id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250321.1N.7 Rolnummer: F.22.0137.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-05-06 Raadplegingen: 276 - laatst gezien 2026-06-15 03:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250321.1N.7 Fiche De woorden “door toedoen van de overheid” geven aan dat de vertraging waarmee de baten worden betaald, niet kan worden toegeschreven aan de begunstigde ervan; een vertraging die voortvloeit uit de wettelijke of reglementaire procedure die diens rechtsverhouding met de overheid bepaalt, kan niet aan hem worden toegeschreven
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Berekening van de aanslag - Afzonderlijke aanslagen Vrije woorden: Bijzonder belastingstelsel - Baten - Vertraging betaling door toedoen van de overheid - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 171 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.22.0137.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. De betwisting betreft een aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2010 en meer bepaald de vraag of een bedrag van 31.000 euro aan achterstallige erelonen, die eerste verweerder ontving voor prestaties als departementsadvocaat van het Ministerie van Financiën, in aanmerking komt voor taxatie aan het afzonderlijk tarief bedoeld in artikel 171, 6°, 2de streepje, WIB
- De rechtbank van eerste aanleg te Brussel oordeelde bij vonnis van 13 oktober 2015 dat het afzonderlijk tarief van artikel 171, 6° WIB92 niet van toepassing was. Bij arrest dd. 20 april 2021 deed het hof van beroep te Brussel het vonnis van de eerste rechter teniet en onthief de bestreden aanslag in de personenbelasting in de mate dat een bedrag van 28.454,90 euro aan achterstallige baten werd opgenomen in de progressief belastbare baten en niet afzonderlijk werd belast overeenkomstig artikel 171,6° WIB92, en in de mate dat een belastingverhoging van 10 % werd opgelegd. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. EERSTE ONDERDEEL. Eerste en tweede subonderdeel. 2.
- De schending wordt aangevoerd van art. 2 van het KB van 22 december 1919, het M.B. van 30 november 2009 en art. 171, 6°, 2de streepje WIB
- Eiser voert in het eerste subonderdeel aan dat de appelrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat de "nabetaling" betrekking heeft op diensten geleverd door eerste verweerder gedurende een periode van meer dan 12 maanden. Volgens eiser betreft de “nabetaling” geen baten die betrekking hebben op een periode van meer dan 12 maanden geleverde diensten, doch een premie voor diensten geleverd in een periode van 12 maanden (in casu 2008). In het tweede subonderdeel voert eiser aan dat art. 171, 6°, 2de streepje WIB92 enkel toepasselijk is op baten die in éénmaal worden vergoed, terwijl de "nabetaling" deel uitmaakt van de wettelijk geregelde jaarlijkse abonnementsvergoeding van departementsadvocaten die in verschillende malen wordt betaald. 2.
- Met de redenen vermeld op p. 7, vierde alinea tot en met p. 8, laatste alinea, van het arrest stelt de appelrechter in feite vast dat de kwestieuze premie een eenmalige betaling was en dat de baten betrekking hebben op een periode van meer dan twaalf maanden geleverde arbeid en diensten. Het eerste onderdeel komt in zijn beide subonderdelen op tegen deze feitelijke beoordelingen van de appelrechter en is m.i. bijgevolg niet ontvankelijk. TWEEDE ONDERDEEL. 2.
