← België

FAMIFED contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3N.1 Rolnummer: S.17.0095.N Zaak: FAMIFED contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-06-17 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-06-18 13:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250324.3N.1 Fiches 1 - 2 De in artikel 68 Verordening (EG) nr. 883/2004 beoogde ‘grond waarop de rechten worden verkregen' ziet niet op de grondslag waarop het recht op gezinsuitkeringen in de bevoegde Lid-Staat wordt geopend, maar wel op de grondslag waarop de verzekerde aan de wetgeving van die bevoegde Lid-Staat is onderworpen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening 883/2004 - Gezinsbijslagen - Toepasselijke wetgeving Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 68 Thesaurus CAS: GEZINSBIJSLAG - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordening 883/2004 - Toepasselijke wetgeving Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 68 Tekst van de conclusie S.17.0095.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, gewezen op 22 september
  2. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
  3. Wat betreft het eerste onderdeel. a. Probleemstelling. In het eerste onderdeel betreft de problematiek de toepassing van de artikelen 67 en 68 van de Verordening nr. 883/2004, inzonderheid of en hoe deze regels zich verhouden ten aanzien van Titel II, inzonderheid artikel 11, van dezelfde verordening inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving. Uit de bestreden beslissing komt naar voor dat appelrechters oordeelden dat dit artikel 68 doelt op de specifieke toekenningsregels van de nationale gezinsbijslag regelgeving zelf en dat dit de grondslag is om de prioriteit van bevoegde lidstaat vast te stellen. c. Beoordeling. Het standpunt van de appelrechters kan niet worden bijgetreden. Het zijn immers de bepalingen van artikel 11 van de verordening die de basis vormen voor wat te lezen is in de artikelen 67 en 68 van de verordening. Vooreerst is er het artikel 67 dat betrekking heeft op de vaststelling van het toepasselijk sociale zekerheidsrecht. De zinsnede, in deze bepaling, waar men leest “de wetgeving van de bevoegde lidstaat” betreft dan ook de lidstaat die wordt bepaald krachtens wat aan te treffen is in artikel 11
(1), voor het huidige geschil betreft dit artikel 11,
  1. Vervolgens hebben we artikel
  2. Die regelt de prioriteitsregels, te weten wat de volgorde is waarin lidstaten de gezinsbijslagen moeten uitbetalen. Dit betreft een getrapt systeem. De eerste stap bestaat erin te bepalen wat de criteria zijn waarop gesteund werd om het toepasselijk socialezekerheidsrecht vast te stellen. Op basis van de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan, blijkt dat de vader werkzaam was als Duits diplomaat, terwijl de moeder een Belgische diplomate was. De toepassing van de artikelen 67, juncto artikel 11, 3, b), van de verordening heeft dan ook tot gevolg dat respectievelijk de Duitse en Belgische sociale zekerheidsregelgeving van toepassing was. Het is duidelijk dat, op basis van de artikelen 67, juncto 11, het toepasselijk sociale zekerheidsrecht op dezelfde grond wordt vastgesteld
(2). In casu was die op basis van tewerkstelling. Eénmaal de maatstaf, die werd gehanteerd om het toepasselijk sociale zekerheidsrecht te bepalen gekend is, volgt de tweede stap. Deze heeft plaats op grond van de bepalingen van artikel 68. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de situatie waar de gronden dezelfde zijn dan wel verschillend. Bij identieke gronden, zoals in casu, is artikel 68, eerste lid, b), i) van toepassing. Waaruit voortvloeit dat de prioritaire lidstaat deze is van de woonplaats van de kinderen. Derhalve de appelrechters die oordelen dat het recht op gezinsbijslag in hoofde van de vader niet geopend was op grond van werkzaamheden doch op grond van woonplaats, gelet op de bepalingen van § 62 van het Duitse Einkommenssteurgesetz, verantwoorden niet naar recht dat de Belgische regelgeving prioritair is. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: cassatie. _____________________________________________________
(1)F. PENNINGS, European Social Security Law, Cambridge, Intersentia Ltd, 2022, p. 308; F. SCHREIBER, A WUNDER en S. DERN, VO (EG) Nr. 883/2004 Europäische Verordnung zur Koordinierung der Systeme der Sociale Sicherheit – Kommentar, Munchen, Verlag C.H. BECK, 2012, p. 318; Bundesfinanzhof 25 juli 2019, ECLI:DE:BFH:2019:U.250719.IIIR34.18.0 https://www.bundesfinanzhof.de/de/entscheidung/entscheidungen-online/detail/STRE201910251/ randnummer 21 en Assessment of the impact of amendments to the EU social security coordination rules to clarify their relationship with Directive 2004/38/EC as regards economically inactive persons p. 26 en 27.
(2)Assessment of the impact of amendments to the EU social security coordination rules to clarify their relationship with Directive 2004/38/EC as regards economically inactive persons p. 27 en 28. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250324.3N.1 citeert: ECLI:DE:BFH:2019:U.250719.IIIR34.18.0 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.