← België

Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.1 Rolnummer: C.21.0543.N Zaak: Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij contra C. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-05-06 Raadplegingen: 558 - laatst gezien 2026-06-18 20:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250328.1N.1 Fiches 1 - 2 Het recht van terugkoop van de openbare rechtspersoon in geval de gebruiker de economische bedrijvigheid staakt of in geval dat hij de andere voorwaarden tot gebruik niet naleeft, is een persoonlijk recht waarvan de rechtsvordering, bij gebrek aan afwijkende regeling in de Wet Economische Expansie, onderworpen is aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar bepaald in artikel 2262bis, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: Economische expansie - Verkoop van gronden - Recht van terugkoop - Persoonlijke rechtsvordering - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Wet 30 december 1970 betreffende de economische expansie - 30-12-1970 - Art. 32, §§ 1 en 2 - 02 ELI link Pub nr 1970123001 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Duur - Economische expansie - Verkoop van gronden - Recht van terugkoop - Persoonlijke rechtsvordering - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Wet 30 december 1970 betreffende de economische expansie - 30-12-1970 - Art. 32, §§ 1 en 2 - 02 ELI link Pub nr 1970123001 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.21.0543.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 10 mei 2021. Door de eiseres worden er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag aan welke verjaringstermijn het recht op terugkoop bedoeld in artikel 32 van de Wet Economische Expansie is onderworpen
(1). De feiten die ten grondslag liggen van het huidige geschil zijn de volgende. Eiseres verkocht op 17 juni 1994 een perceel aan verweerder met de bedoeling dat deze het goed zou aanwenden voor de oprichting van een schrijnwerkerij en interieurinrichting (deze bedoeling is opgenomen in de verkoopsakte en in de bijzondere voorwaarden is er een recht van terugkoop voor eiseres bepaald wanneer de verweerder zijn bedrijvigheid staakt of in geval van niet-naleving van de voorwaarden van de overeenkomst). De verkoop was aangegaan onder de voorwaarde binnen twee jaren op de grond een gebouw op te richten en binnen de drie jaren de bedrijfsactiviteit aan te vangen. De verweerder heeft dit echter nooit gedaan en in 2017 wou de verweerder het perceel aan één van zijn vennootschappen verkopen. Hij vroeg het akkoord van eiseres hiervoor. Eiseres gaat daar niet mee akkoord en beslist om haar recht op terugkoop uit te oefenen wegens niet-uitvoering van de oprichting van de schrijnwerkerij en interieurinrichting. Op 31 juli 2018 dagvaardt eiseres verweerder met het oog op de terugkoop en het krijgen van een schadevergoeding. De rechtbank van eerste aanleg beval de terugkoop van het perceel tegen de prijs van 30.133,94 euro. Op hoger beroep van verweerder beslist het hof van beroep te Antwerpen bij het bestreden arrest dat de vordering van eiseres is verjaard en dus onontvankelijk is. II. Het middel. In het enig middel verwijt eiseres de appelrechter de artikel 32 van Wet Economische Expansie en artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden door te beslissen dat het recht van wederinkoop dat eiseres wenst uit te oefenen een sanctie is op een inbreuk in hoofde van verweerder op zijn contractueel aangegane verbintenissen, zodat de vordering van eiseres onderworpen is aan de tienjarige termijn van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek en de verjaringstermijn een aanvang nam op het ogenblik dat contractueel is bepaald als de termijn binnen dewelke de bedrijfsactiviteit een aanvang diende te hebben genomen zodat de vordering van eiseres is verjaard terwijl het terugkooprecht er niet toe strekt de koper te sanctioneren maar er wel toe strekt de uitoefening van een economische activiteit op het perceel te garanderen, te bestendigen en de in het algemeen belang door de overheid gedane financiële inspanningen te vrijwaren en dat het terugkooprecht onbeperkt geldt in de tijd, tenzij contractueel anders overeengekomen (wat in casu niet het geval is) en dat de verjaringsregeling van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek niet verenigbaar is met het oogmerk van artikel 32 Wet Economische Expansie. III. Principes en beoordeling. Artikel 32, §§ 1 en 2, Wet Economische Expansie bepalen het volgende: “§