- Eiser voert aan dat de appelrechter art. 171, 6°, 2de streepje WIB92 schendt, voor zover nodig samen gelezen met de strikte interpretatieregels die gelden in het fiscaal recht en art. 170 en 172 G.W., door als volgt te oordelen: "Het gegeven dat een departementsadvocaat blijkbaar instemt met de wijze waarop vergoedingen zullen worden uitgekeerd (…) sluit niet uit dat het hier nog bedoeld deel van de vergoeding wel degelijk door toedoen van de overheid niet blijkt te zijn uitbetaald "in het jaar van de prestaties" zoals bedoeld in artikel 171, 6° WIB
- Dat de departementsadvocaat instemde met deze modaliteit van de betaling, sluit immers voor het hier bedoelde en te, aanvaarden deel van de premie (als belastbaar aan het afzonderlijk tarief) niet uit dat artikel 171, 6° WIB92 ervoor kan worden toegepast". Volgens eiser dient bij twijfel omtrent de betekenis van het begrip "door toedoen van de overheid" immers teruggegrepen te worden naar de parlementaire voorbereidingen en daarin zou duidelijk worden aangegeven dat de wetgever het voordelig belastingregime voorzien in art. 171, 6°, 2de streepje WIB92 niet van toepassing wenste te maken op het kwestieuze aanvullend ereloon dat deel uitmaakt van het wettelijk vergoedingssysteem voor departementsadvocaten waartoe eerste verweerder, vrijwillig is toegetreden en aldus heeft mee ingestemd. 2.
- Overeenkomstig artikel 171, 6°, 2de streepje, WIB92 zijn afzonderlijk belastbaar tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten, de in artikel 23, § 1, 2°, WIB92 vermelde baten die betrekking hebben op diensten die gedurende een periode van meer dan twaalf maanden worden geleverd en die door toedoen van de overheid niet zijn betaald in het jaar van de prestatie maar in eenmaal worden vergoed, en zulks uitsluitend voor het evenredig deel dat een vergoeding van twaalf maanden prestaties overtreft. Deze bepaling mildert dus de belastbaarheid van sommige baten, met name baten die betrekking hebben op gedurende een periode van meer dan 12 maanden geleverde diensten die door toedoen van de overheid niet zijn betaald in het jaar van de prestaties, maar in eenmaal worden vergoed. Het evenredige deel dat een vergoeding van 12 maanden prestaties overtreft wordt niet onderworpen aan het gewone progressieve tarief in de personenbelasting, maar wordt afzonderlijk belast aan het gemiddeld tarief van het aanslagjaar. De hier voorliggende rechtsvraag betreft de interpretatie van de notie “door toedoen van de overheid”. 2.
- Aanvankelijk oordeelde het Hof dat de bewoordingen “door toedoen van een openbare overheid” betekenen dat de laattijdigheid van de uitbetaling of van de toekenning van de bezoldiging “te wijten moet zijn aan een openbare overheid”
(1). Nadien verstrengde het Hof zijn rechtspraak en oordeelde dat de laattijdigheid van de betaling of van de toekenning van de bezoldigingen te wijten moet zijn aan een fout of aan een nalatigheid van de overheid
(2). Deze laatste benadering werd door het Grondwettelijk Hof evenwel strijdig bevonden met de Grondwet
(3). De fiscale administratie heeft haar visie op de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof dd. 25 februari 2016 uiteengezet in een circulaire van 22 september 2016
(4). Volgens de administratie is voor de afzonderlijke taxatie van artikel 171, 6°, 2de streepje, WIB92 geen fout of nalatigheid van de overheid meer vereist, maar moet de laattijdige betaling nog altijd wel door toedoen van de overheid hebben plaatsgevonden. De begunstigde van de laattijdige betaling mag op geen enkele manier zelf aan de oorzaak van de laattijdigheid liggen, al was het maar door de betalingsmodaliteiten die door de overheid worden voorgesteld te aanvaarden (met een overeenkomst of op basis van een reglement). Dit is ook het standpunt dat verweerder in deze zaak aanhoudt. 