← België

TRATTORIA IL TARTUFATO bv contra O.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 maart 2025 EC

Art. 2244

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Vrije woorden: Stuiting van de verjaring - Omvang van de stuiting - Vordering die virtueel begrepen is in het voorwerp van de bij dagvaarding ingestelde vordering - Grenzen Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2244

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 4 De vereiste band tussen het voorwerp van de oorspronkelijke vordering en het voorwerp van de virtueel inbegrepen vordering wordt beoordeeld in het licht van de oorzaak van beide vorderingen, dit is het geheel van feiten en handelingen waarop de partij die ze instelt, haar vordering laat steunen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Vrije woorden: Voorwerp van de vordering - Voorwerp van de virtueel inbegrepen vordering - Band tussen beide vorderingen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2244

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Stuiting van de verjaring - Voorwerp van de vordering - Voorwerp van de virtueel inbegrepen vordering - Band tussen beide vorderingen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2244

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 5 - 6 De in artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet vervatte termijnen zijn geen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen in de zin van artikel 48 Gerechtelijk Wetboek, zodat voor de berekening ervan niet de regels van voormeld wetboek, maar wel de artikelen 2260 en 2261 Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Verplichtingen van partijen Vrije woorden: Vergoeding wegens uitzetting - Termijn - Berekeningswijze Wettelijke bepalingen: Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 25, eerste lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1951043003 oud

Art. 2260

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2261

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 48 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Vrije woorden: Vergoeding wegens uitzetting - Rechtsvordering - Fatale termijn - Aard - Berekeningswijze Wettelijke bepalingen: Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 25, eerste lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1951043003 oud

Art. 2260

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2261

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 48 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 7 Een fatale termijn waarbinnen een recht moet worden uitgeoefend, waarvan het verstrijken leidt tot het verval van dit recht zelf, is geen termijn voor het verrichten van proceshandelingen in de zin van artikel 48 Gerechtelijk Wetboek; voor de berekening ervan zijn dus niet de regels van voormeld wetboek, maar wel de artikelen 2260 en 2261 Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Fatale termijn - Begrip - Berekeningswijze Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2260

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2261

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 48 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.24.0243.N Conclusies van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiseres komt op tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, gewezen op 26 februari

  1. Door de eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Het middel. Eiseres verwijt de appelrechter de artikelen 16, 25 en 28 Handelshuurwet, de artikelen 51, 52, 53, 54, 700 en 702 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 8.17, 8.18 en 5.64 Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden door te oordelen: - met miskenning van de bewijskracht van de inleidende dagvaarding dat er in die dagvaarding geen melding is van noch verwijzing naar, noch expliciet, noch impliciet naar feiten die zich vereenzelvigen met een miskenning zoals opgenomen in artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet terwijl in de dagvaarding wel degelijk uitdrukkelijk melding werd gemaakt van de opening op 5 augustus 2021 van de handelszaak van verweerders en dus meer dan zes maanden na de beëindiging van de huur op 30 november 2020 en deze feiten zich vereenzelvigen met een schending van artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet (eerste onderdeel: schending van de artikelen 8.17, 8.18 en 5.64 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 16, eerste lid 1°, 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet); - dat de vordering op grond van artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet laattijdig werd ingesteld omdat zij pas werd ingesteld bij conclusies die werden neergelegd op 1 juni 2022 terwijl het voorwerp van de vordering op grond van artikel 25, eerste lid, 3° Handelshuurwet virtueel begrepen was in de inleidende dagvaarding die tijdig binnen het jaar na 5 augustus 2021 op 16 maart 2022 werd uitgebracht (tweede onderdeel: schending van de artikelen 16, eerste lid, 1°, 25, eerste lid, 3° en 28 Handelshuurwet en de artikelen 700, 702, 3°, Gerechtelijk Wetboek); - dat de vordering ingesteld middels besluiten neergelegd ter griffie op 1 juni 2022, werd ingesteld meer dan een jaar vanaf het feit waarop de vordering wordt gesteund en dienvolgens onontvankelijk is terwijl de neerlegging op 1 juni 2022 nog tijdig was (derde onderdeel: schending artikelen 16, eerste lid, 3°, 25, eerste lid, 3° en 28 Handelshuurwet en de artikelen 51, 52, 53 en 54 Gerechtelijk Wetboek). II. Beoordeling eerste onderdeel. (…) III. Tweede onderdeel. III.
  2. Ontvankelijkheid van het onderdeel. De verweerders voeren een grond van niet-ontvankelijkheid aan voor dit onderdeel. Overeenkomstig artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek moeten op straffe van nietigheid de wetsbepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, worden vermeld in het verzoekschrift tot cassatie. Er moet worden vastgesteld dat dit in het verzoekschrift van eiseres er geen schending wordt aangevoerd van artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek (in casu zoals van toepassing voor de wijziging ervan door de Wet van 28 april 2022) terwijl er wel wordt betoogd dat haar vordering gebaseerd op artikel 25, eerste lid, 6°, Handelshuurwet virtueel inbegrepen was in haar vordering zoals verwoord in de dagvaarding van 16 maart
  3. Op pagina 12, randnr. 6 van de voorziening wordt letterlijk de rechtsregel zoals die door het Hof wordt geformuleerd en gebaseerd is op artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek (nl. Een dagvaarding maakt niet enkel de vordering aanhangig die ze uitdrukkelijk instelt, maar ook de vordering waarvan het voorwerp virtueel begrepen is in de dagvaarding)