  1. Wanneer een openbare rechtspersoon een tegemoetkoming van de Staat heeft genoten voor de verwerving, de aanleg, of de uitrusting van gronden voor de nijverheid, het ambachtswezen of de diensten, worden die gronden ter beschikking gesteld van de gebruikers door verhuring of door verkoop. In geval van verkoop, moet de authentieke akte clausules bevatten die preciseren:
  2. de economische bedrijvigheid die op de grond zal dienen te worden uitgeoefend alsmede de andere voorwaarden van zijn gebruik;
  3. dat de openbare rechtspersoon of de Staat, vertegenwoordigd door de Ministers die Economische Zaken of Streekeconomie en Openbare werken in hun bevoegdheid hebben, de grond zal kunnen terugkopen in het geval dat de gebruiker de in 1° genoemde bedrijvigheid staakt, of in het geval dat hij de andere voorwaarden tot gebruik niet naleeft. Nochtans, op voorwaarde dat de openbare rechtspersoon hiermede instemt, zal de gebruiker het goed weer kunnen verkopen, in welk geval de akte van wederverkoop de hierboven vermelde clausules moet bevatten. De terugkoop, voorwerp van de in de tweede alinea, sub 2° vermelde clausule, zal geschieden tegen de prijs van de eerste verkoop door de overheid, aangepast overeenkomstig de schommelingen van het door de regering bekendgemaakte indexcijfer van de consumptieprijzen. De infrastructuur en de gebouwen - met uitzondering van het materieel en de outillage - die de gebruiker toebehoren en op de grond zijn gelegen, worden teruggekocht tegen de verkoopwaarde. Indien echter de verkoopwaarde hoger ligt dan de kostprijs, zoals deze in de boekhouding werd opgenomen verminderd met de inzake belastingen aangenomen afschrijvingen, dan zal de terugkoop tegen deze laatste prijs geschieden. De verkoopwaarde en de aldus bepaalde kostprijs worden door de bevoegde rijksdiensten vastgesteld. §
  4. Een openbare rechtspersoon kan geen einde maken aan het gebruik voor de industrie, het ambachtswezen of de diensten, van een grond waarvoor hij een tegemoetkoming van de Staat heeft genoten of die grond verkopen voor andere doeleinden dan het gebruik voor de industrie, het ambachtswezen of de diensten, dan met het akkoord van de Staat, vertegenwoordigd door de in paragraaf 1 genoemde Ministers en onder de door deze laatsten eventueel vastgestelde voorwaarden”. III.
  5. Het toepasselijke recht. Uit de feitelijke gegevens van deze zaak blijkt dat de koop tot stand kwam onder de gelding van de Wet Economische Expansie en dat de eiser in 2017 besliste om beroep te doen op het terugkooprecht en daartoe in 2018 een dagvaarding uitbracht. Gelet op deze feitelijke gegevens is het noodzakelijk om in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het middel na te gaan of de ingeroepen geschonden wetsbepalingen wel van toepassing zijn in deze zaak. De regeling van artikel 30-32 Wet Economische Expansie werd immers vervangen door een nieuwe regelgeving ingevolge het Decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 (verder Decreet van 19 december 2003)
(2). De formele opheffing van de Wet Economische Expansie voor het Vlaamse Gewest kwam er ingevolge het Decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
(3). De regeling in het Decreet van 19 december 2003 werd opgeheven door het Decreet Ruimtelijke Economie van 13 juli 2012 (verder Decreet Ruimtelijke Economie)
(4). In de Afdeling 4 Recht van terugkoop en recht van wederovername (dat artikelen 25 tot 34 bevat) van het Decreet Ruimtelijke Economie wordt de huidige regelgeving in verband met het recht op terugkoop bepaald. De algemene principes uit artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek moeten worden toegepast op deze wetswijzigingen
(5). Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de wet niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden, die zich voordoen of zich voortzetten onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten
