id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 april 2025 EC
Art. 51
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiches 2 - 3 Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief; aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 70
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 70
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 4 Uit het principe dat, om te voldoen aan het vereiste van een toets met volle rechtsmacht, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan het toezicht van de rechter mag ontsnappen, volgt dat wanneer de belastingplichtige opkomt tegen de beslissing van de minister of zijn gemachtigde over een verzoek met toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit, de rechter de boete moet kunnen kwijtschelden of verminderen op dezelfde wijze als de minister of zijn gedelegeerde dat kan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831: organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen - 18-03-1831 - Art. 9 - 01 ELI link Pub nr 1831031801 Tekst van de conclusie F.22.0162.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN: (….)
- Inzake F.22.0162.N. ENIG MIDDEL. Eerste onderdeel. 2.
- Eiser voert aan dat de appelrechter het artikel 51, § 1, 3° WBTW te ruim heeft geïnterpreteerd door te oordelen dat krachtens deze bepaling BTW is verschuldigd louter door de vermelding van de BTW op een "stuk", namelijk het document uitgereikt op 31 december 2014 met betrekking tot de huur en het document uitgereikt op 31 december 2015 voor de prestatievergoeding, zonder dat hij hierbij in concreto was nagegaan of die stukken wel beschouwd kunnen worden als een "factuur of een als zodanig geldend stuk" in de zin van voormelde bepaling (schending van de artikelen 51, § 1, 3° WBTW juncto de artikelen 218 en 226 van de Richtlijn 2006/112/EG). 2.
- Met betrekking tot de onderverhuur van de bergruimte oordeelde de appelrechter: “Op grond van deze bepalingen diende de btw vermeld op het document uitgereikt op 31 december 2014 zowel krachtens artikel 51, § 1, W.btw als krachtens de hiervoor vermelde regeling inzake opeisbaarheid van btw, bij toepassing van artikel 22 W.btw, opgenomen te worden in de btw-aangifte van het vierde kwartaal 2014”. De appelrechter baseert zijn beslissing dus niet enkel op artikel 51, § 1, 3°, WBTW, maar ook op de niet bekritiseerde zelfstandige reden dat artikel 22 WBTW tot hetzelfde besluit leidt. In zoverre kan het onderdeel m.i. niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. 2.
- Artikel 51, § 1, 3°, WBTW bepaalt: “De belasting is verschuldigd: (…) 3° door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk”. Deze bepaling vormt de omzetting van artikel 203 van de Richtlijn 2006/112/EG. Dit artikel bepaalt: “De BTW is verschuldigd door eenieder die deze belasting op een factuur vermeldt” Voorheen was die regel vastgelegd in artikel 21, 1, c) van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG: “De belasting over de toegevoegde waarde is verschuldigd:
- In het binnenlands verkeer: (…) c) door ieder die de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt op een factuur of een als zodanig dienst doend document”. 2.
- Met een arrest van 29 september 2022 heeft het Hof van Justitie van de EU vrij recent nog uitspraak gedaan over het begrip ‘factuur’ in artikel 203 van de Richtlijn 2006/112/EG. Omdat deze bepaling erop gericht zou zijn een verlies aan belastinginkomsten te vermijden (door risico op aftrek waar geen corresponderend belastingschuld tegenover staat) moet een document, om als ‘factuur’ in de zin van artikel 203 van de richtlijn 2006/112/EG te kunnen worden erkend, niet noodzakelijk alle vermeldingen bevatten die door artikel 226 van de richtlijn zijn voorgeschreven (zie ook art. 5, § 1, KB nr. 1 van 29 december 1992), maar wel “ten eerste, de btw vermelden en, ten tweede, de informatie bevatten […] die noodzakelijk is opdat de belastingdienst kan vaststellen of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek. (….) Het staat aan de verwijzende rechter om in de context van alle relevante omstandigheden van het hoofdgeding (….) te beoordelen of (….) (dit document) daadwerkelijk de informatie bevat die in casu noodzakelijk is opdat de belastingdienst kan vaststellen of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op btw-aftrek”
(1)
(2). Het onder die voorwaarden eenzelfde als “factuur” erkend document is de basis voor de bij de transactie betrokken partijen, enerzijds bij de uitreiker voor wat betreft de verschuldigdheid van de BTW en anderzijds bij de ontvanger voor wat betreft de aftrek van de voorbelasting. Een document moet dus niet de in artikel 226 van de Richtlijn 2006/112/EG en artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 bedoelde vermeldingen bevatten opdat dit document, op grond van artikel 51, § 1, 3°, WBTW, een ‘factuur’ of ‘als zodanig geldend document’ zou vormen dat als grondslag dient voor de opeisbaarheid van de BTW. Voor zover het onderdeel is gericht tegen de beslissing dat de BTW die werd aangerekend op de prestatievergoeding van de zaakvoerder opeisbaar werd in het laatste kwartaal van 2015, steunt het op een andersluidende rechtsopvatting en faalt het m.i. naar recht. Tweede onderdeel. 2.
- In het tweede onderdeel voert eiser aan dat de appelrechter niet (of niet correct) heeft gemotiveerd waarom de stukken in kwestie beschouwd kunnen worden "als een factuur of als een zodanig geldend stuk". (Schending van artikel 149 G.W.). Evenwel verduidelijkt eiser niet op welk in conclusies aangevoerd middel de appelrechter niet zou hebben geantwoord of welke feitelijke vaststellingen het arrest niet zou bevatten om de wettigheid ervan te kunnen nagaan. Het onderdeel lijkt mij niet ontvankelijk bij gebrek aan nauwkeurigheid.
- Inzake F.22.0166.N. ENIG MIDDEL. Eerste onderdeel. 3.
- Eiser voert aan dat de appelrechter, door zich de bevoegdheid toe te eigenen om te onderzoeken of de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van 200%, terwijl er sprake was van belastingfraude en niet blijkt dat verweerder een verzoek tot kwijtschelding had ingediend op grond van artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831, zodoende geen rekening heeft gehouden met de gebonden bevoegdheid van de administratie bij het opleggen van de geldboete van 200%, mitsdien niet wettig, zonder schending van voormeld artikel en van het algemeen beginsel inzake de scheiding der machten, het genaderecht van de minister heeft uitgeoefend en niet wettig de boete heeft verminderd tot 100%, op grond dat, na toetsing aan het evenredigheidsbeginsel "(het) past (...) om de sanctie te herleiden naar 100%, hetgeen nog steeds zwaar is maar zich meer in een evenredige verhouding bevindt met de aard, de ernst en de omvang van de overtreding, mede gelet op de beperkte preventieve werking ervan" (Schending van de artikelen 3 en 6, in het bijzonder § 1, EVRM, het evenredigheidsbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten, de artikelen 70, § 1 en § 1bis, 72, 84, derde lid, WBTW, 1, eerste lid, 1° en 2° en laatste lid, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831). 3.
- Krachtens artikel 70, § 1 WBTW, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, verbeurt krachtens artikel 70, § 1bis WBTW een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § 1, eerste lid. Overeenkomstig artikel 84, derde lid WBTW, wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid, KB nr. 41, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete evenwel niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr.78 van 18 maart 1831 bepaalt dat de Minister (van Financiën) beschikt op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter, en de overeenkomsten bekrachtigt tussen het bestuur en de belastingplichtige, wanneer zij door de wetten toegelaten zijn. 3.
- Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie moet onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen
(3). 3.4. De zinsnede in de klassieke formule die het Hof hanteert ‘maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie’ heeft in het verleden reeds herhaaldelijk tot discussie aanleiding gegeven. Deze zinsnede werd door het Hof voor het eerst gehanteerd in een arrest van 21 januari 2005
(4). In de rechtsleer werd gesteld dat "deze formulering evenwel niet geheel duidelijk was. Was er sprake van een verwijzing naar het ministeriële milderingsrecht van het Regentbesluit? Of kon dit element net als een bijkomend argument gelden voor de administratie om bij een onbestaande appreciatiemarge de evenredigheidstoets uit te sluiten”
(5)? Beide in de rechtsleer geopperde mogelijkheden werden m.i. echter weerlegd in een aantal arresten van de 1N-kamer van het Hof. Wat betreft de eerste mogelijkheid oordeelde de 1N-kamer van het Hof in een arrest van 16 februari 2007 dat "de genoemde bepalingen die verband houden met het genaderecht van de uitvoerende macht, vreemd zijn aan de opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van de rechter waarover de appelrechters uitspraak hebben gedaan"
(6). Tevens kan worden verwezen naar het arrest van de 1N-kamer van het Hof dd. 23 september 2022 waarin werd geoordeeld dat wanneer de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding van een opgelegde geldboete heeft ingediend bij de Minister van Financiën of zijn gemachtigde op grond van artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr.78 van 18 maart 1831, dit niet verhindert dat de rechter de evenredigheid van de opgelegde geldboete mag toetsen overeenkomstig de beginselen vermeld in r.o. 2 van dat arrest
(7). De tweede mogelijkheid werd reeds uitgesloten in een arrest van de 1N-kamer van het Hof van 13 februari 2009, waarin werd geoordeeld dat het middel dat aanvoert dat de rechter een administratieve geldboete slechts kan verminderen wanneer hij vaststelt dat het bestuur over een matigingsbevoegdheid beschikt, op een onjuiste opvatting steunt en derhalve naar recht faalt
(8). Het arrest van het Hof van 23 september 2022 bevestigde dit uitdrukkelijk: “Ook wanneer de rechter vaststelt dat het bestuur niet over enige beoordelingsvrijheid beschikt, doordat het verplicht was de wettelijk voorziene administratieve geldboete op te leggen, mag de rechter de evenredigheid van de wettelijk voorziene administratieve geldboete toetsen”
(9). Kortom: ook al is de administratie verplicht een bepaalde boete op te leggen, dan nog mag de rechter steeds de evenredigheid ervan beoordelen
(10). Bijgevolg maakt de toevoeging dat de rechter "hierbij in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie" m.i. enkel een element uit dat de rechter, in het kader van een correcte en gemotiveerde evenredigheidstoetsing, in overweging moet nemen. Het betreft met andere woorden een element van de motiveringsverplichting bij de evenredigheidstoetsing
(11). Deze zienswijze lijkt bevestiging te vinden in de toevoeging, voor het eerst bij arrest van 24 maart 2023, aan de door de 1N-kamer van het Hof gehanteerde formule van de zinsnede “in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen”
(12). 3.
- Hoe verhoudt artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 zich nu tot de matigingsbevoegdheid van de rechter in geval de administratie over een gebonden bevoegdheid beschikt? Het eerste onderdeel voert aan dat, nu het bestreden arrest niet vaststelt dat verweerder een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de administratieve boete inzake BTW had ingediend bij de Minister op grond van artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 de appelrechters de evenredigheid van de opgelegde geldboete (in het geheel) niet vermochten te toetsen en zij de boete, vastgesteld op het wettelijk tarief van 200%, integraal dienden te handhaven. 3.5.
- Deze rechtsopvatting valt evenwel niet te rijmen met de rechtspraak van de 1N-kamer van het Hof, gelet op de reeds aangehaalde arresten van 16 februari 2007 en 23 september
- De 1N-kamer van het Hof heeft ook al geoordeeld dat “de belastingschuldige, zelfs wanneer het bestuur hem geen dading voorstelt of wanneer hij de dading weigert, door de rechter kan laten nagaan of er omstandigheden bestaan die verantwoorden dat de administratieve geldboete wordt verminderd tot onder het door de wet bepaald tarief”
(13). 3.5.2. Uit de rechtspraak van 1F-kamer van het Hof valt echter een andere visie af te leiden. Niettegenstaande het verzoek tot uitoefening van het genaderecht op grond van artikel 9 Regentbesluit geen verplicht georganiseerd administratief beroep is in de zin van artikel 1385undecies Ger.W. leidden sommige auteurs uit een arrest van de 1F-kamer van het Hof van 17 januari 2019
(14)af dat er de facto toch een verplichting zou zijn voor de belastingplichtige om de Minister van Financiën te verzoeken om de kwijtschelding van de boete en zou zonder dat verzoek de rechter de opgelegde BTW-boete niet kunnen milderen of kwijtschelden
(15). Dit wordt afgeleid uit de volgende passage van dat arrest: “Hoewel luidens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van ’s lands middelen, de minister van Financiën beschikt op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter, volgt daaruit niet dat de rechter, bij ontstentenis van een dergelijk beroep, dergelijke bevoegdheden mag uitoefenen door de proportionele geldboete wegens belastingfraude op een bedrag onder het wettelijk tarief vast te stellen. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter verleent de rechter die bevoegdheid niet”
(16). De regel die aldus werd geformuleerd lijkt dus te impliceren dat, wanneer de wet de administratie geen enkele appreciatiemarge verleent bij het bepalen van de hoogte van de administratieve geldboete, de rechter de evenredigheid van de conform de wet opgelegde administratieve geldboete niet vermag te toetsen wanneer geen verzoek tot kwijtschelding of vermindering bij de minister werd ingediend
(17). Het standpunt van de 1F-kamer werd verder verduidelijkt in een arrest van 16 mei 2022
(18)waarin als volgt werd geoordeeld: “Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 79/2008 van 15 mei 2008 voor recht gezegd dat “artikel 70 Btw-wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 EVRM, niet schendt“, wanneer dat artikel in die zin wordt uitgelegd dat de rechter “bij wie een beroep is ingesteld tegen de beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831 heeft genomen, een bevoegdheid met volle rechtsmacht [kan] uitoefen[en] die hem in staat stelt toe te zien op al wat onder de beoordeling van de administratie valt”. Het arrest stelt vast dat “het geschil betrekking heeft op een btw-dwangsom [...] die op 16 oktober 2015 werd opgelegd [...], krachtens welke aan [de eiseres] een proportionele geldboete van 1.540.955,56 euro wordt opgelegd in toepassing van artikel 70, § 2, Btw-wetboek, wegens overtredingen inzake facturatie in de loop van de jaren 2008 tot 2015”, dat “de eiseres in een brief van 12 november 2015 een verzoek tot kwijtschelding van [die geldboete] aan de administratie heeft gericht” en dat de administratie, “in toepassing van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831, op 27 november 2015 heeft beslist, [...] met inachtneming van, onder meer, de ernst van de misdrijven en het oogmerk om de belasting te ontduiken, maar ook van het feit dat ‘[de eiseres] gedurende het gehele onderzoek haar medewerking heeft verleend’ [...], om de krachtens artikel 70, § 2, Btw-wetboek opgelegde wettelijke geldboeten vast te stellen op 50 pct. van het bedrag van de verschuldigde belastingen [...], wat neerkomt op 385.690,60 euro”. Het arrest oordeelt dat het recht van de rechter om op de geldboete toezicht te houden, nadat het geschil na de beslissing van 27 november 2015 bij hem aanhangig is gemaakt, hem, “met inachtneming van alle omstandigheden van de zaak”, toestaat “te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan nagaan of de administratie redelijkerwijs een administratieve geldboete van een dergelijke omvang kon opleggen”, dat hij “in dit opzicht in het bijzonder rekening kan houden met de ernst van het misdrijf, de omvang van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in soortgelijke zaken uitspraak is gedaan, maar ook rekening moet houden met de mate waarin de administratie zelf door die sanctie gebonden was”. Het arrest dat door die vermeldingen, waaruit blijkt dat een gedelegeerde van de minister van Financiën, bij wie de eiseres beroep had ingesteld op grond van artikel 9 van het voormelde besluit van de Regent, bij de beoordeling van het proportioneel karakter van de sanctie met name rekening heeft gehouden met het feit dat de eiseres gedurende het gehele onderzoek heeft meegewerkt, beslist dat die medewerking “een omstandigheid eigen aan de persoon van de belastingplichtige is die geen verband houdt met de beoordeling van een miskenning van het proportionaliteitsbeginsel” en het aldus geen toezicht hierop kan houden, schendt artikel 70, § 2, eerste lid, Btw-wetboek“. Op basis van de beide voormelde arresten lijkt het mij dat de 1F-kamer van het Hof van oordeel is dat artikel 6 EVRM de rechter geen grondslag verschaft om een boete beneden het wettelijk tarief vast te stellen maar dat de rechter die mogelijk wél heeft wanneer de belastingplichtige voorafgaand, met toepassing van artikel 9 Regentbesluit, een verzoek heeft ingediend bij de minister of zijn gedelegeerde tot matiging of kwijtschelding van de boete
(19). Zodoende beschikt de fiscale rechter volgens de 1F-kamer, wanneer de belastingplichtige effectief een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de boete heeft ingediend, over dezelfde beoordelingsmarge als de administratie en moet hij zich dus niet beperken tot een evenredigheidstoets, maar kan hij rekening houden met alle elementen, ook elementen die verband houden met de persoon van de belastingplichtige; in dat geval mag de rechter met andere woorden ook loutere redenen van opportuniteit in aanmerking nemen. 3.5.
