← België

P. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250411.1N.4 Rolnummer: C.23.0425.N Zaak: P. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-05-09 Raadplegingen: 572 - laatst gezien 2026-06-18 13:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250411.1N.4 Fiches 1 - 2 Uit de centrale rol van de notaris als notaris-vereffenaar in een gerechtelijke vereffening-verdeling, volgt dat, zodra een vordering tot gerechtelijke vereffening-verdeling is ingesteld, geschillen die verband houden met de notariële werkzaamheden tot vereffening-verdeling in de regel enkel in het raam van de gerechtelijke vereffening-verdeling kunnen worden aangebracht en enkel door de notaris-vereffenaar door de neerlegging van een proces-verbaal van bezwaren bij de vereffeningsrechter kunnen worden aanhangig gemaakt; bijgevolg kunnen deelgenoten, in de regel, geen geschillen met betrekking tot de notariële werkzaamheden tot vereffening-verdeling rechtstreeks bij de rechter aanhangig maken

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERDELING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1209 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1210 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1211 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1212 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1213 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1214 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1215 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1216 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1217 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1218 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1219 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1220 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1221 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1222 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1223 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1209 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1210 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1211 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1212 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1213 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1214 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1215 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1216 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1217 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1218 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1219 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1220 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1221 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1222 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1223 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Geschillen die verband houden met de notariële werkzaamheden tot vereffening-verdeling zijn geschillen die een weerslag hebben op de omvang van de onverdeeldheid of de wijze van verdeling ervan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERDELING Fiche 4 Een uitzondering op voormelde regel geldt voor termijngebonden vorderingen, die overeenkomstig artikel 2244, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek een dagvaarding onderstellen teneinde de verjaring te stuiten; bijgevolg kunnen vorderingen van ex-echtgenoten tot nietigverklaring van rechtshandelingen met toepassing van artikel 224, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek of artikel 1422 Oud Burgerlijk Wetboek, die krachtens artikel 224, § 2, Oud Burgerlijk Wetboek respectievelijk artikel 1423 Oud Burgerlijk Wetboek aan een vervaltermijn van één jaar zijn onderworpen, rechtstreeks bij de rechter worden aanhangig gemaakt; alsook voor de vordering op grond van burgerlijke heling in de zin van artikel 1448 Oud Burgerlijk Wetboek en de vordering tot schadevergoeding wegens heling wanneer die vorderingen samenhangen met termijngebonden vorderingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERDELING Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 224, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1423 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1448 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2244, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 5 De rechter kan deze vorderingen naar de notaris-vereffenaar verwijzen. Thesaurus CAS: VERDELING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1209, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.23.0425.N Conclusie van advocaat-generaal RAVYSE: Grenzen aan het aanzuigeffect van de vereffening-verdeling. 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerster, lopende de echtscheidingsprocedure en na de vereffeningsdatum
(1), aan de eiser een dagvaarding laat betekenen (onder meer) op grond van artikel 1448 oud BW (toepassing van de huwelijksvermogensrechtelijke helingssanctie) omdat ze meende dat de eiser een constructie heeft opgezet om de waarde van ALM HYGIENE bv terecht te doen komen in ISAURA bv en zo te onttrekken aan de huwgemeenschap.
  1. Zowel voor de appelrechter als thans in de cassatievoorziening voert de eiser aan dat de vordering ingesteld door de verweerster op grond van artikel 1448 oud BW (toepassing van de huwelijksvermogensrechtelijke helingssanctie) niet bij afzonderlijke dagvaarding buiten het raam van de procedure tot gerechtelijke vereffening-verdeling aanhangig kon worden gemaakt bij de rechtbank, zodat de appelrechter deze vordering onontvankelijk had moeten verklaren.