(6). Evenwel geldt inzake overeenkomsten de regel dat de oude wet van toepassing blijft, ook op de toekomstige gevolgen, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is of de nieuwe wet uitdrukkelijk de toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten
(7). Uit de rechtspraak van het Hof blijkt ook dat het recht op terugkoop bedoeld in artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie zowel een wettelijk als een conventionele basis heeft
(8). Verdedigen dat de terugkoopregeling enkel een wettelijke basis heeft, zou immers inhouden dat door de opheffing van de wet ook de terugkooprechten zouden worden afgeschaft. Er is dus ook mede een conventionele basis. In principe geldt dan ook volgens mij de eerbiedigende werking van de nieuwe terugkoopregeling. Dit zou anders zijn mocht er worden geoordeeld dat de terugkoopregeling van openbare orde of van dwingend recht zou zijn. Dit is echter volgens mij niet het geval
(9). Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een rechtsregel die in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaalt waarop de maatschappij berust, van openbare orde is
(10). De regeling in artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie is geen regel die de juridische grondslag bepaalt waarop de maatschappij berust. De regeling is volgens mij ook niet van dwingend recht. Zonder opname in de overeenkomst is er immers geen recht van de terugkoop voor de oorspronkelijke verkoper
(11). Uit artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie blijkt bovendien dat er een mogelijkheid tot regulering van het recht op terugkoop is (zowel wat betreft de prijs van de terugkoop als wat betreft de duurtijd van het terugkooprecht). De Wet Economische Expansie beheerst dan ook de gevolgen van een onder de vigeur van die Wet overeengekomen terugkooprecht ongeacht wat de latere decreten daaromtrent hebben veranderd
(12). Terecht roept de eiser dan ook enkel de schending van artikel 32 Wet Economische Expansie in. III.2. De aard van het recht op terugkoop. Het recht op terugkoop kan niet worden gekwalificeerd als een ontbindende voorwaarde. Uit een ontbindende voorwaarde volgt onder meer dat van zodra aan de voorwaarde is voldaan, de ontbinding automatisch volgt. Dit geldt zeker niet voor het recht op terugkoop aangezien de terugvorderende overheid een handeling moet stellen
(13). Het recht op terugkoop betreft ook geen uiting van een uitdrukkelijk ontbindend beding
(14). Een uitdrukkelijk ontbindend beding is afhankelijk van een wanprestatie van de koper. Maar een koper die de bestemming of de gebruiksvoorwaarden van de gekochte grond niet naleeft, begaat niet steeds een wanprestatie (vb. faillissement waaraan de koper geen schuld heeft). Als er geen wanprestatie is, krijgt een uitdrukkelijk ontbindend beding geen uitwerking. Toch is er ook in dit geval een recht op terugkoop. Het recht op terugkoop kan met andere woorden ook niet gekwalificeerd worden als een uitdrukkelijk ontbindend beding. Het is een recht sui generis
(15). Wat ten andere door de Vlaamse decreetgever als dusdanig werd erkend
(16). III.3. De verjaring van de vordering van het recht op terugkoop. In een arrest van 3 december 2015 werd geoordeeld dat artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie, die in een verplichte regeling van terugkoop voorziet, niet belet dat de partijen in de verkoopovereenkomst een termijn kunnen bedingen binnen dewelke het terugkooprecht kan worden uitgeoefend en dat bij gebrek aan een conventioneel bepaalde termijn, het terugkooprecht onbeperkt in de tijd kan worden uitgeoefend
(17). Hiermee is in tegenstelling met wat in de voorziening wordt voorgehouden nog niet gezegd dat het recht van terugkoop niet zou kunnen verjaren. De vraag rijst immers wanneer het recht om de terugkoop opeisbaar wordt, en of het toch niet, in wezen zoals bijna iedere burgerlijke vordering
(18), aan verjaringsregels is onderworpen. Het Hof heeft reeds meermaals beslist dat de artikel 1660 Oud Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op de terugkoop bedoeld in artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie
(19)of op een van de opvolgers ervan omdat de in artikel 1660 Oud Burgerlijk Wetboek bedoelde beperking in de tijd, de bedoeling van de wetgever om de gronden een blijvende economische bestemming te geven, zou ondergraven
