id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250502.1N.4 Rolnummer: C.24.0131.N Zaak: T. contra FEKA NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Handelsrecht - Overige Invoerdatum: 2025-06-20 Raadplegingen: 667 - laatst gezien 2026-06-18 16:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250502.1N.4 Fiche 1 Uit de primauteit van het Unierecht volgt dat de nationale rechter voorrang moet geven aan de bepaling van een richtlijn boven een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht en dat hij deze laatste bepaling buiten toepassing moet laten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Primauteit van het Unierecht - Gevolg Fiche 2 Het Unierecht omvat onder meer het recht op een doeltreffende rechtsbescherming, terwijl remedies niet alleen doeltreffend maar ook evenredig en afschrikkend moeten zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Recht op een doeltreffende rechtsbescherming - Begrip Fiche 3 De nationale rechter moet het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht en zo richtlijnconform mogelijk uitleggen en zodoende, in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, het beoogde resultaat ervan nastreven
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Richtlijnconforme uitlegging - Begrip Fiches 4 - 5 Daar waar de Europese richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende de oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, omgezet in het interne Belgische recht in de artikelen VI.82 en volgende WER, aan de lidstaten procesautonomie laat, oordeelt het Hof van Justitie in vaste rechtspraak dat de nationale procedurebepalingen moeten beantwoorden aan onder meer het doeltreffendheidsbeginsel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Procesautonomie van de lidstaten - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.82 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Procesautonomie van de lidstaten - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.82 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 6 - 7 Wanneer beschermingsbepalingen de consument het recht verlenen om zich tot een rechter te wenden teneinde het oneerlijke karakter van een contractueel beding te laten vaststellen en dit beding buiten toepassing te laten verklaren, mogen nationale procedurebepalingen omtrent de gedingkosten de consument niet tegenhouden of ontmoedigen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Recht van de consument om zich tot een rechter te wenden teneinde het oneerlijke karakter van een contractueel beding te laten vaststellen en dit beding buiten toepassing te laten verklaren - Nationale bepalingen omtrent gedingkosten - Invloed Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Recht van de consument om zich tot een rechter te wenden teneinde het oneerlijke karakter van een contractueel beding te laten vaststellen en dit beding buiten toepassing te laten verklaren - Nationale bepalingen omtrent gedingkosten - Invloed Fiches 8 - 9 Een consument die het oneerlijke karakter van een contractueel beding heeft laten vaststellen en dit beding buiten toepassing heeft laten verklaren maar slechts gedeeltelijke terugbetaling van op basis van dat beding betaalde bedragen verkrijgt, kan worden tegengehouden of ontmoedigd, wanneer hij een deel van de gedingkosten moet dragen, terwijl hij zijn recht op terugbetaling te goeder trouw en zonder procesrechtsmisbruik uitoefende
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Consument die het oneerlijke karakter van een contractueel beding heeft laten vaststellen en dit beding buiten toepassing heeft laten verklaren - Gedeeltelijke terugbetaling aan de consument van de op basis van het oneerlijk beding betaalde bedragen - Deel van de gedingkosten ten laste van de consument - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Consument die het oneerlijke karakter van een contractueel beding heeft laten vaststellen en dit beding buiten toepassing heeft laten verklaren - Gedeeltelijke terugbetaling aan de consument van de op basis van het oneerlijk beding betaalde bedragen - Deel van de gedingkosten ten laste van de consument - Gevolg Fiche 10 Een richtlijnconforme uitlegging van artikel 1017, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, in een context van consumentenbescherming en meer bepaald een procedure teneinde het oneerlijke karakter van een contractueel beding te laten vaststellen en dit beding buiten toepassing te laten verklaren, brengt mee dat de nationale rechter, die de partijen wederzijds gelijk en ongelijk geeft, bij de beoordeling van de gedingkosten moet nagaan of deze kosten aan de zijde van de consument hem niet zouden hebben tegengehouden of ontmoedigd; zo moet de rechter nagaan of de gedingkosten aan de zijde van de consument redelijkerwijze in verhouding staan tot zijn gedeeltelijke gelijk, met dien verstande dat de uiteindelijke kostenveroordeling van de consument niet dermate hoog mag zijn dat ze hem zou hebben tegengehouden of ontmoedigd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Richtlijn 93/13/EEG - Richtlijnconforme interpretatie - Procedure om het oneerlijke karakter van een contractueel beding te laten vaststellen en dit beding buiten toepassing te laten verklaren - Partijen die wederzijds gelijk en ongelijk krijgen - Taak van de rechter bij de verdeling van de gedingkosten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1017, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie C.24.0131.N Conclusie van advocaat-generaal VROMAN: Eisers komen op tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, gewezen op 2 oktober