  2. Het Hof heeft bij arrest van 9 maart 2020 geoordeeld dat uit de artikelen 1209-1223 (oud) Gerechtelijk Wetboek volgt dat, van zodra er is gedagvaard in gerechtelijke vereffening en verdeling, betwistingen die verband houden met de vereffening en verdeling in beginsel slechts in het kader van deze procedure kunnen worden aangebracht en dat deze betwistingen op uitsluitend initiatief van de boedelnotaris bij de rechtbank aanhangig kunnen worden gemaakt door neerlegging van een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden. Betwistingen die verband houden met de vereffening en verdeling kunnen vanaf dan, in beginsel, niet meer door de partijen in een afzonderlijke procedure voor de rechter aanhangig worden gemaakt. Vorderingen die geen verband houden met de vereffening-verdeling omdat zij geen invloed hebben op de omvang van de onverdeeldheid of de wijze van verdeling ervan, kunnen daarentegen te allen tijde in een afzonderlijke procedure worden ingesteld, ook al werd dezelfde vordering reeds in het kader van de vereffening-verdeling ingesteld
(2). Het Hof bevestigde deze rechtspraak bij arresten van 10 maart 2022 met de overweging dat uit de artikelen 1207 tot en met 1224 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 13 augustus 2011, en de centrale rol van de notaris als notaris-vereffenaar in een gerechtelijke vereffening-verdeling, volgt dat geschillen die verband houden met de notariële werkzaamheden tot vereffening-verdeling in de regel enkel in het raam van de gerechtelijke vereffening-verdeling kunnen worden aangebracht en enkel door de notaris-vereffenaar door de neerlegging van een proces-verbaal van bezwaren bij de vereffeningsrechter kunnen worden aanhangig gemaakt. Deelgenoten kunnen bijgevolg, in de regel, geen geschillen met betrekking tot de notariële werkzaamheden tot vereffening-verdeling rechtstreeks bij de vereffeningsrechter aanhangig maken
(3). Deze arresten werden gewezen onder de oude procedurele regels inzake gerechtelijke vereffening-verdeling vóór de wet van 13 augustus 2011, maar blijven relevant onder het nieuwe recht die de centrale rol van de notaris-vereffenaar bevestigt
(4). Het zogenaamde aanzuigeffect van de geschillen die verband houden met de notariële werkzaamheden tot vereffening-verdeling omvat de geschillen die een weerslag hebben op de omvang van de onverdeeldheid of de wijze van verdeling ervan. De ratio van de bevoegdheid van de notaris voor de beslechting van geschillen die rijzen na het instellen van de vordering in gerechtelijke verdeling en die een weerslag kunnen hebben op de omvang van de te vereffenen en verdelen boedel, wordt gevonden in verschillende argumenten: de ondeelbaarheid van de vordering tot vereffening-verdeling, de centrale rol van de notaris-vereffenaar, de proceseconomie van de gerechtelijke verdeling die niet toelaat dat de rechtbank te pas en te onpas wordt gevat
(5). 4. Wat betreft de omvang van het zogenaamde aanzuigeffect meende de rechtsleer (reeds onder het oude recht vóór de wet van 13 augustus 2011) dat de notaris-vereffenaar als (vaak zogenoemde) ‘eerste rechter’ sensu lato uitspraak moet doen over vorderingen tot toepassing van de sanctie wegens heling
(6). Anderzijds nam de rechtsleer ook aan dat deze vordering nog steeds afzonderlijk bij de rechtbank kon worden ingeleid, ook al was de vereffening-verdeling reeds aangevat
(7). Daarvoor werd verwezen naar een cassatiearrest van 12 december 1996, waarin het Hof met betrekking tot de erfrechtelijke heling oordeelde dat “de rechtsvordering wegens verberging weliswaar gelijktijdig met de verdeling kan worden ingesteld, maar dat zij ook rechtstreeks, hetzij voor hetzij na de verdeling kan worden ingesteld, met dien verstande dat iedere erfgenaam slechts kan opkomen voor zijn eigen aandeel in de verborgen gehouden zaak”
(8). In de eerste zaak
