtspleging, die slechts kunnen worden hersteld door een heropening
(16). 13. Een systeem waarin het Hof van Cassatie enige beoordelingsmarge behoudt over de heropening van de strafrechtspleging, ondanks een vastgestelde schending, is op zich niet in strijd met het EVRM, zoals aangegeven in het arrest Deckmyn van het EHRM
(17). 14. Ik meen dat verzoeker ten onrechte stelt (blz. 30) dat de schending van art. 6.3.c EVRM het gevolg is van een ernstig procedureel verzuim dat een invloed kon hebben op de uitkomst van de zaak. Het is niet omdat de Belgische regering in een unilaterale verklaring een schending van art. 6 EVRM vaststelt, wegens een procedurele tekortkoming, dat het Hof de heropening moet bevelen van de rechtspleging
(18). Bepalend is de vraag of de veroordeling in hoger beroep de toets van art. 6 EVRM kan doorstaan, na een hernieuwd onderzoek van de zaak door het Hof
(19).
- Het hof van beroep oordeelde onder meer dat 1°beide meerderjarige (oorspronkelijke) medebeklaagden hun eerste verklaringen pas hebben afgelegd nadat zij hun advocaat hebben kunnen spreken, 2°er geen objectieve elementen zijn om aan te nemen dat deze beklaagden onder druk werden gezet om een voor de verzoeker belastende verklaring af te leggen, ook niet door valse beloften (zoals het vooruitzicht van een lichtere straf), en 3°geen enkel gegeven wijst op misbruik van de kwetsbare positie van de medebeklaagden, of op misleidende of suggestieve vragen tijdens hun ondervraging door de politie.
- Ik ben van mening dat het hof van beroep te Antwerpen in de zaak van cocaïne nauwkeurig heeft onderzocht of de belastende verklaringen van oorspronkelijk medebeklaagden S. en F. afgelegd zonder bijstand van een advocaat en zonder verwittiging van het zwijgrecht betrouwbaar zijn. Mij komt voor dat zelfs als de redenen die het Hof in 2016 aangaf om het cassatieberoep te verwerpen niet meer verenigbaar zijn met de latere rechtspraak van het EHRM, de verzoeker geen aanspraak maakt op heropening, als de appelrechters een juiste beslissing hebben genomen, die ook stand houdt na latere EHRM-rechtspraak (arrest Tonkov), aangehaald in het verzoekschrift tot heropening.
- Het zevende middel over artikel 6.3.c EVRM, ingeroepen tegen de veroordeling wegens cocaïneverkoop (2014/CO/112), kan om die reden na hernieuwd onderzoek niet worden aangenomen. De rechtsregel (van het arrest van 16 februari 2016) in het zevende middel kan worden aangevuld, in die zin dat verklaringen van een oorspronkelijke medebeklaagde afgelegd zonder verwittiging van het zwijgrecht en zonder mogelijkheid van bijstand van een advocaat in twee gevallen onbruikbaar zijn als bewijs, namelijk 1°als de medebeklaagde zijn verklaring intrekt wegens miskenning van zijn recht op bijstand van een advocaat (zoals gesteld in het arrest van 16 februari 2016) en 2°als de verklaringen onbruikbaar zijn door ongeoorloofde druk (valse beloftes, listen, bedreigingen, geweld). Aan de vereiste van een ernstige procedurefout of tekortkoming die een ernstige twijfel doet bestaan over de uitkomst van de bestreden strafprocedure, als voorwaarde voor de heropening van de strafrechtspleging, is aldus niet voldaan.
- In de zaak van de cannabisplantage (2013/CO/1222) lijkt mij een nieuwe beoordeling over die derdenwerking niet vereist, aangezien de medeverdachten die zijn verhoord zonder bijstand van een advocaat dezelfde zijn als de personen die verzoeker als getuige à charge wou oproepen, en het verzoek wat betreft artikel 6.3.d EVRM gegrond voorkomt. Het zesde middel dat verzoeker in cassatie aanvoerde over artikel 6.3.c EVRM, en betrekking had op de zaak van cannabis (2013/CO/1222), moet aldus niet opnieuw worden beoordeeld.
- Mijn conclusie is: a) de heropening van de rechtspleging in de zaak van de cannabisplantage (2013/CO/1222), met intrekking van de onderdelen over de verwerping van het cassatieberoep over het getuigenverhoor (art. 6.3.d EVRM) en de vernietiging van het veroordelend arrest over de schuld, de gerechtskosten en de bijdrage aan het Slachtofferfonds, b) de intrekking van het cassatiearrest in de zaak van cocaïnehandel (2014/CO/122) enkel wat betreft het antwoord op het zevende middel (over o.a. art. 6.3.c EVRM), en verwerping van dit middel na herbeoordeling van het aangevoerde aspect van ongeoorloofde druk op de medebeklaagden S. en F., en c) verwerping van het verzoek tot heropening van de rechtspleging in de zaak van cocaïnehandel. ______________________________________________
(1)EHRM 13 juni 2024, Di Luca t/België, nr. 41572/16.