- Door de eisers wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd heeft betrekking op de eventuele invloed van de Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende de oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten op de gerechtskosten die ten laste van een consument worden gelegd. De feiten van het geschil zijn de volgende: De eisers sloten met verweerster een huurovereenkomst op 17 november 2015 met betrekking tot een appartement gelegen te Antwerpen. De huur zou ingaan vanaf 1 maart
- Op 18 februari stuurden de eisers de sleutels van het gehuurde appartement terug en lieten ze schriftelijk weten dat de huurovereenkomst niet per 1 maart 2016 kon ingaan. In de procedure die daarop volgde komt er op 31 oktober 2019 een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen tussen waarbij de ontbinding lastens de eisers wordt uitgesproeken en waarbij zij worden veroordeeld tot het betalen van een wederverhuringsvergoeding gelijk aan drie maanden huur van 4.485 euro waarvan het reeds betaalde bedrag van 1490 euro moet worden vanaf getrokken en waarbij de rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd. Die vonnis werd vernietigd door het arrest van 9 oktober 2020 van het Hof omdat het vonnis van 31 oktober 2019 dat de contractueel bepaalde wederverhuringsvergoeding nietig verklaart op grond van artikel VI.84 WER omdat het niet voldoet aan het wederkerigheidsvereiste van artikel VI.83, 17°, WER maar dan vervolgens een wederverhuringsvergoeding naar gemeen recht bepaalt en toekent zonder vast te stellen dat de nietigheid van het beding houdende de wederverhuringsvergoeding noopt tot de vernietiging van de overeenkomst in haar geheel en de eisers daardoor worden geconfronteerd met zodanige gevolgen dat zij in hun belangen worden geschaad, niet naar recht verantwoord is
(1). In het bestreden vonnis van 2 oktober 2023 van de rechtbank van eerste aanleg van Limburg, afdeling Hasselt, werd de vordering van verweerster tot het betalen van een wederverhuringsvergoeding ongegrond verklaard, verkregen de eisers de terugbetaling van het bedrag van 1490 euro en werden de partijen veroordeeld tot elk de helft van de gerechtskosten, uitgezonderd de rechtsplegingsvergoedingen die in beide aanleggen werden omgeslagen. II. Het middel. Eisers verwijten de appelrechter de artikelen 6, 7 en 8 van de Europese richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende de oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (verder Richtlijn 93/13/EEG)
(2), het unierechtelijk gelijkwaardigheid- en doelmatigheidsbeginsel, het algemeen rechtsbeginsel van de voorrang van regels van internationaal recht boven de regels van nationaal recht, het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het Unierecht, de artikelen VI.83 en VI.84 WER, de artikelen 1017, 1018, 1019, 1020, 1022, 1023 en 1024 Gerechtelijk Wetboek te hebben geschonden door de gerechtskosten bij helften te verdelen over de partijen en de rechtsplegingsvergoedingen in hun hoofde om te slaan omdat dit de appelrechter gepast voorkomt gelet op ieders onderscheidenlijk ongelijk, zonder na te gaan of op die manier eisers hun gerechtskosten voldoende hoog vergoed krijgen om niet ontmoedigd te worden hun rechtsbescherming geboden door voormelde richtlijn op te eisen. III. Beoordeling. Het is vaststaande rechtspraak van het Hof dat: 1. een internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde voorrang heeft op een internrechtelijke norm die daarmee in strijd is
(3); 2. uit de primauteit van het Unierecht volgt dat de rechter voorrang moet geven aan de bepaling van een richtlijn boven een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht en dat hij deze laatste bepaling buiten toepassing moet laten
(4); 3. de nationale rechter het nationale recht richtlijnconform moet uitleggen, dit wil zeggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken, maar niet verplicht is om aan bepalingen van nationaal recht een uitleg te geven die niet strookt met de bewoordingen ervan, en dat de plicht om te refereren aan de inhoud van een richtlijn begrensd wordt door de algemene rechtsbeginselen, zoals het rechtzekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht. De nationale rechter is dus niet gehouden tot richtlijnconforme interpretatie van het nationale recht indien de bewoordingen van het nationale recht zich daartegen verzetten of wanneer die interpretatie strijdt met het rechtzekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht
(5). Het Hof van Justitie vereist met betrekking tot de Richtlijn 93/13/EEG dat de nationale wetgeving het doeltreffendheidsbeginsel respecteert. Het Hof van Justitie besliste bij herhaling dat bij ontbreken van specifieke Unieregelgeving ter zake, de nadere uitvoeringsregels voor de in richtlijn 93/13/EEG geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procesautonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde zijn van die staten maar die nadere regels mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel)
(6). Het Hof van Justitie oordeelde in het arrest van 16 juli 2020 dat artikel 6, lid 1 en 7, lid 1 van de Richtlijn 93/13/EEG en het doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling waarbij een deel van de proceskosten voor rekening van de consument kan komen, en dit naargelang van de hoogte van de onterecht betaalde bedragen die hem wegens de nietigverklaring van een oneerlijk contractueel beding moeten worden terugbetaald, aangezien die regeling een aanzienlijk obstakel vormt dat consumenten kan ontmoedigen het hun door Richtlijn 93/13/EEG verleende recht op een effectieve rechterlijke toetsing van het potentieel oneerlijke karakter van contractuele bedingen uit te oefenen
(7). Het is daarbij niet onmogelijk dat een consument wordt veroordeeld in de gedingkosten. Volgens het Hof van Justitie moet het doeltreffendheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een consument die – om de hem bij richtlijn 93/13 verleende rechten te doen gelden – een gerechtelijke procedure heeft ingeleid tegen een verkoper met wie hij een overeenkomst heeft gesloten die een oneerlijk beding bevat, zijn eigen kosten in verband met die procedure moet dragen indien hij geen precontentieuze stappen jegens de verkoper heeft ondernomen en deze laatste de vordering van de consument vóór enige betwisting heeft erkend, zelfs al is vastgesteld dat dit beding oneerlijk is, mits de bevoegde nationale rechter rekening kan houden met het bestaan van vaste nationale rechtspraak waarin het oneerlijke karakter van vergelijkbare contractuele bedingen is vastgesteld en met de houding van de betrokken verkoper, om te bepalen dat die verkoper te kwader trouw was en hem daarom in voorkomend geval te verwijzen in die kosten
(8). In het bestreden vonnis werd geoordeeld dat de kosten worden omgeslagen omdat de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld. Dit is inderdaad een wettelijke mogelijkheid (geen verplichting) waarover de rechter beschikt op basis van artikel 1017, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek
(9). Het is daarbij zelfs niet vereist dat de partijen wederzijdse vorderingen hebben ingesteld: ook wanneer er sprake is van slechts één vordering die gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond werd verklaard, kan dat aanleiding geven tot een omslag van de kosten
(10). Door sommige auteurs is geschreven dat een partij het omslaan van de kosten kan suggereren, maar dat de rechter vrij en soeverein apprecieert en dat de rechter zijn beslissing om de kosten om te slaan niet hoeft te motiveren, tenzij de partijen omtrent het omslaan van de kosten geargumenteerd hebben in pleidooien of conclusies
(11). In het licht van de hogervermelde rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel dat geldt bij de interpretatie van de Richtlijn 93/13/EEG, kan dit standpunt niet gevolgd worden in de materie van de consumentenbescherming, in het bijzonder wanneer er sprake is van een oneerlijk of onrechtmatig beding. Het is volgens mij integendeel een taak van de rechter wanneer hij een beding nietig verklaart wegens het onrechtmatig of oneerlijke karakter (in casu op basis van de artikelen VI.83 en VI.84 WER) en hij overweegt de kosten om te slaan omdat beide partijen in het ongelijk werden gesteld omtrent enig geschilpunt, om eerst na te gaan of de consument niet werd tegengehouden of ontmoedigd om zijn recht op een effectieve rechterlijke toetsing van het potentieel oneerlijke karakter van contractuele bedingen uit te oefenen, doordat de kosten (gedeeltelijk) aan zijn zijde worden gelegd. Wanneer bijvoorbeeld de kosten aan de zijde van de consument te hoog zouden zijn in verhouding tot zijn gedeeltelijk gelijk, is dit een reden om de kosten te beperken in hoofde van de consument en de onderneming te veroordelen tot een groter stuk van de kosten of wanneer de onderneming te kwader trouw zou blijken te zijn, om alleen deze te veroordelen in de kosten
(12). Uit het oordeel onder punt 3.3 van het bestreden vonnis blijkt niet dat de appelrechter dit heeft nagegaan. Het middel is gegrond. Conclusie: Cassatie in zoverre het bestreden vonnis uitspraak doet over de kosten. _____________________________________________________
(1)Cass. 9 oktober 2020, AR C.19.0631.N, AC 2020, nr. 620, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201009.1N.1; T.Huur 2024/1, 35; Jb.Markt. 2020/1, 147.