(1996)was de gerechtelijke vereffening-verdeling echter nog niet gevorderd en rees de vraag of de rechter wel uitspraak kon doen over de helingssanctie gelet op de taak van de notaris-vereffenaar tot vereffening-verdeling, terwijl in de tweede zaak de verdeling reeds was gebeurd en de vraag rees of de ene erfgenaam bij een latere vordering tot toepassing van de helingssanctie ook kon optreden voor het aandeel van zijn mede-erfgenamen. Het Hof deed bijgevolg nog geen uitspraak over de vraag of de vordering tot toepassing van de sanctie wegens heling ook afzonderlijk tijdens de vereffening-verdeling bij de rechter kan worden ingesteld. In de regel geldt de centrale rol van de notaris-vereffenaar, zoals bevestigd met de wet van 13 augustus 2011, en dienen tijdens de vereffening-verdeling ook vorderingen tot toepassing van de helingssanctie bij de notaris-vereffenaar te worden gecentraliseerd om parallelle procedures zo veel mogelijk te vermijden. Daarentegen menen DEKNUDT en DHAENE dat vorderingen die verband houden met de vereffening-verdeling maar geen deel uitmaken van de eigenlijke werkzaamheden van de notaris-vereffenaar (die volgens hen strikt ingevuld moeten worden), nog steeds bij dagvaarding voor de rechtbank moeten kunnen worden gebracht, zelfs al is de vereffening-verdeling reeds geïnitieerd. De vordering tot toepassing van de sanctie wegens heling valt volgens hen hieronder
(9). 5. De uitgangpunt van het aanzuigeffect van de gerechtelijke vereffening-verdeling is evenwel niet absoluut. In een arrest van 26 oktober 2017 oordeelde het Hof dat “uit deze bepaling [art. 1209, eerste lid, Ger.W.] noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat van zodra er is gedagvaard in gerechtelijke vereffening en verdeling van een nalatenschap, een vordering tot herroeping of vernietiging van een schenking aan een erfgenaam, die binnen de door de wet bepaalde termijnen moet kunnen worden ingesteld, enkel in het kader van de procedure van vereffening en verdeling en niet bij afzonderlijke dagvaarding kan worden ingesteld, ook al heeft een dergelijke vordering een weerslag op de omvang van de te vereffenen en te verdelen boedel. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat de partijen in de notariële fase van de procedure van vereffening en verdeling, binnen dewelke enkel de notaris geschillen via een proces-verbaal aanhangig kan maken bij de rechtbank, over geen enkele mogelijkheid zouden beschikken om de vordering tot herroeping of vernietiging tijdig in te stellen”
(10). Door in termijngebonden vorderingen afhankelijk te zijn van de notaris-vereffenaar, verliezen de partijen de mogelijkheid om zelf tijdig een vordering te kunnen instellen. In zijn arrest van 1 februari 2018 oordeelde het Hof dat een formele brief gericht aan de notaris-vereffenaar niet kwalificeert als een dagvaarding voor het gerecht in de zin van artikel 2244, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (die de verjaring stuit). Het Hof verbrak de beslissing dat een tijdens de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling bij afzonderlijke dagvaarding ingestelde vordering tot nietigverklaring van een schenking op grond van artikel 224 oud Burgerlijk Wetboek niet ontvankelijk is
(11). De termijn waarbinnen bepaalde vorderingen moeten worden ingesteld, zoals deze tot nietigverklaring van een schenking op grond van artikel 224 oud Burgerlijk Wetboek, verantwoordt dat die vordering tijdens de vereffening-verdeling nog bij afzonderlijke dagvaarding kan worden ingesteld
(12). In zoverre, zoals in deze zaak, de ingestelde helingsvordering (en de vordering tot schadevergoeding) samenhangt met termijngebonden vorderingen, komt een uitzondering op de regel van het aanzuigeffect verantwoord voor teneinde de rechten van de partijen afdoende te vrijwaren. Door op die gronden te oordelen dat de door de verweerster gestelde vordering op grond van heling op ontvankelijke wijze bij dagvaarding kon worden ingesteld, ook al was de gerechtelijke vereffening-verdeling reeds geïnitieerd, komt het me voor dat de appelrechter zijn beslissing naar recht verantwoordt. Besluit: verwerping. __________________________________________________
(1)Over dit gegeven hebben de partijen geen betwisting gevoerd.
