id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250411.1N.3 Rolnummer: C.23.0393.N Zaak: A. contra Hogeschool West-Vlaanderen Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-09 Raadplegingen: 427 - laatst gezien 2026-06-19 00:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250411.1N.3 Fiche 1 Een geschil met betrekking tot een contractuele rechtsverhouding is een geschil over een burgerlijk recht in de zin van deze bepaling. De omstandigheid dat de overheid voor bepaalde aspecten van de contractuele rechtsverhouding over enige appreciatiemarge beschikt, doet daaraan geen afbreuk wanneer zij die appreciatie-marge put uit de overeenkomst zelf. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 Vrije woorden: Rechtsverhouding tussen Hogeschool en student - Contractuele rechtsverhouding - Geschil - Aard Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 144 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 2 - 3 De rechtsverhouding tussen het bestuur en de ingeschreven student, zoals vastgelegd in het onderwijs- en examenreglement en in de rechtspositieregeling van de student, is van contractuele aard, behoudens de in artikel II.274 VCHO bepaalde uitzondering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERWIJS Vrije woorden: Hogeschool - Rechtsverhouding tussen Hogeschool en student - Onderwijs- en examenreglement - Aard Wettelijke bepalingen: Codificatie 11 oktober 2013 van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs - 11-10-2013 - Art. II.273, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2014A35166 Codificatie 11 oktober 2013 van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs - 11-10-2013 - Art. II.274 - 09 ELI link Pub nr 2014A35166 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Vrije woorden: Rechtsverhouding tussen Hogeschool en student - Toetredingsovereenkomst - Contractuele aard Wettelijke bepalingen: Codificatie 11 oktober 2013 van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs - 11-10-2013 - Art. II.273, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2014A35166 Codificatie 11 oktober 2013 van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs - 11-10-2013 - Art. II.274 - 09 ELI link Pub nr 2014A35166 Tekst van de conclusie C.23.0393.N Conclusie van advocaat-generaal RAVYSE:
- Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat op 16 mei 2022 de directeur opleidingen van verweerder een proces-verbaal opstelde lastens eiser wegens een inbreuk op artikel 125 van het Onderwijs- en Examenreglement. Op 18 mei 2022 werd door de algemeen directeur van de verweerder een tuchtmaatregel genomen waarbij de eiser met ingang van het academiejaar 2022-23 werd uitgesloten van onderwijsactiviteiten bij de verweerder. Het beroep dat door eiser werd ingesteld tegen voormelde tuchtmaatregel werd bij beslissing van het Bestuurscomité van de verweerder dd. 27 juni 2022 ongegrond verklaard.
- Bij vonnis van 15 november 2022 verklaarde de eerste rechter zich zonder rechtsmacht omdat enkel de bevoegde administratieve rechtbank hiervan kennis kan nemen. Het bestreden arrest bevestigt die visie en wees het hoger beroep van de eiser af als ongegrond.
- De eiser komt met twee middelen op tegen dit arrest.
- Bespreking.
- Het tweede middel komt op tegen de beslissing over het gebrek aan rechtsmacht: de hoven en rechtbanken hebben volgens het middel wel rechtsmacht, ondanks een zekere discretionaire bevoegdheid van het schoolbestuur, omdat de relatie student-hogeschool door de decreetgever uitdrukkelijk is aangemerkt als een contractuele verhouding (art. II.273 VCHO).
- De Raad van State heeft zich over deze rechtsvraag reeds meermaals uitgesproken, namelijk dat de contractuele aard van de rechtsrelatie van de onderwijsinstelling met haar student door de decreetgever als regel is gesteld
(1). De Raad van State stelt vast dat de decreetgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor de ‘contractuele kwalificatie’ van de rechtspositie van de student en dat “impliceert de toepasselijkheid van het gemene civiel recht en het feit dat geschillen inzake deze rechtsverhouding voor de gewone rechter moeten worden gebracht”
(2). Aldus oordeelt de Raad van State dat artikel 144 Grondwet toepasselijk is en het de Raad van State aan rechtsmacht ontbreekt om over dergelijke geschillen uitspraak te doen.
- Artikel II.273 VCHO en de voorbereidende werken vermelden dat de relatie tussen de hogeschool en de student van louter contractuele aard is (met uitzondering van de studievoortgangsbeslissingen die limitatief worden opgesomd in art. I, 3, 69° VCHO, die wel bestuurshandelingen zijn en voor de raad voor studievoortgangsbeslissingen moeten worden aangevochten – art. II.274 j° II.285 VCHO).
- Gelet op deze duidelijke keuze van de decreetgever en de rechtspraak van de Raad van State kan de eiser worden gevolgd in zijn tweede middel.