(1). De bij dit onderdeel als geschonden aangeduide wetsbepalingen (nl. de artikelen 16, 25 en 28 Handelshuurwet, de artikelen 51, 52, 53, 54, 700 en 702 Gerechtelijk Wetboek) laten geen verbreking toe op grond van de ontwikkelde grief, zo die gegrond is
(2). Artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek is noodzakelijk om te verbreken op grond van de aangevoerde kritiek. Dit onderdeel is dan ook niet ontvankelijk wegens schending van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek. III.2. Ondergeschikt: gegrondheid van het onderdeel. Mocht het Hof toch van oordeel zijn dat dit onderdeel ontvankelijk is, meen ik dat het ongegrond is. Artikel 2244, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken. De burgerlijke stuiting van de verjaring steunt op de wilsuiting van de schuldeiser
(3). Uit de vaste rechtspraak van het Hof in verband met artikel 2244, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek volgt dat een dagvaarding de verjaring stuit voor de vordering die ze inleidt en voor de vorderingen die virtueel erin begrepen zijn(
(4)). Soms wordt daaraan nog toegevoegd dat: - voor de stuiting van de virtueel inbegrepen vordering het vereist is dat het voorwerp van die vordering virtueel is begrepen in het voorwerp van de oorspronkelijke vordering
(5); of - om te beoordelen of een vordering virtueel begrepen is in de oorspronkelijke vordering, het voorwerp van die vorderingen moet onderzocht worden
(6); of - een vordering is virtueel begrepen in de oorspronkelijke vordering als beide vorderingen hetzelfde voorwerp hebben
(7). Het begrip dagvaarding moet daarbij ruim worden geïnterpreteerd
(8). Het kan bijvoorbeeld ook om een klacht met burgerlijke partijstelling gaan
(9). Het Hof vermag daarbij na te gaan of de rechter, op grond van feitelijke elementen die hij aangeeft, wettig heeft kunnen oordelen dat een vordering in conclusie geformuleerd virtueel begrepen is in de oorspronkelijke in de gedinginleidende akte gestelde vordering
(10). Uit de analyse van de hogervermelde rechtspraak van het Hof blijkt dat volgende vorderingen virtueel inbegrepen waren in de vordering geformuleerd in de oorspronkelijke dagvaarding: - De eis tot betaling van een hoofdsom stuit hierdoor de verjaring van de eis tot betaling van de interest op die som
(11); - Een vordering ingesteld tot vergoeding van een deel van de schade die door een misdrijf is veroorzaakt, stuit de verjaring ten aanzien van het deel van de schade uit datzelfde misdrijf, dat niet onmiddellijk het voorwerp is van de vordering (een vordering tot vergoeding van de materiële schade wordt gestuit door de burgerlijke partijstelling die alleen de vergoeding van morele schade tot voorwerp had omdat de oorzaak van een burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf het schadeverwekkend feit is waarop de burgerlijke partijstelling is gesteund)
(12); - Ee vordering gebaseerd op de gedeeltelijke niet-uitvoering van het contract is virtueel inbegrepen in de vordering tot schadevergoeding wegens volledige niet-uitvoering van het contract
(13). - In een vordering tot veroordeling van de architecten en de aannemers om de schade te vergoeden die in een pand door insijpeling van regenwater is ontstaan ten gevolge van een gebrekkige conceptie en uitvoering van verbouwingswerken, zijn virtueel begrepen de vorderingen die enkel betrekking hebben op de nieuwe gevolgen van dezelfde conceptiefout en van dezelfde contractuele fout
(14). - De vordering tot het bekomen van aanvullende bedragen is virtueel inbegrepen in de oorspronkelijke vordering omdat in de dagvaarding reeds voorbehoud was gemaakt voor een verhoging of verlaging in de loop van het geding, zijnde de terugbetaling van de vergoedingen die aan de firma Het Laatste Nieuws zijn betaald voor de schade die zij geleden heeft door een ongeval waarvoor, volgens de verweersters, eiseres als vervoerder aansprakelijk is
(15); - Een vordering die ingesteld wordt ter vergoeding van een gedeelte van de door een fout veroorzaakte schade, stuit aldus de verjaring ten aanzien van het gedeelte van de schade die geen deel uitmaakt van het voorwerp van de oorspronkelijke vordering
(16); - Het voorwerp van de latere vordering tot verkrijging van de opzeggingsvergoeding en van de in artikel 22, 3°, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 14 september 1983 bepaalde forfaitaire vergoeding zijn virtueel begrepen in het voorwerp van de inleidende vordering van eiseres tot verkrijging op grond van artikel 1, § 4, b) negende lid, a, van de wet van 10 juni 1952 van de bijzondere ontslagvergoeding van artikel 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991, die zowel de schade ingevolge het onregelmatig ontslag, zijnde het ontslag zonder inachtneming van de wettelijk verplichte opzeggingstermijn, als deze ingevolge de miskenning van de bijzondere bescherming van de werknemer, syndicaal afgevaardigde, vergoedt