(2)Cass. 22 november 2022, AR P.22.0989.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12, AC 2022, nr. 750; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0832.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19, AC 2022, nr. 710; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0866.N, AC 2020, nr. 738; ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.3.
(3)Over het aspect van een duidelijke vraag van de beklaagde tot het horen van getuigen à charge zie Cass. 22 oktober 2024, AR P.24.0858.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.5, AC 2024, nr. 697; Cass. 7 november 2023, AR P.23.0916.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7, AC 2023, nr. 709; Cass. 6 december 2022, AR P.22.1026.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.17, AC 2022, nr. 797; Cass. 15 februari 2022, AR P.21.1418.N, AC 2022, nr. 125, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13; Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1144.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6, AC 2021, nr. 167.
(4)Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0343.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4, AC 2022, nr. 417; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, AC 2021, nr. 215, NC 2021, 348; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0783.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.12, AC 2020, nr. 632.
(5)EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery t/Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 december 2015, Schatschachwili t/Duitsland; EHRM 14 juni 2016, Riahi t/België, §28, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET; EHRM 9 mei 2022, Faysal Pamuk t/Turkije, § 46, www.echr.coe.int; Cass. 25 februari 2025, AR P.24.1411.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2, AC 2025, nr. 145; Cass. 26 juni 2024, AR P.24.0554.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.30, AC 2024, nr. 505; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1157.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2, AC 2023, nr. 854; Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1, AC 2023, nr. 696; Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 435, RABG 2022, 1353; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117; T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73, met concl. van advocaat-generaal MORTIER, T. Strafr. 2017, 207; F. VAN VOLSEM, “Het horen op de rechtszitting van getuigen à charge onder eed”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Larcier 2024, 1157-1178; O. MICHIELS en P. KNAEPEN, “Les déclarations non verifiées de témoins au regard du procès équitable”, JT 2016, 485-490; A. BLOCH, “Het horen van getuigen ter rechtszitting als voorwaarde voor een eerlijk proces”, T. Strafr. 2017, 286-307; F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 164-165; C. VAN DE HEYNING, “Het getuigenverhoor na de zaak Riahi: het Hof van Cassatie zoekt zijn weg”, T. Strafr. 2017, 227-229; S. BERNEMAN, “De advocaat, de terrorist en de getuige à décharge: een explosief trio!”, T. Strafr. 2019, 286-287; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2019, 776-779; B. MEGANCK, “Het recht om getuigen à charge op de rechtszitting te horen: het sprookje van Soufiane Riahi en de drie criteria”, T. Strafr. 2024, 420-433; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol.2, Larcier 2023, 2256-2289; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 46 en 1586-1595.
(6)Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0343.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4, AC 2022, nr. 417; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1, AC 2022, nr. 310, noot OM; Cass. 15 februari 2022, AR P.21.1418.N, AC 2022, nr. 125; Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0252.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2, AC 2021, nr. 443, NC 2022, 383; Cass. 4 mei 2021, AR P.21.0081.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5, AC 2021, nr. 321, NC 2022, 380; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, AC 2021, nr. 215, NC 2021, 348.
(7)Cass. 16 februari 2016, AR P.15.1327.N, niet gepubliceerd in AC.
(8)Cass. 16 februari 2016, AR P.15.1327.N, zaak van verzoeker, (1e middel, 2e onderdeel en 4e middel). Over deze visie van een ruime appreciatievrijheid van de vonnisrechter over het horen van getuigen, voorafgaand aan vermelde Riahi-criteria, zie o.a. Cass. 27 april 1999, AR P.97.0860.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990427.8, AC 1999, nr. 241; Cass. 10 september 2002, AR P.02.0496.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020910.13, AC 2002, nr. 433; Cass. 17 december 2002, AR P.02.0027.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021217.9, AC 2002, nr. 675; Cass. 13 april 2005, AR P.05.0263.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050413.5, AC 2005, nr. 221; Cass. 8 april 1998, AR P.97.1692.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980408.11, AC 1998, nr. 195; Cass. 25 september 2012, AR P.11.2087.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120925.3, AC 2012, nr. 485; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol.2, Larcier 2006, 439-440; T. DECAIGNY, Tegenspraak in het vooronderzoek, Intersentia 2013, 436-476.
(9)EHRM 27 november 2008, Salduz t/Turkije. Zie ook EHRM 13 september 2016, Ibrahim t/Verenigd Koninkrijk; EHRM 9 november 2018, Beuze t/België, www.echr.coe.int Zie alf. F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Vol.2, Larcier 2023, 2107-2202.
