← België

Telenet Group contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 maart 2025 EC

Art. 4

, 1° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen

Art. 5

, § 2, 2° en 3° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen

Art. 18

, §§ 1, tweede lid en 2, 2° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Richtlijn 2000/78/EEG - Aanvullende regelingen sociale zekerheid - Arbeidsbetrekkingen - Werkgever - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen

Art. 4

, 1° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen

Art. 5

, § 2, 2° en 3° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen

Art. 18

, §§ 1, tweede lid en 2, 2° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Tekst van de conclusie S.22.0009.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:

  1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het arbeidshof te Brussel gewezen op 4 januari
  2. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
  3. Wat betreft het eerste onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is in onderhavig onderdeel gaat over de toepassing van artikel 18, § 2, 2°, van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. Deze bepaling betreft de forfaitaire schadevergoeding voor het slachtoffer van de discriminatie zo dit plaatsheeft in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid. In concreto stelt zich de vraag naar de invulling van het begrip “werkgever” waarvan sprake in § 2, 2° van het voormelde artikel
  4. Dient dit begrip in die zin ingevuld te worden dat deze bepaling enkel van toepassing is wanneer het gaat om een werkgever in de strikt arbeidsrechtelijke betekenis, dus wanneer er sprake is van een dienstverband zoals dit begrepen wordt in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet dan wel dat dit een ruimere invulling kent? De overeenkomst die aan de basis ligt van huidig geschil betreft, zoals blijkt uit de niet bestreden vaststellingen van de appelrechters, een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking tussen de rechtsvoorganger van eiseres en derde verweerster, waarin bedongen werd dat de prestaties exclusief dienden te worden geleverd door een geïdentificeerde natuurlijke persoon zijnde de manager B. van derde verweerster, waarvan enkel met akkoord van de rechtsvoorganger van eiseres kon worden afgeweken

(1). Het standpunt van eiseres is dat, opdat er sprake kan zijn van de toepassing van het voormelde artikel 18, § 2, 2°, er een arbeidsovereenkomst tussen de desbetreffende partijen dient te bestaan. Voorwaarde waar, in de rechtsverhouding tussen eiseres en de manager van derde verweerster, niet aan voldaan was. c. Beoordeling. In zoverre het onderdeel aanvoert dat er sprake dient te zijn van een arbeidsovereenkomst, voor dat het sanctiesysteem van het hoger aangehaalde artikel 18, § 2, 2° kan worden toegepast, gaat haar standpunt uit van een verkeerde rechtsopvatting uit en faalt dan ook naar recht. Van belang is dat de wet van 2007 een omzetting is van een Europese richtlijn, zijnde Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. De interpretatie en toepassing van de nationale rechtsregels dient dan ook richtlijnconform te gebeuren. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is doorslaggevend bij de richtlijnconforme interpretatie van de nationale regelgeving. Significant in deze is het arrest van 12 januari 2023
(2)waarbij in het bijzonder de aandacht moet gaan naar de overwegingen 43, 44, 45 en 58: “… 43 Richtlijn 2000/78 is derhalve geen handeling van afgeleid Unierecht zoals die welke met name zijn gebaseerd op artikel 153, lid 2, VWEU en die slechts de werknemers als zwakste partij in een arbeidsverhouding beogen te beschermen, maar zij heeft als doel het wegnemen, om redenen van sociaal en algemeen belang, van alle op discriminatiegronden gebaseerde belemmeringen voor de toegang tot bestaansmiddelen en het vermogen om door arbeid een bijdrage te leveren aan de samenleving, ongeacht de rechtsvorm waarin die arbeid wordt verricht (arrest van 2 juni 2022, HK/Danmark en HK/Privat, C 587/20, EU:C:2022:419, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 44 Richtlijn 2000/78 strekt er dus weliswaar toe een breed scala aan beroepsactiviteiten te bestrijken, daaronder begrepen die welke door zelfstandigen worden verricht om in hun levensonderhoud te voorzien, maar dat neemt niet weg dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de activiteiten die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen en de activiteiten die bestaan in het louter leveren van goederen of verrichten van diensten aan een of meer afnemers, die niet onder die werkingssfeer vallen. 45 Opdat beroepsactiviteiten binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 vallen, moeten deze activiteiten derhalve reëel zijn en worden uitgeoefend in het kader van een rechtsbetrekking die door een zekere stabiliteit wordt gekenmerkt. … 58 Uit een teleologische uitlegging van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/78 volgt dus dat het daarin gebruikte begrip „werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden” in ruime zin betrekking heeft op de voorwaarden die van toepassing zijn op elke vorm van arbeid in loondienst en als zelfstandige, ongeacht de rechtsvorm waarin die arbeid wordt verricht. …” Dus een zelfstandige activiteit sluit op zich niet de toepassing van de Richtlijn 2000/78 uit. Inderdaad de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit met het oog op het verwerven van bestaansmiddelen en dat gekenmerkt wordt door een zekere stabiliteit in de rechtsbetrekking tussen de contractspartijen valt onder het toepassingsgebied van de Richtlijn. Uit de niet betwiste vaststellingen van de appelrechters blijkt dat aan de vooropgestelde criteria was voldaan
(3). Er was sprake van een stabiele rechtsbetrekking waarbinnen een persoonlijke beroepsactiviteit wordt verricht. Daar de activiteit valt onder het toepassingsgebied van de Richtlijn dan houdt dit tevens in dat het gevat moet worden door de sanctiemechanismen waarin de nationale regelgever dient te voorzien in toepassing van artikel 17 van deze Richtlijn. Dus, met betrekking tot de in richtlijn beteugelde handeling, dient in het nationale recht een sanctie voorzien te zijn die, luidens het voormelde artikel 17, doeltreffend, evenredig en afschrikkend dient te zijn. Zoals blijkt uit de hoger aangehaalde overweging 58 van het arrest van 12 januari 2023 moet aan het begrippenpaar “werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden” een ruime invulling worden gegeven en dat dit tevens betrekking heeft op een zelfstandige activiteit die voldoet aan de criteria die weerhouden werden in dit arrest van
  1. Derhalve dient aan de begrippen “arbeidsbetrekkingen” en “werkgever” zoals deze weerhouden worden in de wet van 2007, teneinde richtlijn conform te zijn, een gelijkwaardige ruimere invulling te geven. Eén en ander heeft dan ook tot gevolg dat een discriminatoire handeling die zich in dit ruimere toepassingsgebied afspeelt beteugeld wordt door dezelfde bepalingen. De sanctiemechanisme van artikel 18, § 2, 2° van de wet van 2007 is dan ook in dat geval van toepassing. In zoverre het onderdeel de schending van artikel 149 Grondwet aanvoert is het afgeleid en dienvolgens niet ontvankelijk.
  2. Het tweede onderdeel. (…) Conclusie: verwerping. ___________________________________________________
(1)Bestreden beslissing bladzijden 3 en 4.
(2)HvJ 12 januari 2023, C-356/21.
(3)Bestreden beslissing bladzijden 3 en 4. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250324.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.