- Vanuit de vaststelling dat er thans diverse arresten van de Nederlandstalige sectie en de Franstalige sectie van de Eerste Kamer van het Hof naast elkaar bestaan die tegenovergestelde rechtsopvattingen bevatten inzake over de wijze waarop enerzijds de gebonden bevoegdheid van de administratie en anderzijds het fiscale genaderecht van het Regentbesluit nr. 78 de bevoegdheid beïnvloedt van de rechter om administratieve boeten te milderen, lijkt het mij in het licht van de rechtszekerheid aangewezen dat het Hof zou overwegen de onderhavige zaak - zoals overigens ook wordt gesuggereerd in de toelichting bij de voorziening - in een voltallige zitting te beslechten. 3.
- Gezien de verwijzing in het arrest van de 1F-kamer van het Hof dd. 16 mei 2022 naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 79/2008 van 15 mei 2008, komt het mij nuttig voor nog te wijzen op twee navolgende arresten waarin de zienswijze van het Grondwettelijk Hof op de milderingsproblematiek uiteengezet wordt. 3.6.
- In het arrest nr. 135/2021 van 7 oktober 2021 werd aan het Grondwettelijk Hof o.a. de vraag gesteld of artikel 70, § 1, WBTW het gelijkheidsbeginsel en inherent hieraan het evenredigheidsbeginsel en artikel 1 EAP EVRM schendt “doordat een boete wordt opgelegd van 200% wat ontegensprekelijk meer is dan de btw die men wil recupereren.” Die vraag werd als volgt beantwoord: “B.10.
- Het staat aan de wetgever te oordelen of het wenselijk is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een inbreuk het algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals te dezen, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. Die gestrengheid kan onder meer de omvang van de geldboete betreffen. Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn, met name doordat zij op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het algemene beginsel volgens hetwelk inzake sancties niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter, of aan het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, wanneer de wet in een onevenredig bedrag voorziet en niet de mogelijkheid biedt van een spreiding tussen die straf als maximumstraf en een minimumstraf”. (…) “B.10.
- Te dezen dient te worden aangenomen dat de sanctie ten bedrage van het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting niet onevenredig is ten aanzien van het gepleegde misdrijf, rekening houdend met de weerslag die de belastingontduiking kan hebben op de Schatkist en de concurrentieverstoringen die daaruit kunnen voortvloeien voor de bedrijven die wel hun fiscale verplichtingen nakomen, met de mogelijkheid om de in de wet bepaalde boete te vervangen door een verminderde proportionele boete of geheel of gedeeltelijk te laten kwijtschelden (artikel 84, derde lid, van het BTW-Wetboek, artikel 1, eerste lid, 1°, en tweede lid van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en artikel 9 van het organiek besluit van de Regent van 18 maart 1831 “van het bestuer van ’s lands middelen”) en met de bij de voormelde arresten vermelde bevoegdheid van de rechtbanken om met volle rechtsmacht toe te zien op al wat onder de beoordeling van de administratie valt. De door die geldboeten veroorzaakte inmenging in het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, dat gewaarborgd is bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is bijgevolg evenredig en redelijk verantwoord”
(20). 3.6.
- In antwoord op een prejudiciële vraag inzake de combinatie van boetes op grond van artikel 70, § 1, en 70, § 4 WBTW oordeelde het Grondwettelijk Hof in een arrest van 18 juli 2024 als volgt: B.4.
- De in artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek bedoelde fiscale boete heeft tot doel de niet in de paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van hetzelfde Wetboek en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te voorkomen en te bestraffen. Ze heeft derhalve een repressief karakter en is strafrechtelijk van aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het Hof dient bijgevolg, bij de toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, rekening te houden met de waarborgen vervat in dat artikel 6 en, met name, de waarborg dat een onafhankelijke en onpartijdige rechter een controle met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de door de bevoegde administratieve overheid opgelegde geldboete. B.4.
- Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer die overtredingen inzonderheid het algemeen belang schaden. Maar indien hij van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, dan mag niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter kunnen ontsnappen. B.4.
- Hieruit volgt dat artikel 70, §§ 1 en 4, van het BTW-Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing om fiscale geldboetes op te leggen. Aldus kan de rechter nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, te dezen opheffen of verminderen binnen de in de aan de administratie gestelde grenzen”
(21). 3.6.
- Uit de voormelde arresten van het Grondwettelijk Hof blijkt aldus de zienswijze dat aan de vereiste van artikel 6.1 EVRM dat de rechter een administratieve boete met strafrechtelijk karakter met volle rechtsmacht kan toetsen, is voldaan wanneer “niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter”. De boetes opgelegd bij toepassing van artikel 70 WBTW voldoen daaraan, aangezien deze bepaling zich er niet tegen verzet dat de rechter in het kader van een verzet tegen een dwangbevel een bevoegdheid met volle rechtsmacht uitoefent die hem ertoe in staat stelt om al wat onder de beoordeling van de administratie valt te controleren en in voorkomend geval te moduleren, op te heffen of te verminderen binnen de in de aan de administratie gestelde grenzen. Bij een gebonden bevoegdheid van de administratie wat de hoogte van de op te leggen administratieve boete betreft, blijkt uit de voormelde arresten van het Grondwettelijk Hof m.a.w. geen mogelijkheid tot modulering beneden het wettelijk minimum. Het principe dat “alles was tot de beoordelingsbevoegdheid van de administratie behoort, niet mag ontsnappen aan de toetsing van de rechter” houdt in de zienswijze van het Grondwettelijk Hof ook in dat wanneer de belastingplichtige een verzoek op grond van artikel 9 Regentbesluit heeft ingediend, de rechter aan wie de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde ter controle wordt voorgelegd op dezelfde manier als de minister of zijn gedelegeerde de boete moet kunnen kwijtschelden of verminderen. Het Grondwettelijk Hof lijkt er daarbij in het arrest nr. 79/2008 van 15 mei 2008 van uit te gaan dat het de gewone rechter is aan wie de beslissing van de minister moet worden voorgelegd ter controle. 3.
- De voormelde zienswijze van het Grondwettelijk Hof riep echter heel wat vragen op. 3.7.