(20). Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat dit geen schending inhoudt van artikel 10, 11 en 16 van de Grondwet en van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM
(21). De maximumtermijn van 5 jaar voor het bedongen recht van wederinkoop in artikel 1660 Oud Burgerlijk Wetboek, is ten andere geen verjaringstermijn maar een vervaltermijn
(22). Noch de aard (die zoals hoger is vermeld van (mede) contractuele aard is) noch de doelstellingen van het recht op terugkoop verzetten zich volgens mij tegen een verjaring. Uit de rechtspraak van het Hof blijken volgende doelstellingen ten grondslag te liggen van het recht op terugkoop: 1. de economische expansie stimuleren en aan de bedoelde gronden een blijvende economische bestemming geven
(23); 2. het vrijwaren van de belangrijke financiële inspanningen die de Staat heeft moeten doen voor de aankoop, de aanleg of de uitrusting van de gronden
(24); 3. de stimulering van de economische expansie en haar rechtmatige verdeling onder de gewesten beogen en er mede toe strekken aan de bedoelde gronden een blijvende economische bestemming te geven
(25); 4. het gebruik of het verwerven van gronden afhankelijk maken van de bestendiging van de economische bedrijvigheid die erop wordt uitgeoefend
(26); 5. het louter speculatief oogwenk van de koper uitsluiten
(27). Dit laatste moet wel genuanceerd worden in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat het doel van het recht van terugkoop om speculatief oogmerk bij de koper afleidt uit het feit dat de terugkoop wettelijk gebeurt aan de initiële koopprijs
(28). Enkel speculatie met het oog op de terugverkoop aan de verkopende overheid wordt dus geviseerd
(29). Verjaring heeft in de regel tot doel na verloop van tijd de rust in de maatschappij te doen terugkeren en bij te dragen tot de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling
(30). Advocaat-generaal GENICOT benadrukte reeds dat verjaring daarentegen door de wetgever niet wordt gerechtvaardigd door een vermoeden van afstand van recht noch door een vermoeden van fout vanwege de schuldeiser
(31). Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het recht op terugkoop niet aan verjaring zou zijn onderworpen. Mocht de wetgever immers wel deze bedoeling hebben gehad, dan had de wetgever dit ongetwijfeld uitdrukkelijk bepaald in de Wet Economische Expansie. In het arrest van 26 september 2014 oordeelde het Hof reeds dat het voorwerp van de vordering in die zaak (eveneens) bestaat in de uitoefening van het persoonlijk vorderingsrecht tot terugkoop
(32). Dit vormt een aanwijzing dat het recht op terugkoop als een persoonlijke rechtsvordering in de zin van artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek moet worden beschouwd en dus onderworpen is aan de in dit artikel bepaalde tienjarige verjaringstermijn
(33). Het beginpunt van de verjaringstermijn bepaald in artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek is de dag waarop de verbintenis opeisbaar wordt of anders gezegd de dag waarop de persoonlijke vordering ontstaat
(34). Voor het recht van terugkoop is dit bijvoorbeeld de dag van de staking van de bedrijfsactiviteit door de initiële of een daaropvolgende verkoper of bijvoorbeeld de dag van het verstrijken van de termijn bepaald in de verkoopakte waarbinnen de overeengekomen bedrijfsactiviteit moet zijn aangevat. De tienjarige verjaringstermijn van het terugkooprecht (initieel was dit een dertigjarige verjaringstermijn) is bovendien volledig te verzoenen met de bedoeling van de wetgever om de economische expansie te stimuleren, om de door de overheid verkochte gronden een blijvende economische bestemming te geven en om de belangrijke financiële inspanningen van de overheid bij de ontwikkeling van de gronden te vrijwaren. Wanneer een overheid er niet in slaagt om binnen de tien jaar na het opeisbaar worden van zijn recht op terugkoop, dit recht uit te oefenen, kan men bezwaarlijk stellen dat de overheid een werkelijk beheer voert over de door haar ontwikkelde en verkochte gronden. De onverjaarbaarheid van de uitoefening van het recht op terugkoop, dat (mede) contractueel van aard is, verdedigen zou volgens mij bovendien vragen