(10)EHRM 28 april 2022, Wang t/Frankrijk, NC 2022, 266; EHRM 28 april 2022, Dubois t/Frankrijk, www.echr.coe.int; Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1286.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12, AC 2022, nr. 84; Cass. 24 maart 2020, AR P.19.0571.N, AC 2020, nr. 211, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1N.1/NL" rel="balloon_none" title="Vonnis/arrest ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1N.1" target="_new" >ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1N.1; M. COLETTE, “Bij politieverhoor asymmetrische verhouding tussen justitie en verdachte. EHRM bestendigt institutionele benadering van bijstandsrecht”, NC 2022, 275-281; T. MESSIAEN en D. SEGERS “Het recht op bijstand bij sociale inspectie: vrij om te gaan, maar beperkt in rechten van verdediging?”, RABG 2022, 996-1007.
(11)Cass. 11 december 2018, AR P.18.0791.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5, AC 2018, nr. 702; Cass. 1 april 2014, AR P.12.1334.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.1, AC 2014, nr. 252; Cass. 30 april 2013, AR P.12.1133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2, AC 2013, nr. 269; Cass. 29 november 2011, AR P.11.0113.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.2, AC 2011, nr. 651, met concl. van advocaat-generaal DUINSLAEGER.
(12)EHRM 8 maart 2022, nr. 41115/14, Tonkov t/België, §64-68; EHRM 4 september 2018, nr. 28338/07, Ömer Güner t/Turkije, §39-40; EHRM 11 februari 2014, nr. 29724/08, Siray t/Turkije, §29, www.echr.coe.int.
(13)Cass. 6 december 2022, AR P.22.1130.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.19, AC 2022, nr. 798, RO 19, met concl. van advocaat-generaal WINANTS, RW 2023-24, 267.
(14)Cass. 16 februari 2016, AR P.15.1327.N, zevende middel, zaak D.L., arrest niet gepubliceerd.
(15)Ingevolge een arrest van het EHRM na een procedure waarin de Belgische Staat een schending betwist, een arrest EHRM dat een minnelijke regeling tussen de partijen vaststelt, waarbij de Belgische regering de schending erkent (art. 39 EVRM) of een arrest EHRM op basis van een unilaterale verklaring ingediend door de Belgische regering van erkenning van de schending van het EVRM of een Aanvullend Protocol EVRM, gevolgd door schrapping van de zaak van de rol (art. 37 EVRM).
(16)Vb. Cass. 17 november 2020, AR P.20.0884.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4, AC 2020, nr. 704, met. concl. van advocaat-generaal SCHOETERS; Cass. 16 maart 2022, AR P.21.1300.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220316.2F.16, AC 2022, nr. 196, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas., RDPC 2022, 658; Cass. 30 november 2022, AR P.22.0591.F, AC 2022, nr. 783, met concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 6 december 2022, AR P.22.1130.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.19, AC 2022, nr. 798, met concl. van advocaat-generaal WINANTS, RW 2023-24, 267; Cass. 20 december 2022, AR P.22.1136.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.25, AC 2022, nr. 841, met concl. van advocaat-generaal. WINANTS. Zie alg. K. LEMMENS en P. LEMMENS, “De herziening of heropening van de strafprocedure: een passend middel tot herstel van een schending van fundamentele rechten”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 571-590; F. VAN VOLSEM, “Tien jaar toepassing van de heropening van de rechtspleging in strafzaken in België”, in 50 jaar Gerechtelijk Wetboek. Wat nu ? Hommage Ernest Krings & Marcel Storme, Larcier 2018, 661-698; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1887-1906; F. KRENC, “La Cour européenne des droits de l’homme et la Cour de Cassation. Les vertus du dialogue”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier 562- 584; P. LEMMENS, “Om-gaan met Straatsburg. De heropening door het Hof van Cassatie van een nationale strafprocedure”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier 609-628; S. VAN OVERBEKE, “De beslissing tot heropening van de rechtspleging in strafzaken: Straatsburg locuta, causa non finita?”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier 1091-1118.
(17)EHRM 7 november 2023, Deckmyn t/België, §43-46, ingevolge Cass. 16 maart 2022, AR P.21.1300.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220316.2F.16, AC 2022, nr. 196, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.. Over de beoordelingsmarge van het Hof van Cassatie over de ernst en de impact van de procedurele schending van het EVRM, wat in een bepaalde mate een feitenonderzoek impliceert, zie S. VAN OVERBEKE, “De beslissing tot heropening van de rechtspleging in strafzaken: Straatsburg locuta, causa non finita?”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier, 1108-1115.
(18)Over dit aspect zie S. VAN OVERBEKE, “De beslissing tot heropening van de rechtspleging in strafzaken: Straatsburg locuta, causa non finita?”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier, 1108-1114.
(19)Zie Cass. 30 november 2022, AR P.22.0591.F, AC 2022, nr. 783, met concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221130.2F.19, S. VAN OVERBEKE, “De beslissing tot heropening van de rechtspleging in strafzaken: Straatsburg locuta, causa non finita?”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier, 1106. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980408.11 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990427.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020910.13 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021217.9 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050413.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120925.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140401.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.12 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220316.2F.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221130.2F.19 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.17 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.19 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.25 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.30 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.5 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div