- Vooreerst werd in de rechtsleer en rechtspraak – m.i. op overtuigende wijze - geargumenteerd dat na een beslissing over een genadeverzoek in de zin van het Regentbesluit van 18 maart 1831 enkel de Raad van State kan worden aangesproken en niet de gewone rechter
(22). 3.7.1.1. Ter zake kan worden verwezen naar de argumentatie aangehaald door het hof van beroep te Gent in een arrest van 7 januari 2014
(23)dat tot het besluit kwam dat dergelijk genadeverzoek geen “geschil over de toepassing van de belastingwet” betreft in de zin van artikel 569, 32° Gerechtelijk wetboek dat onder de bevoegdheid van de gewone rechtbanken valt. Het hof van beroep te Gent verwees daarbij naar het onderscheid tussen enerzijds het bezwaar gericht tegen de aanslag, met inbegrip van de belastingverhoging en anderzijds de kwijtschelding van de belastingverhoging op grond van artikel 9 Regentbesluit. Wat dit laatste betreft overwoog het hof van beroep als volgt: “De gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een belastingverhoging door de Minister van Financiën in toepassing van het artikel 9 van het Regentbesluit van 18.3.1831 daarentegen is slechts een gunstmaatregel waardoor het fiscaal bestuur afziet van de uitvoering van de opgelegde belastingverhoging (vergelijk met Cass. 24.6.2005, AR C.02.0433.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.8, Pas. 2005, nr. 373, 1440). Deze kwijtschelding/gunstmaatregel laat de belastingverhoging zelf onaangetast en de uitwerking van de besproken gunstmaatregel heeft enkel betrekking op de uitvoering van de opgelegde belastingverhoging (vergelijk bvb. in verband met het strafrechtelijk genaderecht: Cass. 19.9.1955, Pas. 1956, I, 12). Welke in het huidige geval juist de reden is geweest van het weigeren van de kwijtschelding is niet uit te maken, bij gebrek aan motivering van het MB van 1.12.2009 (hoewel dit besluit wel degelijk zou moeten gemotiveerd zijn: vergelijk met RvS, nr. 187.001 dd. 13.10.2008, cijfers 6.4.1 en 6.4.2., p. 8-9, vindplaats http://www.raadvst-consetat.be). De minister beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid bij zijn beslissing over de vraag of aan de belastingplichtige de gunst wordt verleend van het afzien van de uitvoering van de belastingverhoging. Hij oordeelt vrij (behoudens willekeur) of het hem al dan niet opportuun voorkomt om aan de belastingplichtige dergelijke gunst te verlenen, en hij dient hierbij niet te oordelen over de wettelijkheid van de belastingverhoging. De wetgever heeft met de wetten van 15.3.1999 en 23.3.1999 de bevoegdheid bij het artikel 9 van het Regentbesluit van 18.3.1831 toegekend aan de Minister van Financiën niet aan de rechterlijke macht willen toevertrouwen. Dit blijkt uit de door de eerste rechter geciteerde passus uit de parlementaire voorbereiding van de wetten van 15.3.1999 en 23.3.1999: "In tegenstelling tot wat aanvankelijk werd overwogen, ligt het niet meer in de bedoeling van de regering om de tekst van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831 gedeeltelijk op te heffen en de bedoelde bevoegdheden toe te vertrouwen aan de rechtbanken die bevoegd zijn op fiscaal gebied. De tussenkomst van de rechterlijke macht werd in dit verband te zwaar geacht. Bovendien merkt de minister op dat het niet aan de rechterlijke macht toekomt om op eender welke wijze af te wijken van de wet. Enkel de uitvoerende macht heeft, volgens hem, het recht om de politieke verantwoordelijkheid in deze materie te dragen." (Verslag van de Commissie van de financiën en de begroting, Parl.St. Kamer, zitt. 1998-1999, nr. 1341/23, p. 18)”. Volgens het hof van beroep te Gent wordt “Hiermee (..) duidelijk gemaakt dat de besproken gunstmaatregel behoort tot de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën en het niet aan de rechterlijke macht toekomt om deze bevoegdheid uit te oefenen, wat het geval zou zijn indien het nemen van de gunstmaatregel zou beschouwd worden als een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet zoals bedoeld in artikel 569, 32° Ger.W. Om vervolgens te besluiten “dat de uitoefening door de Minister van Financiën van de bevoegdheid hem toegekend bij het Regentbesluit van 18.3.1831 niet te beschouwen is als een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet zoals bedoeld bij het artikel 569,32° Ger.W., en waarvoor de rechterlijke macht bevoegd is”. 3.7.1.2. Ook in het kader van de totstandkoming van de regeling met betrekking tot de werking van de Cel Administratieve Sancties (CAS) werd het standpunt van het hof van beroep te Gent bijgetreden. De wet van 29 maart 2018 ‘tot uitbreiding van de opdrachten en versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst’ bevat een Hoofdstuk 2 - ‘Overdracht van de bevoegdheid inzake kwijtschelding van belastingverhogingen en fiscale administratieve boetes’
(24). Bij artikel 2 van de wet van 29 maart 2018, wordt bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 ‘houdende diverse bepalingen (IV)’ een ‘Cel Administratieve Sancties’ opgericht die wordt belast met de opdracht als bedoeld in artikel 5 van de wet van 29 maart 2018. Volgens dit artikel 5 beslist de fiscale bemiddelingsdienst (met name de CAS), “onverminderd de toepassing van in de specifieke wetten voorziene bepalingen (…) over de verzoeken om kwijtschelding of vermindering van belastingverhogingen en administratieve boetes bedoeld in de artikelen 444 en 445 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, over de verzoeken om kwijtschelding of vermindering van belastingverhogingen en administratieve boetes bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en over de verzoeken om kwijtschelding of vermindering van de proportionele en niet-proportionele boetes bedoeld in het Wetboek diverse rechten en taksen, voor zover die belastingverhogingen en administratieve boetes niet meer onderhevig zijn aan enig administratief en rechterlijk beroep en zij niet zijn opgelegd ingevolge inbreuken die via de administratieve weg zijn geregeld in het kader van het overleg, ingevoerd door de wet van 20 september 2012 tot instelling van het “una via”-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscale penale boetes”. In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 december 2018 ‘tot uitvoering van hoofdstuk 2 van de wet van 29 maart 2018 tot uitbreiding van de opdrachten en versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst’
(25)kan, wat het bevoegde rechtscollege betreft om kennis te nemen van beroepen tegen beslissingen inzake kwijtschelding of vermindering van belastingverhogingen en fiscale administratieve boetes, onder meer wat volgt worden gelezen: “V. Een jurisdictioneel beroep bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij toepassing van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (Gec.W RvS)”. Het Hof van Beroep te Gent heeft op 7 januari 2014 een principieel arrest geveld (nr. 2013/AR/502) over een eventuele toepassing van artikel 569, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W) dat een gerechtelijk beroep mogelijk maakt tegen een ministeriële beslissing die een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een fiscale sanctie afwijst bij toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart
- Na een grondig onderzoek over de kwestie heeft het Hof terecht besloten dat een beslissing van een rechter, die een fiscaal gratieverzoek afwijst, niet kan beschouwd worden als bepalend inzake een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet. Uit het principieel arrest uitgesproken door het Hof van Beroep te Gent, waarbij de bevoegdheid van de rechtelijke macht wordt geweerd, blijkt inderdaad dat het geschil dat voor de rechter werd gebracht, niet te beschouwen is als een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet (artikel 569, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek), maar een geschil betreffende de wettelijkheid van een administratieve beslissing over een kwijtschelding of een vermindering van een administratieve sanctie. Dergelijke geschillen behoren tot de bevoegdheid van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bijgevolg, indien er geen gerechtelijk beroep mogelijk is, kan er steeds een jurisdictioneel beroep ingediend worden bij de Raad van State bij toepassing van artikel 14, § 1, Gec.W RvS. (…) Artikel 5, derde lid, van het ontwerp van besluit voorgelegd aan de Raad van State bepaalde het volgende: ‘Tegen deze administratieve beslissing kan geen gerechtelijk beroep worden ingesteld’. Deze bepaling werd ingelast teneinde iedere indiener van een gratieverzoek ervan op de hoogte te brengen dat de wet van 29 maart 2018 niet voorziet in een georganiseerd beroep zodat artikel 14, § 1, Gec.W RvS van toepassing is. De afdeling Wetgeving van de Raad van State merkt in punt 14 van haar advies nummer 64.252/3 van 11 oktober 2018 het volgende op: ‘Het staat niet aan de uitvoerende macht om te bepalen welke beslissingen onderworpen worden aan de rechtsmacht van de Raad van State en welke aan de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken. Krachtens de artikelen 145 en 160 van de Grondwet is dat een aan de wetgever voorbehouden bevoegdheid. De betrokken bepalingen dienen derhalve weggelaten te worden uit het ontwerp van koninklijk besluit. De toelichting van de gemachtigde kan eventueel wel opgenomen worden in het verslag aan de Koning dat bij het ontwerp is gevoegd’. Deze toelichting luidde als volgt: ‘Het is juist omdat de wet niet voorziet in een georganiseerd beroep voor de Hoven en Rechtbanken dat artikel 14 van de wetten op de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973 van toepassing is. De tekst van het besluit maakt enkel melding van het gebrek aan een georganiseerd gerechtelijk beroep, waardoor de afdeling bestuursrechtspraak bij verstek bevoegd wordt als rechter’. Krachtens artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van voormelde wetten op de Raad van State, heeft de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State immers een algemeen karakter in die zin dat ze mede geldt voor alle eenzijdige bestuurshandelingen van de onderscheiden administratieve overheden, behalve indien de wet voorzien heeft in een bijzonder beroep voor een ander rechtscollege. Aangezien dit niet het geval is, zal tegen de door de fiscale bemiddelingsdienst krachtens de artikelen 5 en 6 van de wet van 29 maart 2018 genomen beslissingen, een beroep kunnen ingesteld worden overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari
- Teneinde rekening te houden met de opmerking van de Raad van State werd artikel 5, derde lid, van het ontwerp van besluit geschrapt”. 3.7.1.