2.6. Het standpunt van verweerder, dat zou impliceren dat met betrekking tot een advocaat die vrijwillig als departementsadvocaat optreedt, kan worden aangenomen dat hij zelf aan de oorzaak van de laattijdigheid ligt door ‘toe te treden’ tot het systeem dat op hem van toepassing is (en waarin de laattijdigheid van de betaling besloten ligt), kan m.i. niet worden gevolgd. Ter zake kan worden verwezen naar het arrest nr. 65/2017 van 1 juni 2017 van het Grondwettelijk Hof, en meer specifiek naar de prejudiciële vraag nr. 6308 die hierin werd beantwoord m.b.t. de pro deo-vergoeding voor een advocaat die vrijwillig door het bureau voor juridische bijstand wordt aangesteld
(5). In zijn antwoord op deze vraag kiest het Grondwettelijk Hof ervoor de leer van het arrest nr. 30/2016 onverkort toe te passen op de advocaat die vrijwillig een aanstelling door het bureau voor juridische bijstand aanvaardt: “Om dezelfde redenen als die welke in het arrest nr. 30/2016 zijn vermeld, dient de prejudiciële vraag in de zaak nr. 6308 op dezelfde wijze te worden beantwoord” (B.12). Tevens bevestigt het Grondwettelijk Hof zijn rechtspraak dat “de in het geding zijnde bepaling evenwel anders [kan] worden geïnterpreteerd, waarbij de woorden ‘door toedoen van de overheid’ aangeven dat de vertraging niet kan worden toegeschreven aan de belastingplichtige zelf, maar daarnaast niet impliceren dat een fout of een nalatigheid vanwege de overheid kan worden aangetoond” (B.9). Relevant voor onderhavige zaak is dat in de overwegingen van het arrest nr. 65/2017 van het Grondwettelijk Hof wordt benadrukt: “In dat opzicht dient te worden opgemerkt dat de vertraging waarmee de vergoedingen van juridische bijstand door de overheid aan de advocaten worden betaald, te wijten is aan de uitvoering van de procedure die is geregeld bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de vergoeding die aan advocaten wordt toegekend in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand en inzake de subsidie voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand” (B.11.2 waarin B.6.2 van arrest nr. 30/2016 wordt geciteerd). 2.
- Deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof lijkt mij te impliceren dat ook een advocaat die vrijwillig een aanstelling door het bureau voor juridische bijstand aanvaardt, geconfronteerd kan worden met een laattijdige betaling ‘door toedoen van de overheid’, ook al heeft die advocaat zijn aanstelling vrijwillig aanvaard. De vertraging bij de uitbetaling van de vergoedingen wordt dan immers niet veroorzaakt ‘door de instemmende advocaat’ (m.a.w. kan dus niet aan de belastingplichtige zelf worden toegeschreven), maar wel door de uitvoering van de wettelijke procedure. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor een departementsadvocaat die instemt met de vergoedingswijze van een abonnement en een nabetaling van buitengewone prestaties zoals die bij KB en MB wordt gereglementeerd. De vertraging bij de uitbetalingen van vergoedingen in gevolge dergelijke wettelijke of reglementaire procedures lijkt mij duidelijk te onderscheiden van de vertraging ingevolge een individuele contractuele regeling met betaalafspraken waarin de partijen over vrije onderhandelingsmarge beschikken, in welk geval artikel 171, 6° WIB92 niet zou kunnen worden toegepast. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de laattijdigheid toe te schrijven is aan de begunstigde van de inkomsten wanneer deze de betalingsmodaliteiten die door de overheid worden voorgesteld bij de toetreding aanvaardt, lijkt mij op een onjuiste rechtsopvatting te berusten en bijgevolg te falen naar recht.
- Besluit: Verwerping. _______________________________________________
(1)Cass. 23 januari 1974, AC 1974, 572, ECLI:BE:CASS:1974:ARR.19740123.1.
(2)Cass. 23 april 2010, AR F.08.0042.F, AC 2010, nr. 277, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100423.3.