doen rijzen over de bestaanbaarheid daarvan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien er volgens mij moeilijk een redelijke verantwoording zou kunnen worden gevonden voor deze onverjaarbaarheid nu andere contractuele persoonlijke rechtsvorderingen wel aan de tienjarige verjaringstermijn zijn onderworpen. Het zou ook ingaan tegen de principes van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling die aan de basis liggen van de verjaring. Uit de rechtspraak van het Hof en het Grondwettelijk Hof volgt bovendien dat partijen in hun overeenkomst een uitoefeningstermijn voor het recht van terugkoop kunnen vastleggen
(35)en dat wanneer er geen terugkooprecht is vastgelegd in de overeenkomst er geen terugkooprecht bestaat
(36). Dit vormt ook een belangrijk argument dat het recht van terugkoop ook aan de normale verjaringsregels is onderworpen. Wanneer de overheid immers geen recht op terugkoop zou bedingen in de verkoopovereenkomst, beschikt deze ook niet over een recht op terugkoop. De Wet Economische Expansie bepaalt dus geen systeem die het in alle gevallen mogelijk maakt, louter op basis van de wet, om de economische bestemming van de verkochte gronden blijvend te garanderen. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat de uitoefening van het recht van terugkoop onderworpen is aan de tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek. IV. Beoordeling van het middel in het licht van voormelde principes. Met de vaststellingen en het oordeel onder nr. 4, 5, 5.2., eerste alinea, eerste zin, tweede tot en met de zesde alinea onder de titel ‘beoordeling’ van het bestreden arrest, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing dat de verjaring van de rechtsvordering van de eiseres tot uitoefening van het recht van wederinkoop is ingetreden op 28 juli 2008, dat de dagvaarding betekend op 31 juli 2018 laattijdig is en dat de verjaring van voormelde vordering is ingetreden. Het middel kan niet worden aangenomen. CONCLUSIE: Verwerping. __________________________________________
(1)BS 1 januari 1971.
(2)BS 31 december 2003 (Hoofdstuk XXVI. – Bedrijventerreinen met de artikelen 73-78).
(3)BS 30 december 2005, (door art. 8, 1°).
(4)BS 16 augustus 2004 (art. 85).
(5)Thans artikel 1.2 boek 1 Burgerlijk Wetboek dat luidt als volgt: “De wet beschikt alleen voor de toekomst. Zij heeft geen terugwerkende kracht tenzij dit noodzakelijk is voor een doelstelling van algemeen belang. Behoudens andersluidende bepaling, is een nieuwe wet niet alleen van toepassing op situaties die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane situaties die zich voordoen of voortduren onder de nieuwe wet, voor zover dit geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. In afwijking van het tweede lid, blijft de oude wet van toepassing op contracten gesloten onder deze wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of de toepassing ervan bepaalt op lopende contracten. De geldigheid van het contract blijft evenwel beheerst door de wet die van toepassing was op het ogenblik van zijn totstandkoming.”
(6)Vb. Cass. 11 april 2024, AR C.21.0464.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240411.1N.5; Cass. 4 december 2023, AR S.22.0077.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231204.3N.1; Cass. 18 februari 2022, AR C.21.0316.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220218.1F.4; Zie Cass. 21 februari 2014, AR C.13.0277.F, AC 2014, nr. 138, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140221.1.
(7)Vb. Cass. 18 maart 2011, AR C.10.0015.N, AC 2011, nr. 212, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110318.9; Cass. 28 februari 2003, AR C.00.0603.N, AC 2003, nr. 141, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030228.5.
(8)Cass. 3 december 2015, AR C.14.0428.N AC 2015, nr. 728, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.13 met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151203.13.
(9)In deze zin VAN THIENEN A., ‘Recht van terugkoop: de krijtlijnen uitgezet’ (noot onder HvB Gent 8 mei 2014), TBBR 2016/1, 39; VAN DEN BERGH B., “Het recht van terugkoop van de overheid op grond van de economische expansiewetgeving: veel antwoorden, maar nog meer vragen”, RW 2010-2011/30,
(1242), 1247.