- Ook de Raad van State zelf achtte zich reeds bevoegd om het beroep te behandelen tegen een ministeriële beslissing over een genadeverzoek in de zin van het Regentbesluit van 18 maart 1831, zoals blijkt uit een arrest van 13 oktober 2008: “Over de bevoegdheid van de Raad van State 5.
- (…) De verwerende partij meent dat het door de Koning uitgeoefende genaderecht in verband met strafrechtelijke sancties en het door de minister van Financiën uitgeoefende genaderecht in verband met administratieve sancties in wezen dezelfde aard hebben. Beide spelen zich af buiten elk wettelijk criterium, zonder dat er evenwel sprake is van willekeur. De verwerende partij verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 december 1946 op de Raad van State, waaruit blijkt dat het genaderecht van de Koning buiten de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State valt. Zij meent dat het genaderecht van de minister van Financiën, daar het eveneens een administratieve rechtshandeling betreft die samenvalt met de uitvoering van vonnissen en arresten, evenmin tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort. (…) 5.2.
- De onbevoegdheid van de Raad van State ten aanzien van het genaderecht van de Koning vindt haar grondslag in het gegeven dat het bedoelde recht de uitvoering van vonnissen of arresten betreft. De bevoegdheid van de minister van Financiën om belastingverhogingen kwijt te schelden verschilt echter essentieel van het genaderecht dat door de Koning verleend kan worden, doordat het geen betrekking heeft op de uitvoering van vonnissen of arresten. Om die reden kan uit de onbevoegdheid van de Raad van State ten aanzien van beslissingen in verband met het genaderecht van de Koning niet worden afgeleid dat de Raad ook onbevoegd zou zijn ten aanzien van besluiten waarbij de minister van Financiën een belastingverhoging kwijtscheldt of weigert kwijt te schelden. De mogelijkheid van bezwaar tegen een belastingverhoging bij de gewestelijke directeur der directe belastingen, waarna tegen de beslissing van de gewestelijke directeur beroep ingesteld kan worden bij het hof van beroep, brengt evenmin met zich mee dat de Raad van State onbevoegd zou zijn om kennis te nemen van een annulatieberoep tegen een beslissing van de minister van Financiën inzake een verzoek tot kwijtschelding van de belasting op grond van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart
- De eerstgenoemde rechtsmiddelen hebben namelijk de belastingverhoging zelf tot voorwerp, terwijl het beroep bij de Raad van State de beslissing over het verzoek tot kwijtschelding tot voorwerp heeft. Het voorwerp van de onderscheiden beroepen is derhalve in beginsel verschillend. De Raad van State zou zich enkel onbevoegd moeten verklaren indien de middelen gericht tegen de beslissing waarbij de kwijtschelding van de belastingverhoging wordt geweigerd, de wettigheid van die belastingverhoging zelf in twijfel trekken. In dat geval zou het werkelijke voorwerp van het beroep bij de Raad van State samenvallen met het voorwerp van het geschil dat bij de gewestelijke directeur en bij het hof van beroep aanhangig gemaakt kan worden. Zoals hierna zal blijken is dit te dezen voor het eerste middel niet het geval. De exceptie faalt naar recht”
(26). In deze zaak vernietigde de Raad van State het ministerieel besluit dat werd aangevochten in zoverre het verzoek van de verzoekers tot kwijtschelding van belastingverhogingen voor een aantal aanslagen werd afgewezen om reden dat het onvoldoende was gemotiveerd. In een arrest van 22 november 2023
(27). veranderde de Raad van State echter het geweer van schouder in het kader van een beroep tegen een beslissing van de Cel Administratieve Sancties waarbij het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van een administratieve sanctie overeenkomstig artikel 5 van de wet van 29 maart 2018 ‘tot uitbreiding van de opdracht en versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst’, wordt afgewezen. De Raad van State neemt in dit arrest uitdrukkelijk afstand van het standpunt ingenomen door het hof van beroep te Gent in het arrest van 7 januari 2014 en volgt niet langer het standpunt van zijn arrest nr. 187.001 van 13 oktober 2008. De Raad van State baseert zich daartoe op een ruime interpretatie van het begrip “geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet” (artikel 569, 32° Ger.W.) en verwijst bij analogie naar de regeling van het onbeperkt uitstel van de invordering sinds de opname daarvan in het Wetboek 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet fiscale schuldvorderingen (artikelen 63 tot 69)
(28). De Raad besluit hieruit dat de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg bevoegd zijn voor individuele beslissingen genomen door de fiscus, niet alleen wat de betwistingen over de verschuldigdheid van de aanslag of de heffing zelf betreft, maar ook de betwistingen naar aanleiding van andere individuele fiscale rechtshandelingen vóór of na de vestiging van de belasting, zelfs wanneer het fiscaal bestuur over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Op grond van artikel 569, 32°, van het Ger.W. is volgens de Raad de rechtbank van eerste aanleg dan ook bevoegd voor de administratieve geldboetes genomen op grond van een belastingwet, alsook voor het milderen en kwijtschelden ervan. Het is volgens de Raad duidelijk dat “op grond van artikel 569, 32°, van het Ger.W. - behoudens uitdrukkelijk andersluidende bepaling - de fiscale rechter de natuurlijke rechter is, niet alleen voor (individuele) betwistingen over de verschuldigdheid van de aanslag of de heffing zelf, maar ook voor beroepen tegen de fiscale administratieve geldboetes opgelegd wegens inbreuken op de belastingregels en bijgevolg ook voor beslissingen over het milderen en kwijtschelden van administratieve geldboetes”. 3.7.2. Een tweede kritiek op de zienswijze van het Grondwettelijk Hof die naar voor komt in de rechtsleer is dat er geen helderheid is over de aard van de rechtsmacht van de rechter die zich moet buigen over een beslissing genomen bij toepassing van artikel 9 Regentbesluit
(29). Daarbij valt eerst en vooral op te merken dat de bevoegdheid van de minister of zijn gedelegeerde inzake een verzoek tot kwijtschelding van de belasting op grond van het Regentbesluit van 18 maart 1831 een discretionaire bevoegdheid is. Het rechterlijk wettigheidstoezicht op dergelijke, in uitvoerig van een discretionaire bevoegdheid genomen beslissingen is, wat de zgn. interne wettigheid van de beslissing betreft, in de regel beperkt tot een nazicht of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur werden gerespecteerd. De rechter mag zich derhalve niet in de plaats stellen van het bestuur, wat een immers een inbreuk zou betekenen op de scheiding der machten. Indien de beslissing onwettig blijkt, moet de rechter zich ertoe beperken de beslissing te vernietigen, zodat het bestuur een nieuwe beslissing kan nemen. Wanneer de Raad van State over een dergelijke beslissing oordeelt, zal deze dit niet doen met substitutiebevoegdheid maar wel in de vorm van een vernietigingstoezicht
(30). Zo formuleerde de Raad in een arrest van 11 september 2023