(17); - De vordering tot vergoeding van het nadeel dat is ontstaan doordat de uitlevering van de eiser aan de VSA hem belette om het voorgenomen en geplande huwelijk te sluiten, is virtueel begrepen in de vorderingen van de oorspronkelijke dagvaarding waarin schadevergoeding op basis van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek werd gevraagd voor zijn uitlevering in strijd met de voorlopige maatregel bevolen door het EHRM voor iedere dag van detentie in de VSA
(18). - De oorspronkelijke vordering van de verweerster strekte tot vernietiging van het dwangbevel van 10 maart 2010 en de verweerster voerde later in conclusie slechts een nieuwe rechtsgrond aan tot staving van hetgeen oorspronkelijk al gevorderd werd, met name de vernietiging van het dwangbevel; aldus stellen de appelrechters ondubbelzinnig vast dat de oorspronkelijke vordering en de gewijzigde vordering hetzelfde voorwerp hebben; de appelrechters beslissen naar recht dat de verjaring door de gedinginleidende akte werd gestuit, ook in zoverre de verweerster haar vordering naderhand ook steunde op een fout van de eiser
(19). - Het arrest stelt vast dat de eiser op 11 januari 2013 werd ontslagen met een vervangende opzeggingsvergoeding die overeenstemt met zes maanden loon en het vermeldt dat de eiser in zijn gedinginleidend verzoekschrift van 18 december 2013 aanvoert dat hij de commissies waarop hij recht had, niet ontvangen had, en vervolgens de voorlegging van de omzet en van de winstmarges vordert om de commissieachterstallen precies te bepalen en dat hij, aangezien de berekening van de opzeggingsvergoeding afhangt van het precieze bedrag van zijn loon, de veroordeling van zijn werkgever vordert tot betaling van een provisionele euro als regularisatie van de opzeggingsvergoeding. Het arrest merkt op dat de eiser voor het arbeidshof "in ondergeschikte orde [...] een vervangende opzeggingsvergoeding vordert die overeenstemt met vijftien maanden loon" en hiertoe "voor het eerst" aanvoert "dat de toegekende opzeggingsduur ontoereikend is gelet op zijn anciënniteit". Aangezien uit die vermeldingen volgt dat de bijkomende vordering die in hoger beroep wordt gesteld, hetzelfde voorwerp heeft als de oorspronkelijke vordering die strekt tot het verkrijgen van een opzeggingsvergoeding, schendt het arrest artikel 2244 Burgerlijk Wetboek door te beslissen dat "de vordering tot verhoging van de opzeggingsvergoeding wegens verlenging van de opzeggingstermijn [...] verjaard is omdat ze meer dan een jaar na de beëindiging van de overeenkomst ingesteld werd
(20). Uit de analyse van de hogervermelde rechtspraak van het Hof blijkt dat volgende vorderingen NIET virtueel inbegrepen waren in de vordering geformuleerd in de oorspronkelijke dagvaarding: - De latere vordering tot betaling van een compensatoire opzeggingsvergoeding wegens beëindiging van een arbeidsovereenkomst die vóór de dagvaarding zou hebben plaatsgehad, is niet virtueel begrepen in de inleidende vordering volgens welke de werknemer heeft gekozen voor de uitvoering van de tussen hem en zijn werkgever bestaande arbeidsovereenkomst en voor de ontbinding van die overeenkomst, indien de werkgever zijn verplichtingen niet uitvoert binnen vijftien dagen na het te wijzen vonnis
(21). - De vordering, ingesteld op grond van een nieuwe vorderingsstaat, niet virtueel begrepen was in de dagvaarding die strekte tot betaling van een specifieke factuur die gegrond was op een specifieke vorderingsstaat
(22). - De latere vordering om een bijslag wegens verergering te verkrijgen, is niet virtueel begrepen in de gedinginleidende vordering op grond waarvan de getroffene van een arbeidsongeval het Fonds voor Arbeidsongevallen wil doen veroordelen tot het ten laste nemen van de terugbetaling van de dagelijkse kinesitherapiebehandelingen die hij wegens de verergering van zijn gezondheidstoestand moet volgen; bijgevolg stuit de dagvaarding de verjaring voor een dergelijke vordering tot toekenning van een bijslag wegens verergering niet
(23); - De latere vordering tot betaling van een vergoeding wegens misbruik van het ontslagrecht heeft niet hetzelfde voorwerp en is niet virtueel begrepen in de inleidende vordering tot toekenning van een aanvullende opzeggingsvergoeding en van een vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de arbeidsgeneesheer zonder naleving van de wettelijke procedure tot ontslag
(24); - De nieuwe, in hoger beroep ingestelde vordering strekte tot veroordeling van de verweerster tot terugbetaling van het bedrag van 81.138,39 euro dat voor het gebouw en de aanhorigheden was gestort, op grond dat de verweerster, op de datum van het schadegeval, slechts voor 50 pct. eigenaar van het gebouw was, is niet virtueel begrepen in de gedinginleidende dagvaarding die strekte tot veroordeling van de verweerster tot terugbetaling van het bedrag van 13.309,70 euro dat voor de sloop- en opruimkosten was betaald, op grond dat die kosten niet zouden zijn gemaakt