(2)Pb.L. 21 april 1993, http://data.europa.eu/eli/dir/1993/13/oj.
(3)Cass. 23 juni 2016, AR C.14.0092.N, AC 216, nr. 418, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.2. Zie Cass. 27 mei 1971, AC 1971, 959 (in de rechtsliteratuur vaak geciteerd als het "arrest Franco-Suisse Le Ski"); Cass. 14 januari 2016, AR F.14.0015.N, AC 2016, nr. 28, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160114.9, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS; in dit laatste arrest werd deze regel, toegepast op het conflict tussen Europese en internrechtelijke normen, door het Hof omschreven als “de primauteit van het Unierecht”.
(4)Cass. 25 september 2020, AR F.17.0012.N, AC 2020, nr. 578, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.5; Cass. 14 januari 2016, AR F.14.0015.N, AC 2016, nr. 28, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160114.9.
(5)Cass. 2 september 2016, AR F.14.0206.N, AC 2016, nr. 451, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160902.5 met verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie: HvJ 26 februari 1986, C-152/84, ECLI:EU:C:1986:84, Marshall; HvJ 13 november 1990, C-106/89, ECLI:EU:C:1990:395, Marleasing; HvJ 4 juli 2006, C-212/04, ECLI:EU:C:2006:443, Adeneler e.a.
(6)Vb. HvJ 13 juli 2013, C-35/22, ECLI:EU:C:2023:569, CAJASUR Banco; HvJ 10 juni 2021, C-776/19, C-777/19, C-778/19, C-779/19, C-780/19, C-781/19, C-782/19, ECLI:EU:C:2021:470, (VB, WA; XZ, YY; ZX; DY, EX / BNP Paribas Personal Finance SA; AV; BW, CX; FA / BNP Paribas Personal Finance SA, Procureur de la République), Bank.Fin.R. 2022, afl. 1, 11, met noot WERBROUCK, J. (‘Over onverjaarbaarheid en bewijslastomkering: grenzen voorbij? [Handhaving van consumentenrecht en onrechtmatige bedingen’); HvJ 16 juli 2020, C-224/19 en C-259/19, ECLI:EU:C:2020:578, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria; HvJ 26 oktober 2006, C-168/05, ECLI:EU:C:2006:675, Mostaza Claro.
(7)HvJ 16 juli 2020, C-224/19 en C-259/19, ECLI:EU:C:2020:578, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, overw. 99.
(8)HvJ 13 juli 2013, C-35/22, ECLI:EU:C:2023:569, CAJASUR Banco, overw. 38.
(9)Cass. 18 december 2009, AR C.08.0334.F, AC 2009, nr. 763, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091218.3, met concl. van advocaat-generaal A. HENKES, ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091218.3, op datum in Pas..
(10)Cass. 19 januari 2012, AR F.10.0142.N, AC 2012, nr. 57, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120119.5, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120119.5.
(11)VAN DEN BERGH B., ‘De verliezer betaalt (commentaar bij artikel 1017 Ger.W.)’ in DEPUYDT P., ALLEMEERSCH B., VAN DEN BERGH B. en RAES S. (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, losbl.,
(1)77-78; DECROËS A., “Condamnation aux dépens : principe et exceptions”, JT 2019, nr. 6764,
(200), 201.
(12)Zie bijvoorbeeld enkele vonnissen van vrederechters die onrechtmatige bedingen de kosten voornamelijk bij de schuldeiser leggen; Vred. Sint-Pieters-Woluwe, T. Vred. 2019/3-4, 234. Vred. Vorst 5 november 2019, T.Vred. 2020/3-4, 232 en Vred. Genk 19 november 2019, T. Vred. 2019/3-4, 234, met noot VAN HOVE B. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250502.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250502.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091218.3 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091218.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120119.5 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120119.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160114.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160902.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201009.1N.1 ECLI:EU:C:1986:84 ECLI:EU:C:1990:395 ECLI:EU:C:2006:443 ECLI:EU:C:2006:675 ECLI:EU:C:2020:578 ECLI:EU:C:2021:470 ECLI:EU:C:2023:569 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div