(31)zijn bevoegdheid als volgt inzake een beroep tegen een beslissing van de Beroepscommissie onbeperkt uitstel van de invordering van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (inzonderheid personenbelasting en BTW): “(…) het verlenen van onbeperkt uitstel naar aanleiding van een ontvankelijk verzoek daartoe, (betreft) een “uitzonderlijke” cq. “buitengewone” gunstmaatregel waarbij de fiscale administratie over een discretionaire beoordelingsruimte beschikt. Het komt de Raad van State niet toe om zich in de plaats te stellen van de administratie bij de beoordeling van de motieven om dit onbeperkt uitstel al dan niet toe te staan. De Raad van State kan, desgevraagd, wel nagaan of de beoordeling van de overheid steunt op feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven en of die beoordeling binnen de grenzen van de redelijkheid blijft”. Wanneer men er zou vanuit gaan dat de gewone rechtbanken bevoegd zijn om te oordelen over een beslissing genomen bij toepassing van artikel 9 Regentbesluit, dan kan verondersteld worden dat hun rechtsmacht soortgelijk is. 3.8. Het Hof heeft reeds kennis genomen van beroepen tegen arresten over beroepen tegen beslissingen van de minister van Financiën op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831 maar heeft tot op heden zich niet expliciet uitgesproken over de vraag of de gewone rechtbanken en hoven bevoegd zijn om kennis te nemen van dit soort geschillen. In het kader van het voorliggend geschil ligt die rechtsvraag ook niet voor ter beoordeling. Hetgeen tot nog toe werd uiteengezet, leidt wel tot de vaststelling dat zowel het Grondwettelijk Hof als de Raad van State (voor fiscale schuldvorderingen uitvoerbaar verklaard na 1 januari 2020) de gewone rechtbanken bevoegd achten. Evenwel meen ik dat zowel het feit dat, en in acht genomen de redenen daartoe, de Raad van State zich voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Wetboek 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet fiscale schuldvorderingen wel bevoegd achtte, als het feit dat de wetgever in de regeling van de CAS
(32)(die o.a. inzake inkomstenbelastingen moet worden beschouwd als de opvolger van de regeling in het Regentbesluit) uitdrukkelijk voorzien heeft dat de CAS beslist over de kwijtschelding of vermindering van belastingverhogingen en boetes voor zover zij niet meer onderhevig zijn aan enig administratief en rechterlijk beroep, er op wijst dat het fiscaal genaderecht als een procedure moet worden beschouwd die geen verband houdt met de betwisting over de verschuldigdheid van de boete of verhoging zelf. Derhalve meen ik ook, en daarmee sluit ik mij aan bij de rechtspraak van de 1N-kamer van het Hof
(33), dat het al dan niet ingediend hebben van een verzoek tot kwijtschelding op grond van het Regentbesluit van 18 maart 1831 geen determinerend criterium kan vormen om te bepalen of de feitenrechters wettig hebben gehandeld door in een geval waarin de administratie slechts over een gebonden bevoegdheid beschikte tot het opleggen van een geldboete van 200% de boete te verminderen tot 100% na toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Het genadeverzoek bij toepassing van het Regentbesluit is logischerwijze een beroep dat pas achteraf, na de gerechtelijke afhandeling, eens de sanctie definitief is geworden, zijn beslag kan hebben. Genade komt immers na recht en staat los van de vraag of een fiscale boete terecht of onterecht werd opgelegd. Dit maakt dat het geschil in verband met de beoordeling van een administratieve sanctie inzake BTW in het kader van een gewoon rechtsgeding en het beroep tegen de beslissing over het genadeverzoek twee afzonderlijke procedures zijn die elk hun eigen beloop kennen, niet alleen temporeel, maar ook, zoals hoger uiteengezet met mogelijk een verschillende rechtsmacht van de rechter (vernietigingsbevoegdheid vs substitutiebevoegdheid). 3.
- Het eerste onderdeel van het enig middel faalt m.i. naar recht in zoverre het berust op de onjuiste veronderstelling dat de uitoefening van het toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan het vereiste van toetsing met volle rechtsmacht dat vervat ligt in artikel 6.1 EVRM, afhankelijk is van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 bij de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve geldboete heeft ingediend. 3.
- In zoverre het eerste onderdeel van het enig middel berust op de veronderstelling dat enkel het Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 een wettelijke basis vormt om de opgelegde administratieve BTW-boete te verminderen onder het wettelijk minimum, zodat de gewone rechter, indien hij niet gevat werd met een beroep tegen een beslissing die werd genomen bij toepassing van het Regentbesluit, deze bevoegdheid niet heeft, faalt het m.i. eveneens naar recht. 3.10.
- Krachtens artikel 51 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zijn de bepalingen van dit handvest gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Bijgevolg geldt de verplichting om de grondrechten te eerbiedigen zoals ze in het kader van de Europese Unie zijn omschreven, voor de lidstaten alleen wanneer ze met toepassing van het communautair recht handelen. Het Hof van Justitie oordeelde in een arrest van 23 februari 2013 C-617/10 inzake Åkerberg Fransson als volgt met betrekking tot een nationale regeling die als grondslag gold voor een BTW-boete: “
- Op btw-gebied vloeit uit de artikelen 2, 250, lid 1, en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1), waarin onder meer de bepalingen van artikel 2 van de Zesde richtlijn en artikel 22, leden 4 en 8, van die richtlijn, in de versie van artikel 28nonies daarvan, zijn overgenomen, en uit artikel 4, lid 3, VEU voort dat iedere lidstaat alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen dient te treffen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden (zie arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië, C 132/06, Jurispr. blz. I 5457, punten 37 en 46).
- Bovendien moeten de lidstaten volgens artikel 325 VWEU onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad bestrijden met maatregelen die afschrikkend werken en doeltreffend zijn, en moeten zij in het bijzonder ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen treffen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad (zie in die zin arrest van 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a., C 367/09, Jurispr. blz. I 10761, punten 40 42). De eigen middelen van de Unie omvatten volgens artikel 2, lid 1, van besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163, blz. 17) met name de ontvangsten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld volgens voorschriften van de Unie, zodat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de inning van de btw-ontvangsten met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en de terbeschikkingstelling van de overeenkomstige btw-middelen van de begroting van de Unie, aangezien elk mankement in de inning van de btw-ontvangsten potentieel tot verlaging van de btw-middelen van de Unie leidt (zie in die zin arrest van 15 november 2011, Commissie/Duitsland, C 539/09, Jurispr. blz. I-11235, punt 72). 27 . Bijgevolg wordt met belastingboeten en strafvervolging wegens belastingfraude, zoals die waarvan de verdachte in het hoofdgeding het voorwerp is of is geweest wegens verstrekking van onjuiste inlichtingen op btw-gebied, uitvoering gegeven aan de artikelen 2, 250, lid 1, en 273 van richtlijn 2006/112 (voorheen de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn) en artikel 325 VWEU, en dus aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.
- Dat de nationale regelingen die als grondslag dienen voor die belastingboeten en strafvervolgingen niet zijn vastgesteld om uitvoering te geven aan richtlijn 2006/112, doet niet af aan die vaststelling, aangezien met de toepassing van deze regelingen wordt beoogd schending van de bepalingen van deze richtlijn te bestraffen en dus uitvoering te geven aan de door het Verdrag aan de lidstaten opgelegde verplichting om gedragingen waarmee de financiële belangen van de Unie worden geschaad, effectief te bestraffen.