(25). Uit al deze arresten blijkt dat iedere vordering virtueel inbegrepen is in de oorspronkelijk ingestelde vordering wanneer die nieuwe vordering gegrond is op de initieel aangevoerde feiten tot staving van het gevorderde (de oorzaak) en waarvan het voorwerp een dermate nauwe en evidente band heeft dat de verweerder zich ongetwijfeld er moest aan verwachten na kennisname van de oorspronkelijke vordering dat de eiser die vordering later nog zou formuleren
(26). De hogervermelde toevoegingen aan de algemene regel zoals geformuleerd door het Hof moet dus genuanceerd worden in het licht van de oorzaak van de vordering
(27). Het volstaat niet dat de twee vorderingen hetzelfde voorwerp hebben opdat een vordering virtueel begrepen is in de oorspronkelijke vordering (het is wel noodzakelijk dat het voorwerp van die vordering virtueel is begrepen in het voorwerp van de oorspronkelijke vordering). De verweerder zou immers al te zeer verrast kunnen worden door een vordering waarin het feitelijke resultaat van hetgeen men vraagt inbegrepen (of zelfs hetzelfde is) is in de oorspronkelijke vordering maar wordt gesteund op feiten en handelingen waarvan geen sprake was in de oorspronkelijke vordering. Zo is de oorzaak van de vordering volgens de rechtspraak van het Hof: het geheel van feiten dat de eiser tot staving van het gevorderde aanvoert
(28)of het geheel van feiten en handelingen waarop de partij die ze instelt, haar vordering laat steunen
(29). Het voorwerp van de vordering is het feitelijke resultaat dat de eiser met zijn vordering beoogt
(30). Partijen zijn daarenboven niet verplicht om expliciet een rechtsgrond voor hun vordering aan te voeren. Uit de vaste rechtspraak van het Hof in verband met de taak van de rechter volgt dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn. Hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp of de oorzaak van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. De rechter heeft de plicht ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten en handelingen die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of verweer
(31). Het Hof oordeelde al dat de stuiting van de verjaring door een dagvaarding, zich niet uitstrekt tot een eis met een andere oorzaak
(32). Het is volgens mij wel niet aangewezen dat er wat dit betreft aansluiting zou worden gezocht met artikel 807 Gerechtelijk Wetboek op basis waarvan een vordering uitgebreid of gewijzigd kan worden wanneer de nieuwe conclusies berusten op een feit of een akte aangevoerd in de dagvaarding, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. De vordering die virtueel inbegrepen is in de oorspronkelijke vordering moet bekeken worden in het licht van de oorzaak. Dit is ook een standpunt door een aantal auteurs wordt verdedigd
(33). Er zou twijfel kunnen rijzen door een arrest van 23 januari 1992
(34). Dit is echter ten onrechte omdat het Hof in die zaak geen uitspraak deed over artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek (waarvan de schending niet was aangevoerd) maar over de toepassing van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek. Wanneer het voorwerp van de later geformuleerde vordering virtueel begrepen is in de oorspronkelijke vordering (met stuitende werking), is het noodzakelijk na te gaan of de oorzaak van de later geformuleerde vordering voldoende aansluiting vindt in de initieel aangevoerde feiten. Het is immers enkel wanneer ook de nieuw geformuleerde vordering gegrond is op de oorzaak, het geheel van de feiten dat de eiser tot staving van het gevorderde aanvoert, dat de verweerder niet verschalkt zal zijn in zijn verwachtingen aangezien de verweerder in het licht van die aangevoerde feiten had moeten verwachten dat de eiser al dan niet expliciet een andere rechtsgrond zou kunnen aanvoeren in de loop van het geding en daarvoor een vordering zou formuleren. Samengevat houdt dit in:
  1. Wanneer het voorwerp van de later geformuleerde vordering niet begrepen is in de oorspronkelijke vordering (met stuitende werking), is de verjaring van de later geformuleerde vordering niet gestuit.
  2. Wanneer het voorwerp van de later geformuleerde vordering begrepen is in de oorspronkelijke vordering (met stuitende werking), maar niet steunt op de oorzaak van de oorspronkelijke vordering, is de verjaring van de later geformuleerde vordering niet gestuit.
  3. Wanneer het voorwerp van de later geformuleerde vordering begrepen is in de oorspronkelijke vordering (met stuitende werking) en steunt op de oorzaak van de oorspronkelijke vordering, is de verjaring van de later geformuleerde vordering eveneens gestuit door de oorspronkelijke vordering. Met de vaststellingen en het oordeel onder punt 4.3 van het bestreden vonnis, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing dat de vordering ingesteld bij conclusie op 1 juni 2022 niet virtueel begrepen is in de oorspronkelijke ingestelde vordering zoals die blijkt uit de dagvaarding van 16 maart 2022 omdat aan de vorderingen andere feiten ten grondslag liggen en ze dus een andere oorzaak hebben. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. De aangevoerde schending van de overige wetsbepalingen is afgeleid en in zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. IV. Derde onderdeel. De vraag rijst naar de berekeningswijze van de termijnen bedoeld in artikel 25, eerste lid, 3° en 28 Handelshuurwet. Wanneer het gaat om proceshandelingen in de zin van artikel 48 Gerechtelijk Wetboek zijn deze volgens dit artikel onderworpen aan de regels van Hoofdstuk VIII “Termijnen” van deel I “Algemene beginselen” van het Gerechtelijk Wetboek. Dit houdt dan bijvoorbeeld in dat wanneer een vervaltermijn is bepaald, dat de vervaldag wordt verplaatst naar de eerstvolgende werkdag als deze op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag valt (art. 53 Gerechtelijk Wetboek). Over het begrip proceshandeling bedoeld in artikel 48 Gerechtelijk Wetboek is geen rechtspraak van het Hof. Dit is wel het geval voor het begrip proceshandeling in de zin van artikel 860 Gerechtelijk Wetboek. Er zijn evenwel geen redenen te vinden waarom dit een ander begrip zou kunnen zijn dan wat bedoeld wordt in artikel 48 Gerechtelijk Wetboek. In het arrest van 28 april 1988 werd dit begrip omschreven als een handeling die in het kader van een proces of onder toezicht van het gerecht, door de partijen, hun gevolmachtigden of het hulppersoneel van de rechter is verricht
(35). Advocaat-generaal Thierry Werquin omschreef dit begrip in zijn conclusie bij het arrest van 19 april 2002 als volgt: “de proceshandeling is een eenzijdige rechtshandeling die in hoofdzaak geregeld wordt door het gerechtelijk recht en uitgevoerd wordt in het raam van de noodzakelijke voorbereiding van een gerechtelijke procedure, van de totstandkoming van de procedure, het verloop, de beslissing, de tenuitvoerlegging en de noodzakelijke beëindiging ervan, los van de persoon of de instantie van wie de rechtshandeling uitgaat”
(36). De zogenaamde fatale termijnen of vervaltermijnen (of in het Frans “délais préfix”), dit wil zeggen termijnen die gesteld zijn aan het recht om een vordering uit te oefenen, waarbij de wetgever dat recht slechts heeft toegekend – wegens bijzondere redenen eigen aan de aard van de vordering en aan de aard van de feiten en rechtsverhoudingen die eraan ten grondslag liggen – onder de voorwaarde dat recht binnen een vooraf bepaalde tijd uit te oefenen
(37), zijn volgens de meerderheidsstrekking in de doctrine onderworpen aan de bepalingen van artikel 2260 en 2261 Oud Burgerlijk Wetboek
(38). Sommigen zijn echter van mening dat deze ook onderworpen zijn aan de bepalingen van Hoofdstuk VIII “Termijnen” van deel I “Algemene beginselen” van het Gerechtelijk Wetboek
(39). Ik volg dit laatste standpunt niet. De termijnen bedoeld in artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet betreffen de termijnen voor de verhuurder om het voornemen op grond waarvan hij de huurder uit het goed heeft kunnen zetten, ten uitvoer te brengen (nl. binnen zes maanden en gedurende ten minste twee jaren). Wanneer deze termijnen niet worden gerespecteerd, is de verhuurder een uitzettingsvergoeding verschuldigd aan de huurder. In tegenstelling met waar het onderdeel vanuit gaat, zijn dit volgens mij duidelijk geen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen in de zin van artikel 48 Gerechtelijk Wetboek maar het zijn fatale termijnen die dus niet worden verlengd wanneer de vervaldag in het weekend of op een feestdag valt. Artikel 28 Handelshuurwet bepaalt dat de vorderingen tot betaling van de vergoeding wegens uitzetting moeten worden ingesteld binnen een jaar te rekenen van het feit waarop de vordering gegrond is. Dit betreft volgens mij een vervaltermijn of een zogenaamde fatale termijn waarvoor eveneens geldt dat dit geen termijn voor het verrichten van proceshandelingen betreft in de zin van artikel 48 Gerechtelijk Wetboek maar een termijn die wordt beheerst door de artikelen 2260 en 2261 Oud Burgerlijk Wetboek. Hoewel daar meer twijfel over zou kunnen bestaan. In het arrest van 8 april 1994 besliste het Hof nochtans dat de termijn voor het instellen van de rechtsvordering tot betaling van de vergoeding wegens uitzetting, een fatale termijn is waarvan het verstrijken leidt tot verval van het recht en dat wanneer die termijn eindigt op een zaterdag, zondag of feestdag, de vervaldag niet wordt verplaatst naar de eerstvolgende werkdag
(40). Enige twijfel vindt zijn oorsprong: - In het arrest van 1 oktober 1976 waarin werd beslist dat de termijn van een jaar, waarbinnen de rechtsvordering tot betaling van de vergoeding wegens uitwinning, waarvan sprake in artikel 25, 2°, Handelshuurwet moet worden ingesteld, begint te lopen vanaf de dag na de uitwinning; Deze uitwinning geschiedt op de dag waarop de huurovereenkomst tussen de verhuurder en de huurder eindigt en waarbij de artikelen 52 tot 54 Gerechtelijk Wetboek lijken toegepast te zijn