(3)GwH, 25 februari 2016, nr. 30/2016, ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.030: - “In het licht van het doel dat erin bestaat de onrechtvaardige gevolgen te corrigeren van een strikte toepassing van de progressiviteit van de belasting op de vergoedingen die worden betaald door een overheid in de loop van een jaar dat niet dat van de prestaties is, is het criterium van de fout of de nalatigheid van een overheid die de vertraging van de betaling heeft veroorzaakt, niet relevant om een verschil in behandeling onder belastingplichtigen in te voeren. De uitgestelde betaling, in eenmaal, van prestaties die zijn verricht over meer dan een jaar, heeft immers dezelfde gevolgen voor de berekening van de verschuldigde belasting, ongeacht de oorzaak van het feit dat de vergoedingen niet op getrapte wijze en in de loop van het jaar van de prestaties zijn betaald” (B.7); - “wanneer het uitstel van betaling niet toe te schrijven is aan de begunstigde van de inkomsten, is het niet verantwoord het voordeel van de toepassing van de in het geding zijnde bepaling toe te kennen aan de belastingplichtigen die een fout of een nalatigheid vanwege de overheid die die inkomsten verschuldigd is, kunnen aantonen, en het niet toe te kennen aan diegenen die een dergelijke fout of nalatigheid niet kunnen aantonen, terwijl noch de enen, noch de anderen op enigerlei wijze ervoor konden zorgen dat de vergoedingen op getrapte wijze en sneller worden betaald” (B.7); - “in die interpretatie dat artikel 171, 6°, tweede streepje, van het WIB 1992 vereist dat de niet-tijdige betaling toe te schrijven is aan een fout of aan een nalatigheid van de overheid opdat de belastingplichtige een afzonderlijke belasting kan genieten, is die bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet” (B.8); - “de in het geding zijnde bepaling kan evenwel anders worden geïnterpreteerd, waarbij de woorden “door toedoen van de overheid” aangeven dat de vertraging niet kan worden toegeschreven aan de belastingplichtige zelf, maar daarnaast niet impliceren dat een fout of een nalatigheid vanwege de overheid kan worden aangetoond. In die interpretatie voert de in het geding zijnde bepaling niet het in B.2 omschreven verschil in behandeling in en is zij bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet” (B.9). Zie ook de bespreking van dit arrest in de rechtsleer: J. VAN DYCK, “Prod deo vergoedingen: toch soms belastbaar als achterstallen”, Fiscoloog, afl. 1466, 7-8; P. VAN EYSENDEYCK, “Grondwettelijk Hof mildert de belastbaarheid van pro deo-vergoedingen”, TFR 2016, p. 586; Voor een bespreking van deze evolutie in de rechtspraak, zie ook J. PICAVET en F. STÉVENART-MEEÚS, “Grandeur et servitude des devoirs fiscaux de l’avocat à l’épreuve de la Constitution”, Le pli juridique n° 55, 2021, p. 57.
(4)Circ. AAFisc 30/2016 (Ci 707.214), 22 september 2016 (oorspronkelijke versie).
(5)GwH, 1 juni 2017, nr. 65/2017, ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.065. Aangevoerd werd (A.8): “Ook al verplicht niets een advocaat om een aanstelling door het bureau voor juridische bijstand te aanvaarden, toch worden de betalingsmodaliteiten van de vergoeding voor de door die advocaat verrichte prestaties door de overheid aangenomen. Noch het bedrag van die vergoeding, noch het tijdstip van de betaling ervan vloeien voort uit een overeenkomst tussen de advocaat en de overheid. En die laatste is noch de cliënte, noch de medecontractante van de advocaat die prestaties verricht in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand. De overheid alleen heeft beslist dat die advocaat pas een vergoeding zou ontvangen gedurende een later jaar dan het jaar waarin hij zijn prestaties heeft verricht”. De Ministerraad voerde hiertegen aan (A.11): “Van een afzonderlijke belasting van die inkomsten kan immers geen sprake zijn omdat de advocaat, door zich in te schrijven op de lijst met de advocaten die zulke prestaties wensen te verrichten, instemt met de betalingsmodaliteiten van de vergoeding die zijn bepaald bij het koninklijk besluit van 20 december 1999 en, bijgevolg, met het feit dat hij die vergoeding pas zal ontvangen in een later jaar dan dat van zijn prestaties. Die betalingsmodaliteiten kunnen dus niet worden beschouwd als een “toedoen van de overheid” omdat zij voortvloeien uit een overeenkomst”. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250321.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250321.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1974:ARR.19740123.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100423.3 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.030 ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div