id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.7 Rolnummer: F.23.0054.N Zaak: B. contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-06-05 Raadplegingen: 298 - laatst gezien 2026-06-18 11:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.7 Fiche De verdragsrechtelijke kwalificaties zijn enkel relevant voor de bepaling van de heffingsbevoegdheid van de verdragsluitende staten; nadat de heffingsbevoegdheid aldus bepaald is, worden de betrokken inkomsten overeenkomstig de eigen interne wetgeving van de betrokken staten aan de belasting onderworpen, zonder dat die staten gebonden zijn door de kwalificaties en definities die voor de toepassing van het verdrag gehanteerd worden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Tekst van de conclusie F.23.0054.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
- Situering. Het geschil betreft twee aanvullende aanslagen in de personenbelasting die werden gevestigd in hoofde van eiseres voor respectievelijk de aanslagjaren 2012 en
- De fiscale administratie verwierp de aftrek van de verliezen voortkomende uit de verhuur door eiseres van vakantieverblijven in Frankrijk, van haar Belgische beroepsinkomsten. De fiscus aanvaardde deze verliesaftrek niet omdat België, als verdragsstaat die niet heffingsbevoegd is, wel gebonden zou zijn door de verdragskwalificatie van de inkomsten uit de verhuur van onroerende goederen als onroerende inkomsten en het WIB92 niet voorziet in een verliescompensatie voor onroerende inkomsten. De gerechtelijke betwisting van de gevestigde aanslagen leidde tot een arrest van het hof van beroep te Brussel dd. 7 september
- De appelrechters volgden de stelling van verweerder dat België als niet-heffingsbevoegde verdragsstaat gebonden is door de verdragsrechtelijke kwalificatie als inkomen uit onroerend goed. Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. 2.
- Eiseres voert in het enig middel de schending aan van artikel 3 van het Belgisch-Frans Dubbelbelastingverdrag, ondertekend op 10 maart 1964; en van de artikelen 7, § 1, 2°, d), 13, eerste gedachtestreepje, 14, eerste lid, 1°, 23, § 1 en § 2, 2° en 37, eerste lid, van het WIB92, elk van die artikelen in hun toepasselijke versie. Volgens eiseres schenden de appelrechters al deze bepalingen door te beslissen dat zij het verlies uit haar activiteit van gemeubelde verhuur in Frankrijk niet van haar Belgische beroepsinkomsten kan aftrekken zonder na te gaan of die activiteit kwalificeerde als een beroepswerkzaamheid naar Belgisch intern belastingrecht die beroepsverliezen kan genereren die met toepassing van artikel 23, § 2, 2°, van het WIB92 kunnen worden afgetrokken van het inkomen van andere beroepswerkzaamheden. De appelrechters zouden volgens eiseres ten onrechte aangenomen hebben dat België in ieder geval gebonden is door de kwalificatie als inkomsten uit onroerend goed van het Belgisch-Franse dubbelbelastingverdrag. 2.
- Het middel komt mij gegrond voor. 2.2.
- Dubbelbelastingverdragen hebben tot doel de heffingsbevoegdheid over inkomsten te verdelen tussen de verdragsstaten. Zo bepaalt artikel 1.1 van het Belgisch-Franse dubbelbelastingverdrag: “Deze Overeenkomst heeft tot doel de verblijfhouder van elk der verdragsluitende Staten te beveiligen voor dubbele belasting die zou kunnen voortvloeien uit de gelijktijdige toepassing van de belastingwetgeving van deze Staten.” Enkel met dit doel kennen dubbelbelastingverdragen aan de verschillende inkomsten een kwalificatie toe. Op basis van deze kwalificatie wordt bepaald welke verdragsstaat bevoegd is om belastingen te heffen over de betreffende inkomsten. Zo bepaalt het artikel 3.1 van het Belgisch-Franse dubbelbelastingverdrag dat “inkomsten uit onroerende goederen, met inbegrip van hun toebehoren, zomede de levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, [...] slechts belastbaar [zijn] in de verdragsluitende Staat waar deze goederen zijn gelegen” en artikel 3.