(41). Hier kan echter bij worden opgemerkt dat in casu er enkel toepassing werd gemaakt van artikel 52 Gerechtelijk Wetboek zodat hier geenszins ook de toepasselijkheid van artikel 53 Gerechtelijk Wetboek kan uit worden afgeleid. - In het arrest van 2 juni 1994 waarin werd beslist dat de huurder, die bij de rechter, overeenkomstig artikel 18 Handelshuurwet, een vordering tot hernieuwing van een handelshuur instelt, een proceshandeling verricht in de zin van art. 48 Gerechtelijk Wetboek, en bijgevolg wordt de vervaldag, als hij een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, ingevolge artikel 53 van dat wetboek verplaatst op de eerstvolgende werkdagen
(42). Hier kan echter bij worden opgemerkt dat het Hof besliste dat de korte termijn van 30 dagen om zich tot de rechter te wenden moet worden beschouwd als een proceshandeling en dus niet mag worden beschouwd als een fatale termijn. Het omgekeerde had onbillijk geweest aangezien in vele gevallen een huurder dan niet over de wettelijke termijn van 30 dagen zou beschikken om zich al dan niet tot de rechter te wenden. - In het arrest van 15 oktober 1975, waarin het Hof besliste dat artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek naar luid waarvan een termijn ingaat de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan, wordt toegepast voor de berekening van de verjaringstermijnen
(43). Hierbij kan worden opgemerkt dat in ieder geval het niet uitmaakt of artikel 52 Gerechtelijk Wetboek toepassing vindt of niet op verjaringstermijnen aangezien de normale berekeningswijze van een verjaringstermijn in ieder geval wordt berekend van de zoveelste tot de zoveelste
(44). Hieruit kan men echter niet afleiden dat ook artikel 53 Gerechtelijk Wetboek zou moeten worden toegepast. Er is dan ook geen enkele reden te vinden om af te wijken van wat werd beslist in het arrest van 8 april
  1. Het onderdeel faalt naar recht. Er valt trouwens ten overvloede op te merken dat zelfs wanneer artikel 53 Gerechtelijk Wetboek gedeeltelijk toch van toepassing zou zijn, de vordering ingesteld bij conclusie van 1 juni 2022 nog altijd laattijdig zou zijn. De handelshuurovereenkomst werd beëindigd op 30 november
  2. De verweerders moesten hun voornemen realiseren overeenkomstig artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet binnen de zes maanden. Op deze termijn is in ieder geval artikel 48 e.v. Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing. Deze termijn wordt berekend van de zoveelste tot de zoveelste
(45). De laatste dag om het voornemen te verwezenlijken was dus 30 mei
  1. Voor de uitzettingsvergoeding geldt dan de termijn van artikel 28 Handelshuurwet nl. de vordering moet worden ingesteld binnen een jaar vanaf het feit waarop de vordering gegrond is. Volgens artikel 52 Gerechtelijk Wetboek begint de termijn te lopen de dag na de gebeurtenis (nl. op 31 mei 2021: dit is de eerste dag waarbij de verweerders in gebreke zouden zijn gebleven) die hem doet ingaan, dus op 1 juni 2021 en volgens artikel 54 Gerechtelijk Wetboek eindigt hij de dag voor de zoveelste nl. op 31 mei
  2. Conclusie: Verwerping. _________________________________________________
(1)Zie verder onder titel III.2. Ondergeschikt: gegrondheid van het onderdeel.
(2)WYLLEMAN B. en DE POTTER DE TEN BROECK M., “De ontvankelijkheid van cassatiemiddelen in burgerlijke zaken”, in X, Procederen voor het Hof van Cassatie/Procéder devant la Cour de Cassation – 2de editie, Knopspublishing 2023,
(321)328-329, nr. 9.
(3)Zie Cass. 20 mei 2010, AR F.09.0043.N, AC 2010, nr. 354, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.6; MARCHANDISE M., [De Page] Traité de droit civil belge. Tome VI : La prescription . Principes généraux et prescription libératoire, Bruylant 2014, 123.
(4)Cass. 28 maart 2017, AR P.16.0751.N, AC 2017, nr. 221, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.4 ; Cass. 7 juni 2012, AR C.11.0498.N, AC 2012, nr. 372, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120607.1; Cass. 12 januari 2010, AR P.09.1266.N, AC 2010, nr. 20, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.2; Cass. 24 april 1992, AR 7673, AC 1992, nr. 447, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920424.3 ; Cass. 3 juin 1991, AR 9090, AC 1991, nr. 510, ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910603.12 met concl. van advocaat-generaal LECLERCQ, op datum in Pas.; Cass. 29 november 1990, AR 8660 -8749, AC 1990, nr. 170, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19901129.10; Cass. 4 mei 1990, AR 7010, AC 1990, nr. 518, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900504.6; Cass. 29 maart 1984, AR 6971, AC 1984, nr. 441, ECLI:BE:CASS:1984:ARR.19840329.7; Cass. 9 april 1981, AR 6234, AC 1981, nr. 460, ECLI:BE:CASS:1981:ARR.19810409.9.
(5)Cass. 11 april 2014, AR C.12.0242.F, AC 2014, nr. 285, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140411.1.; Cass. 8 mei 2006, AR S.05.0005.F, AC 2006, nr. 259, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060508.3, met concl. van eerste advocaat-generaal LECLERCQ, op datum in Pas.; Cass. 17 maart 2003, AR S.01.0182.N, AC 2003, nr. 170, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030317.20; Cass. 7 mei 2001, AR S.00.0047.N, AC 2001, nr. 258, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6.00.