(10)Cass. 22 november 2024, AR C.23.0500.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.6, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.6; Cass. 9 september 2022, AR C21.0346.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220909.1N.3; Cass. 22 juni 2020, AR C.18.0108.F, AC 2020, nr. 428, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200622.3F.1, met concl. van advocaat-generaal GENICOT, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200622.3F.1; Cass. 13 december 2016, AR P.16.0421.N, AC 2016, nr. 725, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.1 met concl. van advocaat-generaal TIMPERMAN, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161213.1; Cass 30 juni 2016, AR F.15.0014.N, AC 2016, nr. 437, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22 met concl. van advocaat-generaal THIJS; Cass. 10 september 2015, AR C.12.0533.N-C.12.0597.N, AC 2015, nr. 500, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.2 met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL; Cass. 29 april 2011, AR C.10.0183.N, AC 2011, nr. 288, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110429.2; Cass. 29 november 2007, AR C.07.0173.N, AC 2007, nr. 596, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071129.7; Cass. 17 september 2007, AR C.03.0582.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3, AC 2007, nr. 408, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070319.2; Cass. 25 april 2002, AR C.00.0373.N, AC 2002, nr. 252, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020425.8.
(11)Gwh 3 december 2008, 173/2008, ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.173, overweg. B.8.
(12)In deze zin VAN THIENEN A., ‘Recht van terugkoop: de krijtlijnen uitgezet’ (noot onder HvB Gent 8 mei 2014), TBBR 2016/1, 39; VANDENDRIESSCHE F. en EVERAERT S., ‘De duur van het recht tot terugkoop in de (Vlaamse) economische expansiewetgeving’ (noot onder Cass. 18 maart 2004), T.Gem. 2005/3, 185; eerder contra VAN DEN BERGH B., “Het recht van terugkoop van de overheid op grond van de economische expansiewetgeving: veel antwoorden, maar nog meer vragen”, RW 2010-2011/30,
(1242), 1252.
(13)In deze zin (en uitgebreider) zie VAN DEN BERGH B., “Het recht van terugkoop van de overheid op grond van de economische expansiewetgeving: veel antwoorden, maar nog meer vragen”, RW 2010-2011/30,
(1242), 1252.
(14)VAN DEN BERGH B., “Het recht van terugkoop van de overheid op grond van de economische expansiewetgeving: veel antwoorden, maar nog meer vragen”, RW 2010-2011/30,
(1242), 1247; contra: ONCLIN die van oordeel is dat het recht op terugkoop moet worden gekwalificeerd als een uitdrukkelijk ontbindend beding (ONCLIN, Fr., Les conséquences civiles des polices administratives sur la vente immobilière, Larcier 2017, 318-320).
(14)In deze zin (en uitgebreider) zie VAN DEN BERGH B., “Het recht van terugkoop van de overheid op grond van de economische expansiewetgeving: veel antwoorden, maar nog meer vragen”, RW 2010-2011/30,
(1242), 1252.
(15)zie VAN DEN BERGH B., “Het recht van terugkoop van de overheid op grond van de economische expansiewetgeving: veel antwoorden, maar nog meer vragen”, RW 2010-2011/30,
(1242), 1252; VAN THIENEN A., “Doelstellingen van de wet van 30 december 1970 op de economische expansie nader toegelicht door het Hof van Cassatie” (noot onder Cass. 26 september 2014), RW 2015-2016, 1543.
(16)Mvt bij het ontwerp van decreet ruimtelijke economie, VL. PARL., 2011-2012, 4 mei 2012, nr. 1593/1, 12 en 18.
(17)Cass. 3 december 2015, AR C.14.0428.N, AC 2015, nr. 728, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.13 met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151203.13.
(18)Een voorbeeld van een onverjaarbare vordering is de vordering van vordering van de consument tot vaststelling van de oneerlijkheid van een beding in een consumentenovereenkomst (HvJ 10 juni 2021, C-776/19, C-777/19, C-778/19, C-779/19, C-780/19, C-781/19, C-782/19, ECLI:EU:C:2021:470, (VB, WA; XZ, YY; ZX; DY, EX / BNP Paribas Personal Finance SA; AV; BW, CX; FA / BNP Paribas Personal Finance SA, Procureur de la République), Bank Fin.R. 2022, afl. 1, 11, met noot WERBROUCK, J. (“Over onverjaarbaarheid en bewijslastomkering: grenzen voorbij? [Handhaving van consumentenrecht en onrechtmatige bedingen]”).