- dat “het begrip ‘onroerend goed’ wordt bepaald volgens de wetten van de verdragsluitende Staat waar het betreffende goed is gelegen”. Eiseres laat met reden gelden dat deze verdragsrechtelijke kwalificaties alleen bindend zijn voor de toepassing van het dubbelbelastingverdrag, namelijk om te bepalen of en in welke mate de verdragsstaten bepaalde inkomsten mogen belasten of moeten vrijstellen. Zij hebben echter geen doorwerking in het intern fiscaal recht van de verdragsstaten. 2.2.
- Artikel 19.A.2 van het Belgisch-Franse dubbelbelastingverdrag bepaalt dat de inkomsten uit onroerende goederen van de Belgische belastingen worden vrijgesteld wanneer de belastingheffing ervan uitsluitend aan Frankrijk wordt toegekend, zoals in voorliggend geval. Deze vrijstelling gebeurt volgens artikel 19.A.4 echter met een progressievoorbehoud. Dit houdt in dat de Belgische belasting eerst volgens de interne fiscale regels wordt berekend, rekening houdend met de in het buitenland behaalde inkomsten, waarna er een vrijstelling moet worden verleend voor dat deel van de aldus berekende belasting dat overeenstemt met de buitenlandse inkomsten
(1). Bij het berekenen van de belasting dient België als woonstaat steeds haar eigen fiscale regels toe te passen om de buitenlandse inkomsten te kwalificeren
(2). De verdragsstaat die vrijstelling moet verlenen, is niet gebonden door de verdragsrechtelijke kwalificatie van de inkomsten
(3). Die verdragsrechtelijke kwalificatie is, zoals hoger reeds uiteengezet, enkel relevant voor de bepaling de heffingsbevoegdheid van de verdragsstaten
(4). Eens die heffingsbevoegdheid vaststaat, past iedere verdragsstaat met andere woorden zijn eigen fiscale regels toe en verleent het in voorkomend geval de vereiste vrijstelling met progressievoorbehoud. 2.2.3. Overigens is er te dezen geen spraken van een kwalificatieconflict tussen de bronstaat en de woonstaat met betrekking tot de toepassing van het dubbelbelastingverdrag
(5). Over de heffingsbevoegdheid van Frankrijk bestond immers geen discussie
(6). Bovendien wijkt ook Frankrijk internrechtelijk af van de verdragsrechtelijke kwalificatie als onroerende inkomsten en belast het de betrokken inkomsten als “bénéfices industriels et commerciaux”, zodat er tussen beide staten zelfs geen verschil in kwalificatie aanwezig is indien België het beroepsmatig karakter van de activiteiten van eiseres zou aanvaarden. 2.3. Verweerder werpt in de memorie van antwoord op dat op grond van het algemeen rechtsbeginsel inzake de primauteit van het internationale recht op het nationale recht in het geval van uitsluitende heffingsbevoegdheid van Frankrijk geen gevolg kan worden gegeven aan interne Belgische regels die de betrokken inkomsten anders zouden kwalificeren. Deze stelling kan echter niet overtuigen. De kwalificatieregels uit het dubbelbelastingverdrag zijn immers enkel van belang voor de bepaling van de heffingsbevoegdheid van de verdragsstaten. Zij hebben aldus niet hetzelfde voorwerp als de interne Belgische fiscale regels, die bepaalde inkomens specifiek belastbaar willen maken, en komen daarmee bijgevolg niet in conflict
(7). Evenmin wordt de doelstelling van het dubbelbelastingverdrag gefrustreerd, zoals verweerder aanvoert. Zolang België onder de toepasselijke inkomstencategorie een vrijstelling van de Belgische belasting op de buitenlandse inkomsten verleent, is het doel van het vermijden van een dubbele belasting immers bereikt. 2.
- Verweerder laat verder nog gelden dat er in geval van uitsluitende belastingbevoegdheid maar één belastingwetgeving van toepassing kan zijn op het bedoelde inkomen. Deze stelling strijdt echter met de duidelijke tekst van de artikelen 19.A.2 en 19.A.4, die België verplichten een vrijstelling voor buitenlandse inkomsten te verlenen wanneer de belastingheffing ervan uitsluitend aan Frankrijk wordt toegekend en daarbij een progressievoorbehoud toelaten. Bijgevolg dient België wel degelijk eerst de interne fiscale regels toe te passen op de inkomsten voor de bepaling van de belastbare grondslag en de toepasselijke tarieven, maar vervolgens wel een vrijstelling te verlenen. 2.