(2)Cass. 9 maart 2020, AR C.19.0200.N, AC 2020, nr. 171, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.8.
(3)Cass. 10 maart 2022, AR C.20.0173.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.6 en Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0149.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.8.
(4)S. MOSSELMANS, “Aanzuigeffect van de gerechtelijke vereffening-verdeling”, TEP 2022,
(596)596, voetnoot 3; B. VERLOOY, “Procedure gerechtelijke vereffening en verdeling: betwistingen die verband houden met de vereffening en verdeling en vorderingen die daarmee geen verband houden” (noot onder Cass. 9 maart 2020), RABG 2020,
(1286)1287-1288, nr. 4.
(5)B. VERLOOY, “Gerechtelijke verdeling en het recht op toegang tot de rechter”, RABG 2018/5, 436.
(6)C. DE BUSSCHERE, “De toepassing van artikel 792 BW inzake de heling in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling, en de respectieve rol van de boedelrechter en van de boedelnotaris terzake” (noot onder Rb. Hasselt 7 november 2007), NFM 2010,
(268)270, nr. 6; T. VAN SINAY, “Handboek gerechtelijke verdeling”, Brussel, Intersentia 2010, 186, nr. 276; J. VERSTRAETE en J. FACQ, “De procedure van de gerechtelijke verdeling” in W. PINTENS (ed.), De vereffening van de nalatenschap, Antwerpen, Intersentia 2007,
(155)177-178, nr. 38. Contra: K. BOONE, “Commentaar bij art. 1448 B.W.” in Comm.Pers., 2003, onder titel III. C. Vaststelling van heling.
(7)C. DE BUSSCHERE, o.c., 270, voetnoot 14; C. DE WEVER, “Hof van Cassatie 9 maart 2020” in Rechtspraakfiches Familiaal Vermogensrecht 2020, TEP 2021,
(658)659; M. PUELINCKX-COENE, I. VERHAERT, N. GEELHAND en J. VERSTRAETE, “Overzicht van rechtspraak. Erfenissen 1996-2004”, TPR 2005,
(449)617-618, nr. 254.
(8)Cass. 12 november 2015, AR C.14.0443.N, AC 2015, nr. 671, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151112.7; Cass. 12 december 1996, AR C.96.0040.F, AC 1996, nr. 504, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961212.13.
(9)G. DEKNUDT en E. DHAENE, “Gerechtelijke vereffening-verdeling: (alternatieve visie) over de taak van de advocaat, de rechtbank en de notaris”, RW 2020-21,
(1401)1413, nr. 46; zie ook: G. DEKNUDT en E. DHAENE, “Cassatie 9 maart 2020: formuleert u uw vordering voor de notarisvereffenaar of bij de rechtbank? Het Hof van Cassatie geeft blijk van een onaflijnbare aflijning”, Notariaat 2020,
(10)10; G. DEKNUDT en E. DHAENE, “Cassatie 9 september 2021: vorderingen met een weerslag op de omvang van de boedel kunnen toch afzonderlijk worden ingesteld”, Notariaat 2022,
(13)13).
(10)Cass. 26 oktober 2017, AR C.16.0322.N, AC 2017, nr. 597, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171026.2, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171026.2; B. VERLOOY, “Gerechtelijke verdeling en het recht op toegang tot de rechter”, RAGB, 2018/5, 411-437.
(11)Cass. 1 februari 2018, AR C.17.0130.N, AC 2018, nr. 69, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180201.4.
(12)Of artikel 1422 Oud Burgerlijk Wetboek (art. 2.3.36 Burgerlijk Wetboek), die overeenkomstig artikel 224, 2, Oud Burgerlijk Wetboek respectievelijk artikel 1423 Oud Burgerlijk Wetboek (art. 2.3.37 Burgerlijk Wetboek) aan een vervaltermijn van één jaar zijn onderworpen. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250411.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250411.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961212.13 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151112.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171026.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171026.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180201.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200309.3N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.