(19)Cass. 19 maart 2021, AR C.20.0144.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210319.1N.8; Cass. 22 februari 2018, AR C.13.0095.N, AC 2018, nr. 115, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180222.6; Cass. 18 maart 2004, AR C.03.0099.N, AC 2004, nr. 154, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040318.10.
(20)Cass. 19 maart 2021, AR C.20.0144.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210319.1N.8; Cass. 22 februari 2018, AR C.13.0095.N, AC 2018, nr. 115, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180222.6; Cass. 3 december 2015, AR C.14.0428.N, AC 2015, nr. 728, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.13 met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151203.13.
(21)Gwh 3 december 2008, 173/2008, ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.173.
(22)DEL CORRAL J., ‘Commentaar bij art. 1660-1663 BW’, in DAMBRE M. en TILLEMAN B., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium,
(1), 4; DE CONINCK J., “Het beding van de wederinkoop”, Not.Fisc.M. 2001, 265, nr. 52; DE PAGE H., Traité élémentaire de droit civil belge, IV, Deel 1, Bruylant 1997, 457-459, nr. 385.
(23)Cass. 19 maart 2021, AR C.20.0144.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210319.1N.8.
(24)Cass. 26 september 2014, AR C.13.0518.N, AC 2014, nr. 559, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140926.3; Cass. 18 maart 2004, AR C.03.0099.N, AC 2004, nr. 154 , ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040318.10.
(25)Cass. 18 maart 2004, AR C.03.0099.N, AC 2004, nr. 154 , ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040318.10.
(26)Cass. 3 december 2015, AR C.14.0428.N, AC 2015, nr. 728, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.13, met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151203.13.
(27)Cass. 26 september 2014, AR C.13.0518.N, AC 2014, nr. 559, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140926.3.
(28)Gwh 3 december 2008, nr. 173/2008, ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.173.
(29)Zie in deze zin Cass. 18 maart 2011, RW 2011-2012, afl. 18; 828; Cass. 26 november 2010, AR C.09.0362.N, AC 2010, nr. 695, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101126.4. Van deze rechtspraak werd later dan echter uitdrukkelijk afgeweken door de Vlaamse decreetgever (zie Mvt bij het ontwerp van decreet ruimtelijke economie, VL. PARL., 2011-2012, 4 mei 2012, nr. 1593/1, 5).
(30)CLAEYS I., “Verjaring in een slingerbeweging”, TPR 2018, afl. 1-2, 610.
(31)GENICOT J.M., met concl. op datum in Pas. bij Cass. 18 maart 2013, AR S.12.0084.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.8, AC 2013, nr. 196, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130318.8.
(32)Cass. 26 september 2014, AR C.13.0518.N, AC 2014, nr. 559, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140926.3.
(33)Initieel gold ten tijde van de totstandkoming van de Wet Economische Expansie voor persoonlijke vorderingen de dertigjarige verjaringstermijn van het toenmalige artikel 2262 Oud Burgerlijk Wetboek. Deze termijn werd door de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring (BS 17 juli 1998) herleid tot een termijn van tien jaar en werd opgenomen in huidig artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek.
(34)COLSON P., “La prescription en droit civil. À l’aube de la réforme. Zoom sur l’article 2262bis de l’ancien Code civil”, in COLSON P. (ed.), La prescription, Anthemis 2023, CUP 224,
(8), 17.
(35)Gwh 3 december 2008, nr. 173/2008, ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.173; Cass. 3 december 2015, AR C.14.0428.N, AC 2015, nr. 728, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.13 met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151203.13.
(36)Gwh 3 december 2008, nr. 173/2008, ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.173, overweg. B.8. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250328.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020425.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030228.5 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040318.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070319.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071129.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101126.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110318.9 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110429.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.8 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130318.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140221.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140926.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150910.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151203.13 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151203.13 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161213.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180222.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200622.3F.1 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200622.3F.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210319.1N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220218.1F.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220909.1N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231204.3N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240411.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.6 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.173 ECLI:EU:C:2021:470 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.