(6)Cass. 17 november 2023, AR C.23.0123.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231117.1F.3, met concl. van advocaat-generaal INGELS, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231117.1F.3; Cass. 16 februari 2018, AR C.17.0328.F, AC 2018, nr. 103, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180216.3.
(7)Cass. 12 april 2019, AR F.17.0098.N, AC 2019, nr. 231, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.2, met concl. van advocaat-generaal VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.2; Cass. 24 april 2017, AR S.16.0078.F, AC 2017, nr. 281, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170424.3, met concl. van advocaat-generaal GENICOT, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170424.3, op datum in Pas.
(8)MARCHANDISE M., [De Page] Traité de droit civil belge. Tome VI: La prescription. Principes généraux et prescription libératoire, Bruylant 2014, 124-125, nr. 83.
(9)Cass. 28 maart 2017, AR P.16.0751.N, AC 2017, nr. 221, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.4; Cass. 12 januari 2010, AR P.09.1266.N, AC 2010, nr. 20, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.2.
(10)Cass. 27 oktober 2006, AR C.04.0380.N, AC 2006, nr. 522, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.5, RW 2006-2007, 1435 met noot VAN HOVE K; Cass. 16 juni 2021, AR C.20.0441.N, arrest niet gepubliceerd.
(11)Cass. 7 juni 2012, AR C.11.0498.N, AC 2012, nr. 372, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120607.1.
(12)Cass. 12 januari 2010, AR P.09.1266.N, AC 2010, nr. 20, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.2.
(13)Cass. 24 april 1992, AR 7673, AC 1992, nr. 447, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920424.3.
(14)Cass. 29 maart 1984, AR 6971, AC 1984, nr. 441, ECLI:BE:CASS:1984:ARR.19840329.7.
(15)Cass. 9 april 1981, AR 6234, AC, 1981, nr. 460, ECLI:BE:CASS:1981:ARR.19810409.9.
(16)Cass. 11 april 2014, AR C.12.0242.F, AC 2014, nr. 285, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140411.1.
(17)Cass. 17 maart 2003, AR S.01.0182.N, AC 2003, nr. 170, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030317.20.
(18)Cass. 17 november 2023, AR C.23.0123.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231117.1F.3, met concl. van advocaat-generaal INGELS, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231117.1F.3, op datum in Pas..
(19)Cass. 12 april 2019, AR F.17.0098.N, AC 2019, nr. 231, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.2, met concl. van advocaat-generaal VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.2.
(20)Cass. 24 april 2017, AR S.16.0078.F, AC 2017, nr. 281, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170424.3, met concl. van advocaat-generaal GENICOT, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170424.3, op datum in Pas..
(21)Cass. 3 juin 1991, AR 9090, AC 1991, nr. 510, ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910603.12, met concl. van advocaat-generaal LECLERCQ, op datum in Pas..
(22)Cass. 4 mei 1990, AR 7010, AC 1990, nr. 518, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900504.6.
(23)Cass. 8 mei 2006, AR S.05.0005.F, AC 2006, nr. 259, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060508.3, met concl. van eerste advocaat-generaal LECLERCQ, op datum in Pas..
(24)Cass. 7 mei 2001, AR, S.00.0047.N, AC 2001, nr. 258, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6.
(25)Cass. 16 februari 2018, AR C.17.0328.F, AC 2018, nr. 103, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180216.3.
(26)MARCHANDISE M., [De Page] Traité de droit civil belge. Tome VI: La prescription. Principes généraux et prescription libératoire, Bruylant 2014, 211, nr. 153.
(27)Cass. 12 januari 2010, AR P.09.1266.N, AC 2010, nr. 20, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.2.
(28)Vb. Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0286.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.9; Cass 24 mei 2018, AR C.17.0589.N, AC 2018, nr. 330, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180524.5.
(29)Cass. 12 januari 2010, AR P.09.1266.N, AC 2010, nr. 20, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.2.
(30)Vb. Cass. 5 september 2019, AR C.18.0302.N, AC 2019, nr. 439, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.3; Cass. 14 december 2017, AR C.16.0296.N, AC 2017, nr. 713, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171214.5 met concl. van advocaat-generaal VANDERLINDEN.
(31)Vb. Cass. 3 oktober 2022, AR S.17.0010.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.1; Cass. 22 januari 2016, AR C.15.0259.F, AC 2016, nr. 50, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160122.4; Cass. 22 januari 2015, AR C.13.0602.F, AC 2015 nr. 55, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150122.10; Cass. 31 oktober 2013, AR C.13.0005.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.3, AC 2013, nr. 571, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131031.3; Cass. 9 mei 2008, AR C.06.0641.F, AC 2008, nr. 283, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5.