- Dit vooropgesteld, kan een nationale autoriteit of rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (zie voor dit laatste aspect arrest van 26 februari 2013, Melloni, C 399/11, punt 60)”. In een arrest van 26 april 2017 (C-564/15 - Farkas) oordeelde het Hof van Justitie in een zaak waarin een fiscale sanctie van 50% van de BTW werd opgelegd:
- Er zij aan herinnerd dat bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin met name arresten van 7 december 2000, de Andrade, C 213/99, EU:C:2000:678, punt 20, en 6 februari 2014, Fatorie, C 424/12, EU:C:2014:50, punt 50). (…)
- Dergelijke sancties mogen derhalve niet verder gaan dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude. Bij de beoordeling of een sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, moet met name rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk waarvoor die sanctie wordt opgelegd en met de wijze waarop de hoogte ervan wordt bepaald (zie in die zin arresten van 8 mei 2008, Ecotrade, C 95/07 en C 96/07, EU:C:2008:267, punten 65 67, en 20 juni 2013, Rodopi M 91, C 259/12, EU:C:2013:414, punt 38)”. 3.10.
- Uit de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie volgt m.i. dat de bepalingen in verband met administratieve boetes in het Belgisch Btw-wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten ertoe strekken het Unierecht te handhaven, en derhalve zijn op deze bepalingen de algemene beginselen van het Unierecht van toepassing. Tot die algemene beginselen behoort het evenredigheidsbeginsel
(34). Ook bij de toepassing die lidstaten geven aan Uniemaatregelen, moeten zij bijgevolg het evenredigheidsbeginsel respecteren, bijvoorbeeld bij het opleggen van sancties
(35). Bovendien bepaalt artikel 49.3 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat eveneens van toepassing is telkens wanneer Unierecht wordt toegepast, dat “de zwaarte van de straf niet onevenredig mag zijn aan het strafbare feit”. In verband hiermee is het interessant te wijzen op een arrest van het Hof dd. 24 mei 2016 in een strafrechtelijke zaak betreffende douane-inbreuken waarbij aanzienlijke geldboetes werden opgelegd en waarin het Hof nagaat of het Unierechtelijk redelijkheidsbeginsel niet werd geschonden: “
- Artikel 3 EVRM bepaalt: "Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen".
- Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM bepaalt: "Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren". Krachtens die bepaling mag de staat bij wet het eigendomsrecht aantasten om de erin bepaalde doelstellingen te realiseren, voor zover daarbij een billijk evenwicht wordt bereikt tussen die doelstellingen en de noodzaak de fundamentele rechten van het individu te beschermen en er bijgevolg een redelijke verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.
- Artikel 49.3 Handvest bepaalt: "De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit". Die bepaling heeft met betrekking tot vermogensstraffen geen draagwijdte die verder gaat dan deze van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.
- Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en derhalve onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader. Het Hof vermag evenwel na te gaan of uit de vaststellingen en overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er werd geoordeeld met schending van die verdragsbepalingen”
(36). 3.10.3. Derhalve meen ik dat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en artikel 49.3 van het Handvest als Unierechtelijke beginsel/grondrecht voorrang hebben op het recht van de lidstaten en dat zij dus een grondslag bieden om af te wijken van nationale wettelijke sanctieregelingen en om desgevallend BTW-boetes te verminderen beneden het wettelijk (minimum)tarief. Aldus is de aanvoering van eiser m.i. onjuist in zoverre die inhoudt dat enkel het Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 een wettelijke basis vormt om de opgelegde administratieve boete inzake BTW te verminderen tot onder het wettelijk minimum, zodat de gewone rechter, indien hij niet gevat werd met een beroep tegen een beslissing die werd genomen bij toepassing van het Regentbesluit, deze bevoegdheid niet heeft
(37). Tweede onderdeel. 3.
- Volgens eiser heeft de appelrechter zijn beslissing tot herleiding van de geldboete tot 100% niet naar recht verantwoord, nu deze beslissing enkel wordt gemotiveerd vanuit de vaststelling dat verweerder zijn activiteiten als boekhouder heeft stopgezet en met pensioen is gegaan zodat de kans op herval beperkt is, zonder dat de zwaarwichtigheid van de feiten hierbij in rekening werd gebracht. De onevenredigheid van de sanctie was aldus door de appelrechter niet getoetst aan de objectieve verhouding met de ernst van de begane inbreuken waardoor de evenredigheidstoets neerkwam op een loutere subjectieve opportuniteitsbeoordeling, zonder dat hierbij in het bijzonder rekening was gehouden met de mate waarin eiser gebonden was om een geldboete van 200% op te leggen (Schending van de artikelen 3 en 6, in het bijzonder § 1, EVRM, het evenredigheidsbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten, de artikelen 70, § 1 en § 1bis, 72, 84, derde lid, WBTW, 1, eerste lid, 1° en 2° en laatste lid, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr.41 van 30 januari 1987, 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831). 3.
- Het tweede onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen. Met de overwegingen onder rubriek 4.3 van het bestreden arrest toetst de appelrechter de boete aan het evenredigheidsbeginsel daarbij rekening houdend met het straffend doel en het ontradend effect van de geldboete en zonder te vervallen in een louter subjectieve beoordeling of een loutere opportuniteitsbeoordeling
(38). De appelrechter lijkt mij zijn beslissing naar recht te verantwoorden. 4. Besluit: Verwerping. _________________________________________________
(1)HvJ 29 september 2022, Raiffeisen Leasing t. Republika Slovenija, C-235/21, r.o. 42 en 44, ECLI:EU:C:2022:739.
(2)Het Hof heeft reeds oudere rechtspraak toegepast van het Hof van Justitie over de betekenis van het begrip “factuur”, waarvan het bezit nodig is om het recht van aftrek van voorbelasting te genieten. Zie Cass. 25 november 2022, AR F.21.0135.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.6.
(3)De onder deze rubriek geciteerde en door het Hof gehanteerde geijkte formule is door de jaren heen geëvolueerd (bepaalde zinsneden werden geleidelijk aan toegevoegd). Zie onder meer Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3; Cass. 21 september 2018, AR F.17.0086.N, AC 2018, nr. 491, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.5; Cass. 18 januari 2018, AR F.16.0160.N, AC 2018, nr. 41, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180118.7; Cass. 17 mei 2013, AR F.11.0155.N, AC 2013, nr. 306, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130517.2; Cass. 18 april 2013, AR F.11.0142.F, AC 2013, nr. 244, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130418.6; Cass. 11 maart 2011, AR F.10.0069.N, AC 2011, nr. 194, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110311.6; Cass. 11 maart 2011, AR F.10.0020.N, AC 2011, nr. 191, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110311.3; Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0096.N, AC 2010, nr. 174, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1; Cass. 16 februari 2007, AR F.05.0015.N, AC 2007, nr. 100, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3; Cass. 21 januari 2005, AR C.02.0572.N, AC 2005, nr. 43, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31; Cass. 5 februari 1999, AR C.97.0441.N, AC 1999, nr. 67, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990205.7.
(4)Cass. 21 januari 2005, AR C.02.0572.N, AC 2005, nr. 43, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31.
(5)SMET F., “Rechterlijke controle op administratieve sancties: is de motvering van de evenredigheidstoetsing de sleutel?” noot onder Cass. 13 februari 2009, TFR 2009, p. 906.
(6)Cass. 16 februari 2007, AR C.04.0390.N, AC 2007, nr. 99, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2.
(7)Cass. 23 september 2022, AR F.20.0112.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.12.
(8)Cass. 13 februari 2009, AR F.06.0107.N, AC 2009, nr. 123, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3.
(9)Cass. 23 september 2022, AR F.20.0112, N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.12.
(10)Zie ook LEJEUNE I., en VERMEIRE L., “Btw. Duiding 2017”, Brussel, Larcier 2017, p. 345; zie ook VANDENBERGHE L., “De rechterlijke bevoegdheid inzake vermindering van de administratieve (fiscale) sancties”, RW 2010-11, p. 672.