- Slotsom lijkt mij te zijn dat de appelrechters in voorliggend geval inderdaad dienden na te gaan of de verhuuractiviteiten van eiseres in Frankrijk een beroepsmatig karakter hadden volgens de Belgische fiscale wetgeving, zoals eiseres betoogde. De appelrechters die oordelen dat België gebonden is door de verdragsrechtelijke kwalificatie als inkomen uit onroerend goed, verantwoorden m.i. hun beslissing niet naar recht.
- Besluit: Vernietiging. _______________________________________________
(1)Artikel 155 WIB92. Zie ook E. REIMER en A. RUST (eds.), Klaus Vogel on Double Taxation Conventions, Kluwer Law International, 2022, nr. 39: “The amount of income to be exempted from tax by the State of residence is the amount which, but for the Convention, would be subjected to domestic income tax according to the domestic laws governing such tax. It may, therefore, differ from the amount of income subjected to tax by the State of source according to its domestic laws.” (eigen markering) Zie verder ook P. BAKER, Double Taxation Conventions and International Tax Law, Londen, Sweet & Maxwell, 1994, 359, nr. 23-04; F. DIERCKX, “Internationale fiscale aspecten van onroerend goed investeringen” in F. DIERCKX (ed.), Onroerend goed als beleggingsinstrument. Juridische en fiscale aspecten, Gent, Larcier 2003,
(327)371, nr. 55; T. JANSEN en P. DE VOS, Handboek internationaal en Europees belastingrecht, Antwerpen, Intersentia 2008, 246-247; P. MALHERBE, Introduction à la fiscalité internationale, Brussel, Bruylant 2020,
(95)99, nr. 194; B. PEETERS, “Voorkoming van dubbele belasting” in N. BAMMENS, F. DEBELVA, B. PEETERS en N. REYPENS, Internationaal fiscaal recht, Mechelen, Kluwer 2023,
(353)377 en 378-379.
(2)B. PEETERS, “Voorkoming van dubbele belasting” in N. BAMMENS, F. DEBELVA, B. PEETERS en N. REYPENS, Internationaal fiscaal recht, Mechelen, Kluwer 2023,
(353)362 en 372; E. TRAVERSA en B. VINTRAS, “La prévention de la double imposition des revenus dans les conventions bilatérales : enjeux, modalités et limites” in I. RICHELLE en E. TRAVERSA (eds.), Fiscalité internationale en Belgique, Brussel, Larcier 2013,
(281)293.
(3)N. BAMMENS en B. PEETERS, “Inleiding” in N. BAMMENS, F. DEBELVA, B. PEETERS en N. REYPENS, Internationaal fiscaal recht, Mechelen, Kluwer 2023,
(11)13: “Staten zijn dus, bij het heffen van belastingen in overeenstemming met het eigen interne recht, niet gebonden door de kwalificaties en definities die voor de toepassing van het verdrag gehanteerd worden.”
(4)Cass. 16 oktober 1997, AC 1997, nr. 621; Cass. 29 juni 1984, AC 1984, nr. 410;N. BAMMENS, “Inkomsten uit onroerende goederen” in N. BAMMENS, F. DEBELVA, B. PEETERS en N. REYPENS, Internationaal fiscaal recht, Mechelen, Kluwer 2023,
(171)172; T. JANSEN en P. DE VOS, Handboek internationaal en Europees belastingrecht, Antwerpen, Intersentia 2008, 97-98 en 152.
(5)Zie daarover: T. JANSEN en P. DE VOS, Handboek internationaal en Europees belastingrecht, Antwerpen, Intersentia 2008, 120-121 en 255; B. PEETERS, “Voorkoming van dubbele belasting” in N. BAMMENS, F. DEBELVA, B. PEETERS en N. REYPENS, Internationaal fiscaal recht, Mechelen, Kluwer 2023,
(353)368-372; E. REIMER en A. RUST (eds.), Klaus Vogel on Double Taxation Conventions, Kluwer Law International 2022, nrs. 32.1-32.7.
(6)Zie p. 5, nr. 7 van het bestreden arrest.
(7)F. DIERCKX, “Internationale fiscale aspecten van onroerend goed investeringen” in F. DIERCKX (ed.), Onroerend goed als beleggingsinstrument. Juridische en fiscale aspecten, Gent, Larcier 2003,
(327)340, nr. 17. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div