- De vraag stelt zich alsnog of deze formele kwalificatie verzoenbaar is met de discretionaire bevoegdheid van het tuchtmechanisme, omdat het gelijkenissen vertoond met het discretionair overheidshandelen, zoals de verweerster aanvoert en daaruit de rechtsmacht van de Raad van State afleidt. De verweerder, daarin gevolgd door de appelrechter, steunt zich op de klassieke regel dat het in beginsel slechts om een subjectief recht gaat wanneer de overheid voor 100% gebonden is, en dat het om objectief contentieux gaat van zodra de overheid over enige discretionaire marge beschikt
(3). Die regel, die voor de overgrote meerderheid van de gevallen correct is, dient op verschillende vlakken te worden genuanceerd
(4). Dat is onder meer zo wanneer de relatie tussen de overheid en de wederpartij contractueel van aard is. Het is dan van geen belang dat de overheid, als contractspartij, enige beslissingsmarge heeft wanneer zij die marge slechts heeft op grond van de overeenkomst en met betrekking tot de uitvoering ervan. Uit de enkele omstandigheid dat de overheid een partij is, volgt niet noodzakelijk dat dat geschillen over door de Raad van State moeten worden beoordeeld. 9. Zo oordeelde het Hof al dat een beslissing van de overheid om een gevraagde detachering van een contractuele ambtenaar te weigeren, een beslissing is die niet voor de Raad van State kan worden aangevochten. De omstandigheid dat die bevoegdheid discretionair kon worden uitgeoefend, deed daaraan geen afbreuk. Het ging immers om een arbeidsovereenkomst en dus om een geschil van subjectief recht
(5). Ook meer algemeen oordeelde het Hof dat wanneer de relatie contractueel is, het per definitie om een subjectief recht gaat. In een arrest van 27 april 2007 oordeelde het Hof dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering van de eisers bestond in het in vraag stellen van de beslissing van de contracterende overheid om een onder opschortende voorwaarde gesloten overeenkomst te verbreken wegens niet-vervulling van de voorwaarde
(6). De omstandigheid dat de overheid een contractuele ambtenaar kan ontslaan en zij in het kader van de arbeidsovereenkomst enige beslissingsmarge heeft, maakt van de beslissing tot ontslag geen bestuurshandeling vatbaar voor annulatieberoep bij de Raad van State. Hetzelfde geldt voor de beslissing van de contracterende overheid om een huurovereenkomst op te zeggen
(7). 10. In de voorliggende zaak komt het mij voor dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering betrekking heeft op de manier waarop de hogeschool haar contractueel recht om tuchtbeslissingen te nemen heeft uitgeoefend met de weerslag ervan op het subjectief recht van de eiser om de verdere uitvoering van de overeenkomst te vragen. Deze analyse over het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering verantwoordt mijns inziens de stelling dat de hoven en rechtbanken wel de rechtsmacht hebben om over dit geschil te oordelen. Die analyse lijkt mij niet in tegenspraak met de klassieke regel over het objectief contentieux in geval van een discretionaire bevoegdheid, maar in lijn ligt met de algemene regel dat de hoven en rechtbanken rechtsmacht hebben om contractuele geschillen te beslechten. De door de verweerder aangehaalde arresten hebben geen betrekking op een contractuele relatie. Besluit: cassatie. _______________________________________________
(1)RvS. 19 september 2016, nr. 235.790, r.o. 10; RvS 15 juni 2017 nr. 238.536; RvS 30 november 2010, nr. 209.304; RvS 31 maart 2016, nr. 234.296; RvS 21 april 2020, nr. 247.435; nr. 254.913 van 27 oktober 2022.
(2)RvS 15 juni 2017 nr. 238.536, r.o. 17, met verwijzing naar Parl.St. Vl.Parl. 2003-04, nr. 1960/1, 10.
(3)Cass. 9 december 2016, AR C.16.0057.N, AC 2016, nr. 707, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2; Cass. 24 januari 2014, AR C.10.0537.F, AC 2014, nr. 64, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140124.5; Cass. 15 november 2013, AR C.12.0291.F, AC 2013, nr. 606, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131115.2; Cass. 24 september 2010, AR C.08.0429.N, AC 2010, nr. 546, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100924.1; Cass. 20 december 2007, AR C.06.0574.F, AC 2007, nr. 655, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10. De steeds terugkerende uitdrukking ‘honderd ten honderd gebonden’ komt uit de conclusies van advocaat-generaal VELU onder Cass. 10 april 1987, AC 1986-87, nr. 477.
(4)B. BLERO, “Compétence liée et droit subjectif, compétence discrétionnaire et droit objectif: les nuances d’une double équation” in M. LEROY (ed.), Actualité en droit public, Brussel, Bruylant 2010, 63-68.
(5)Cass. 28 oktober 2005, AR C.05.0109.F, AC 2005, nr. 551, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051028.4.
(6)Cass. 27 april 2007, AR C.06.0340.N, AC 2007, nr. 216, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7; zie eveneens in die zin: J. VELAERS, De Grondwet - Een artikelsgewijze commentaar, III, Brugge, die Keure 2019, 76; S. SOMERS en I. OPDEBEEK, Algemeen bestuursrecht: grondslagen en beginselen, Antwerpen, Intersentia 2017, 527 en de voormelde studie van staatsraad BLERO.
(7)RvS 7 mei 2002, nr. 106.409. Zie verder ook M. PÂQUES en L. DONNAY, Contentieux administratif, Brussel, Larcier 2023, 347-348 en de aldaar aangehaalde voorbeelden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250411.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250411.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051028.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070427.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100924.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131115.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140124.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div