(11)SMET F., l.c., 907-908.
(12)Deze toevoeging gebeurde voor het eerst in Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.3.
(13)Cass. 12 december 2008, AR F.06.0111.N, AC 2008, nr. 726, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8.
(14)Cass. 17 januari 2019, AR F.16.0130.F, AC 2019, nr. 30, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190117.1.
(15)Cass. 17 januari 2019, JT 2019, 812, met noot F. KONING, “Le pouvoir d'appréciation du juge fiscal sur la sanction administrative infligée au contribuable et le moment du recours auprès du ministre des Finances”; TFR 2020, afl. 583, 505-508, met noot F. DEBELVA en M. KELHER, “Rechterlijke matigingsbevoegdheid btw-boetes bij fraude afhankelijk van voorafgaandelijke procedure”; JLMB 2019, afl. 26, 1219-1221, met noot P. MOINEAU, “La Cour de cassation et la réduction des amendes fiscales par le juge”; Fisc.Act. 2019, afl. 8, 4-5, met noot F. DESTERBECK, “Administratieve boeten inzake btw - Geen kwijtschelding door rechter, alleen door fiscus”; Fiscoloog 2011, afl. 1250, 4-7, met noot D. NORE, “Administratieve boeten - Beoordeling BTW-geldboeten: geen eenduidige criteria”.
(16)Zie dezelfde rechtsregel in Cass. 2 maart 2023, AR F.21.0172.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230302.1F.6.
(17)Zie o.a. VAN DYCK J. “Opnieuw tegenstrijdige rechtspraak van Cassatie, nu over de rol ‘Regentbesluit’”, Fiscoloog, nr. 1789, p.1 -2; BRAY A., en VAN MALDER E., “Geen verzoek tot kwijtschelding btw-boetes vereist opdat rechter kan matigen”, Fisc. Act., nr.2 , 19 januari 2023, p. 5.
(18)Cass. 16 mei 2022, AR F.20.0141.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220516.3F.5, met concl. van advocaat-generaal INGHELS ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220516.3F.5, op datum in Pas..
(19)Zie de formule die het Grondwettelijk Hof hanteert in het arrest 79/2008 waarnaar de 1F-kamer verwijst en waarin wordt gesteld dat niets wat onder de beoordeling van de administratie valt, aan de controle van de rechter mag kunnen ontsnappen, r.o. B.6.1. “Maar indien hij van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie aan te passen, dan mag niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan het toezicht van de rechter kunnen ontsnappen”.
(20)GwH, 7 oktober 2021, nr. 135/2021,ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.135.
(21)GwH. 18 juli 2024, nr. 86.2024, ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.086.
(22)Zie hierover de DUBOIS H., “Het fiscaal genaderecht en een onbelangrijk arrest van het Hof van Cassatie”, TFR 2022, afl.624, p. 577 e.v.
(23)Gent, 7 januari 2014, FJF 2017, Afl. 1, 10, n° 2017/7.
(24)BS 13 april 2018.
(25)BS 31 december 2018.
(26)RvS 13 oktober 2008, nr. 187.001, Vuzdugan, ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.001
(27)RvS 22 november 2023, nr. 257.969, X, ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.969.
(28)BS 30 april 2019. De nieuwe regeling geldt zowel voor fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en is luidens artikel 139 van de wet in werking getreden op 1 januari 2020 (artikel 138, 5° bevat overgangsbepalingen).
(29)DUBOIS H., “Het fiscale genaderecht en dit keer een weinig behulpzaam arrest van het Hof van Cassatie”, TFR 2023, afl.635,
(120)122.
(30)DUBOIS H., o.c., p. 122.
(31)RvS 11 september 2023, X, nr.257.259, ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.259. Deze zaak viel nog onder de regeling voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Wetboek 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet fiscale schuldvorderingen.
(32)Zie artikel 1 van het voormelde KB van 21 december 2018 tot uitvoering van Hoofdstuk 2 van de wet van 29 maart 2018 dat het volgende bepaalt: “Elke persoon die gehouden is tot de betaling van de belastingverhoging of de administratieve boete, kan bij de “Cel administratieve sancties” van de fiscale bemiddelingsdienst een schriftelijk en gemotiveerd verzoek om kwijtschelding of vermindering indienen tegen het bedrag van elke opgelegde belastingverhoging of administratieve boete zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 29 maart 2018 tot uitbreiding van de opdrachten en versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst, voor zover tegen deze belastingverhoging of administratieve boete geen administratieve of gerechtelijke beroepsprocedure meer hangende is, noch kan ingediend worden”.
(33)Supra 3.5.1.
(34)Zie daarover K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees Recht, Intersentia 2017, p. 91-92.
(35)Ibid., 92, nr. 120.
(36)Cass. 24 mei 2016, AR P.15.1604.N, AC 2016, nr. 342, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2.
(37)Het zou te ver leiden om in het kader van de analyse van het middel een volledig onderzoek te voeren naar al de mogelijke wettelijke gronden die de rechter toelaten om een opgelegde administratieve boete inzake BTW te verminderen tot onder het wettelijk minimum. Naast het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en artikel 49.3 van het Handvest , kan er immers bijvb. ook nog worden gewezen op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake proportionele en niet-proportionele BTW-boeten met strafrechtelijk karakter, waaruit blijkt dat “uitstel” mogelijk moet zijn. Zo oordeelde het Grondwettelijk Hof in een arrest van 19 oktober 2023 in verband met de niet-proportionele BTW-boetes vermeld in artikel 70, § 4, eerste lid WBTW: “B.13.
- Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.” (GwH, 19 oktober 2023,nr.136, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.136) Uit deze passage wordt in de rechtsleer a contrario afgeleid dat de rechter de opgelegde boete wel moet kunnen schrappen daar waar er wel reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen, als de wet in die mogelijkheid zou hebben voorzien (zie TB, “Ook voor niet-proportionele BTW-boeten moet uitstel mogelijk zijn”, Fiscoloog, 812, p. 12). In arrest van 4 maart 2021 oordeelde het Grondwettelijk hof inzake een administratieve boete die werd opgelegd aan de uitbater van een kansspelinrichting: “B.38.
- Echter wanneer, zoals te dezen, de dader voor eenzelfde feit op een alternatieve wijze kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, ofwel voor de strafrechter moet verschijnen, ofwel een administratieve geldboete opgelegd krijgt waartegen hem een beroep wordt geboden voor een rechtbank, heeft het Hof reeds geoordeeld dat er in beginsel een parallellisme moet bestaan tussen de maatregelen tot individualisering van de sanctie: wanneer, voor dezelfde feiten, de strafrechter een geldboete kan opleggen die minder bedraagt dan het wettelijke minimum indien er verzachtende omstandigheden zijn (artikel 85 van Strafwetboek) of uitstel kan toekennen (wet van 29 juni 1964), moet de rechtbank waarbij het beroep tegen de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen, aanhangig is gemaakt, in beginsel beschikken over dezelfde mogelijkheden om de straf te individualiseren. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat het redelijkerwijs verantwoord is dat de persoon die het voorwerp uitmaakt van een alternatieve administratieve sanctie, geen maatregel tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling kan genieten, aangezien een dergelijke maatregel moeilijk verzoenbaar is met een rechtspleging die niet voor een strafgerecht wordt gevoerd (arresten nrs. 105/2004, 42/2009, 13/2013, 112/2014, 25/2016 en 56/2020)” (GwH 4 maart 2021, nr. 36, B.38.3, ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.036).
(38)Zie over het zowel preventieve als repressieve oogmerk van administratieve sancties van strafrechtelijk aard NELISSEN H. en LIOEN K. “De matiging van de rechter bij belastingverhogingen”, Noot bij Gent, 15 maart 2022, TFR 644, p. 658. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990205.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110311.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110311.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130418.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130517.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180118.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190117.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220516.3F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.6 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220516.3F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230302.1F.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.3 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.036 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.135 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.136 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.086 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.001 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.259 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.969 ECLI:EU:C:2022:739 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div