(32)Cass. 12 januari 2010, AR P.09.1266.N, AC 2010, nr. 20, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.2.
(33)MARCHANDISE M., [De Page] Traité de droit civil belge. Tome VI: La prescription. Principes généraux et prescription libératoire, Bruylant 2014, 206-208, nr. 151; SCHOLLEN, “Virtuele vorderingen?”, RW 2002-2003, 278; LEBON C., “Stuiting, schorsing en verlenging van verjaringstermijnen”, in CLAEYS I. (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Kluwer 2005,
(87), 100.
(34)Cass. 23 januari 1992, AR 9044, AC 1992, nr. 268, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920123.9; zie LEBON C., “Stuiting, schorsing en verlenging van verjaringstermijnen”, in CLAEYS I. (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Kluwer 2005,
(87), 103-104.
(35)Cass. 28 april 1988, AR 8285, AC 1988 nr. 527.
(36)Cass. 19 april 2002, AR C.01.0218.F, Pas. 2002, nr. 241, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.9. Advocaat-generaal WERQUIN verwijst hiervoor naar DE CORTE, R. en DECONINCK B., “Nullités après la loi du 3 août 1992 – toillettage ou révolution?”, in CLOSSET-MARCHAL G., Le droit judiciaire rénové, Kluwer 1992,
(129)138, nr. 31.
(37)LINDEMANS D. en SCHEERS D., “Commentaar bij art. 48 Gerechtelijk Wetboek”, in DEPUYDT P., ALLEMEERSCH B., VAN DEN BERGH B. en RAES S. (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, losbl,
(1)3-4.
(38)DECROËS A., “Les délais préfix (ou de forclusion)”, JT 2007, 873, nr. 13; LINDEMANS D. en SCHEERS D., “Artikel 48 Ger.W.” in DEPUYDT P., ALLEMEERSCH B., VAN DEN BERGH B. en RAES, S. (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, losbl, 4, nr. 2.
(39)MARCHANDISE M., [De Page] Traité de droit civil belge. Tome VI: La prescription. Principes généraux et prescription libératoire, Bruylant 2014, 48, nr. 15; NOËL M.-P., “Les délais préfix” in JOURDAN P. en WÉRY P. (eds.), La prescription extinctive. Études de droit comparé, Bruylant 2010, 163-167, nr. 35.
(40)Cass. 8 april 1994, AR 8225, AC 1994, nr. 163, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940408.5.
(41)Cas. 1 oktober 1976, AC 1976, 133, ECLI:BE:CASS:1976:ARR.19761001.2.
(42)Cass. 2 juni 1994, AR C.93.0165.F, AC 1994, nr. 281, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940602.19.
(43)Cass. 15 oktober 1975, AC 1975, AC 1976, 212, ECLI:BE:CASS:1975:ARR.19751015.1; Zie ook BREWAEYS E., “De zevende dag”, P&B 1994/8, 177 (noot bij Cass. 2 juni 1994, AR C.93.0165.F, AC 1994, nr. 281).
(44)VAN OEVELEN A., “Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht”, TPR 1987, 1786, nr. 28, vn. 133.
(45)Het is niet omdat de dies a quo op de dertigste van de maand november valt dat daardoor de dies ad quem op de éénendertigste van de maand mei zou vallen (zie hiervover JAFFERALI J., “Ultima necat. Le droit commun des délais (article 1.7 du Code civil)”, in DIRIX E. en WÉRY P. (eds.), Le livre 1er du Code Civil: dispositions générales, Larcier 2024,
(221)260, nr. 25). PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250328.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1975:ARR.19751015.1 ECLI:BE:CASS:1976:ARR.19761001.2 ECLI:BE:CASS:1981:ARR.19810409.9 ECLI:BE:CASS:1984:ARR.19840329.7 ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900504.6 ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19901129.10 ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910603.12 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920123.9 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920424.3 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940408.5 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940602.19 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020419.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030317.20 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060508.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061027.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100112.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100520.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120607.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131031.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140411.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150122.10 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160122.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170424.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171214.5 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170424.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180216.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180524.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231117.1F.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231117.1F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.